RECHTBANK OVERIJSSEL
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/2397
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats],
hierna: [eiser],
en
het college van burgemeester en wethouders van Hengelo,
hierna: het college.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Asfalt Centrale Twente B.V. uit Hengelo,
hierna: ACT,
(gemachtigde: mr. M.A.A. Soppe).
1. Inleiding
Met het besluit van 11 februari 2026 heeft het college aan ACT een last onder dwangsom opgelegd, waarin ACT is gelast voor 1 mei 2026 de concentratie van PAK, benzeen en MVP2 stoffen (o.a. formaldehyde) te reduceren en gereduceerd te houden zodat wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden. De begunstigingstermijn is met het besluit van 29 april 2026 verlengd tot 15 september 2026 omdat er volgens het college concreet zicht bestond dat ACT voor het einde van die termijn aan de emissiegrenswaarden kon voldoen.
Op 8 maart 2026 heeft [eiser] het college verzocht handhavend op te treden tegen ACT vanwege de overschrijding van de emissiegrenswaarden, waarbij hij onder meer heeft verzocht de productie van de ACT stil te leggen totdat deze voldoet aan de emissiegrenswaarden.
Het college is met het besluit van 1 mei 2026 in het verzoek tot stillegging niet meegegaan. Als reden daarvoor is genoemd dat het college zich heeft laten adviseren door de GGD en dat daaruit bleek dat op leefniveau werd voldaan aan de grenswaarden van de stoffen (hierna: immissiegrenswaarden). Door de GGD is vastgesteld dat daarom geen sprake was van (acute) gezondheidsrisico’s. Daarnaast heeft voor het college meegewogen dat ACT een redelijke termijn moest worden gegeven om de overtredingen te kunnen beëindigen en dat er concreet perspectief was op een structurele beëindiging daarvan vanwege de komst van de Environox-installatie bij ACT. Voor het overige heeft het college het verzoek toegewezen, omdat al handhavend werd opgetreden.
[eiser] was het met dit besluit niet eens en heeft daartegen bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. In haar uitspraak van 18 juni 2026 heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen, omdat een spoedeisend belang ontbrak.
Op 31 augustus 2026 heeft [eiser] de voorzieningenrechter opnieuw verzocht een voorlopige voorziening te treffen gedurende de bezwaarprocedure.
Op 1 september 2026 heeft het college beslist op het bezwaar van [eiser]. [eiser] heeft tegen dit besluit op 2 september 2026 beroep ingesteld en het verzoek om voorlopige voorziening niet ingetrokken. Daarmee is het verzoek ‘omgeklapt’ naar een verzoek om voorlopige voorziening in de beroepsfase.
In een brief van 10 september 2026 heeft het college vervolgens onder verwijzing naar een bijgevoegde e-mail afkomstig van ACT toegelicht dat ACT per 15 september 2026 om 15:00 uur de productie zou stilleggen. Uit die e-mail volgt verder dat de Environox-installatie op 2 oktober wordt geïnstalleerd en dat na voltooiing daarvan ACT de productie gaat hervatten. Voorts vermeldt het college dat in die periode gecontroleerd zal worden of de productie daadwerkelijk stilligt en dat ernaar wordt gestreefd binnen twee weken na de voltooiing van de installatie een eerste meting te laten plaatsvinden, waarvoor specialisten moeten worden ingeschakeld en enige afstemming nodig is met ACT. Tot slot heeft het college nogmaals verwezen naar het advies van de GGD.
De voorzieningenrechter heeft [eiser] naar aanleiding van deze informatie verzocht of hij het verzoek wilde voortzetten. Op 11 september 2026 heeft [eiser] dit bevestigd.
2. Beoordeling door de voorzieningenrechter
De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het verzoek kennelijk ongegrond is. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Het (huidige) verzoek van [eiser] ziet er in de kern op dat de productie van ACT stil wordt gelegd, althans vanaf uiterlijk 15 september 2026, totdat is gecontroleerd en vastgesteld dat aan de geldende emissiegrenswaarden wordt voldaan.
De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat [eiser] geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Uit de e-mail afkomstig van ACT en de brief van het college van 10 september 2026 stelt de voorzieningenrechter vast dat per einddatum van de begunstigingstermijn op 15 september 2026 de productie door ACT ook daadwerkelijk is stilgelegd en niet zal worden opgestart dan nadat de Environox-installatie op 2 oktober is geïnstalleerd. De voorzieningenrechter heeft van partijen na 15 september 2026 ook geen ander bericht ontvangen. In zoverre is al aan het verzoek van [eiser] voldaan. Voorts ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om voor de periode tussen de opstart van de Environox-installatie en de daadwerkelijke controle en vastlegging door het college of voldaan wordt aan de emissiegrenswaarden een voorziening te treffen. Het betreft hier een zeer korte periode en [eiser] heeft op dit moment niet aannemelijk gemaakt dat daarin een dusdanig acute situatie ontstaat die het treffen van een voorziening rechtvaardigt. Weliswaar betwist hij dat het college zich heeft kunnen baseren op het advies van de GGD ten aanzien van de immissiegrenswaarden, maar vooralsnog liggen er geen concrete aanwijzingen op basis waarvan de voorzieningenrechter kan vaststellen dat de situatie voor [eiser] dusdanig spoedeisend is dat zijn verzoek moet worden toegewezen. Daarnaast is het tussen het college en ACT om in het kader van de handhavingsprocedure vast te stellen of voldaan is aan de last. Ook daarmee ziet de voorzieningenrechter in het verzoek van [eiser] geen spoedeisend belang die het treffen van een voorlopige voorziening noodzakelijk maakt.
3. Conclusie en gevolgen
Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.