RECHTBANK OVERIJSSEL
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zwolle
Zaaknummer: C/08/349975 / JE RK 26-1212
Datum uitspraak: 10 september 2026
Beschikking over de verlenging van de ondertoezichtstelling en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van:
Stichting Jeugdbescherming Overijssel,
de gecertificeerde instelling, hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Zwolle,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
bijgestaan door advocaat: mr. F. Pool,
[de stiefvader] ,
hierna te noemen: de stiefvader,
wonende op ene bij de rechtbank bekend adres
en [minderjarige].
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 juli 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de stiefvader;
[naam 1] en [naam 2] namens de GI.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een brief geschreven aan de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft geschreven.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij haar moeder en stiefvader.
De kinderrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, heeft bij beschikking van 26 augustus 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 11 september 2026.
De kinderrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, heeft bij beschikking van 26 augustus 2025 de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 11 september 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte accommodatie te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Voor de onderbouwing van de verzoeken verwijst de GI naar de overgelegde stukken.
De GI heeft ter zitting het verzoek aangepast, in die zin dat de GI geen verlenging verzoekt, maar een verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte accommodatie voor de duur van een jaar. [minderjarige] woont inmiddels sinds 15 juni 2026 weer thuis bij de moeder, met inzet van spoedhulp. De moeder is open en werkt goed samen. Er is een mooie band te zien tussen de moeder en [minderjarige] . Gezien deze omstandigheden verzoekt de GI om het verzoek tot verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] af te wijzen.
Ter aanvulling heeft de GI tijdens de zitting naar voren gebracht dat er wel zorgen worden gezien. [minderjarige] laat nog ingewikkeld en zelfbepalend gedrag zien. Zij gebruikt alcohol en luistert niet altijd naar de moeder. Op zulke momenten is het voor de moeder moeilijk om haar moederpositie in te nemen. De moeder heeft veel aan zichzelf gewerkt. Hierdoor lukt het de moeder om meer rust te bewaren en daardoor andere keuzes te maken. Er zijn geen zorgen meer over de situatie met de opa van moederszijde.
4. De standpunten
[minderjarige] heeft het gevoel dat zij er alleen voor staat en dat vindt zij zwaar. Zij zou willen dat er naar haar geluisterd wordt en dat zij het gevoel krijgt dat ze het niet alleen hoeft te doen. Het liefst zou [minderjarige] op zichzelf wonen. [minderjarige] wil rust, duidelijkheid en een plek waar zij zich prettig voelt.
De moeder verzoekt primair om de ondertoezichtstelling af te wijzen. De moeder wil af van de maatregelen van de GI en wil rust. Volgens de moeder heeft zij in het verleden vaak gezegd dat de plaatsing van [minderjarige] niet goed is en dat is nu uitgekomen. De moeder heeft zich niet gehoord gevoeld. Het vertrouwen van de moeder in het systeem is weg. De moeder accepteert hulp en kan de hulp zelf regelen. Indien de verlenging van de ondertoezichtstelling wel wordt uitgesproken verzoekt de moeder subsidiair de verlenging te beperken tot drie tot zes maanden. De moeder is van mening dat er geen sprake kan zijn van een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] , omdat deze van rechtswege is komen te vervallen doordat [minderjarige] weer thuis woont sinds 15 juni 2026. Nu de GI verzoekt om de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen is dit verzoek niet meer actueel. Per 22 augustus 2026 is de moeder gaan wonen in de nieuwe woning in [plaats 1] in Duitsland. [minderjarige] zal wel naar de school in [plaats 2] blijven gaan. Ten tijde van het indienen van het verzoek had [minderjarige] haar gewone verblijfplaats nog in Nederland. Volgens de moeder staat zij nog niet ingeschreven in de basisadministratie in Duitsland en zal dat nog ongeveer twee weken duren voordat dat geregeld is. De moeder is van mening dat deze rechtbank bevoegd is het verzoek te behandelen.
De stiefvader heeft een goede band met [minderjarige] . [minderjarige] durft met hem te praten en neemt hem in vertrouwen. De stiefvader begrijpt de angst van de moeder om [minderjarige] weer kwijt te raken. Volgens de stiefvader kan de ondertoezichtstelling er af. De ondertoezichtstelling veroorzaakt veel onrust en dat is niet nodig.
5. De beoordeling
Het internationaal privaatrecht
Ter zitting is gebleken dat de moeder met [minderjarige] per 22 augustus 2026 verhuisd is naar [plaats 1] in Duitsland. Vanwege deze verhuizing dient de rechtbank ten eerste de vraag te beantwoorden of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt en welk recht van toepassing is.
Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Verordening (EU) 2019/1111 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (Brussel II-ter), is de Nederlandse rechter bevoegd als het kind zijn gewone verblijfplaats heeft in Nederland op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. De rechtbank stelt vast dat ten tijde van het aanhangig maken van het verzoek, te weten op 17 juli 2026, [minderjarige] woonachtig was bij haar moeder in de gemeente [plaats 2]. Nu [minderjarige] ten tijde van het aanhangig maken van het verzoek haar gewone verblijfplaats in Nederland had, is de Nederlandse rechter bevoegd om van het onderhavige verzoek kennis te nemen.
Op grond van artikel 15 van het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996) is Nederlands recht van toepassing nu de Nederlandse rechter bevoegd is.
De ondertoezichtstelling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De ondertoezichtstelling is nog steeds nodig. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen voor de duur van een jaar. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
Bij [minderjarige] is er sprake van een belaste voorgeschiedenis. Er is sprake geweest van langdurige onveiligheid, instabiliteit en emotionele belasting. [minderjarige] is bekend met complexe trauma- en hechtingsproblematiek en problemen met de emotieregulatie. Wanneer spanningen oplopen of wanneer zij zich niet gehoord of gezien voelt kan [minderjarige] emotioneel ontregeld raken. Doordat de uithuisplaatsingen van [minderjarige] in de eerdere pleeggezinnen niet langer houdbaar waren verblijft [minderjarige] sinds 15 juni 2026, met de inzet van spoedhulp, weer thuis bij de moeder. De moeder accepteert de inzet van de hulpverlening en werkt goed samen met de GI. Ter zitting heeft de GI verklaard dat het met [minderjarige] bij de moeder thuis goed gaat. Het zelfbepalende gedrag van [minderjarige] blijft wel nog steeds zichtbaar. Zo gebruikt [minderjarige] alcohol en luistert zij niet altijd naar de moeder. Het lukt de moeder nog niet altijd om haar positie als moeder tegenover [minderjarige] in te nemen. De kinderrechter is van oordeel dat er nog steeds sprake is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] en dat het noodzakelijk blijft dat er in het gezin hulpverlening wordt ingezet, om zowel [minderjarige] als de moeder te ondersteunen.
De kinderrechter is van oordeel dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] (nog) niet voldoende kan worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. [minderjarige] verblijft sinds kort weer bij de moeder en deze thuisplaatsing is mede mogelijk door de inzet van hulpverlening. De moeder accepteert deze hulpverlening en werkt mee. Deze nieuwe situatie moet zich echter wel nog verder bestendigen, omdat [minderjarige] een lange tijd niet thuis gewoond heeft en de moeder tot voor kort geen hulp accepteerde. Bovendien kan [minderjarige] zich nog steeds lastig en zelfbepalend gedragen. Er komt op dit moment dus veel op moeder af. De kinderrechter acht het noodzakelijk dat de GI het komende jaar betrokken blijft om ervoor te zorgen dat de juiste hulpverlening de benodigde ondersteuning kan blijven bieden, zodat de positieve ontwikkelingen kunnen worden voorgezet. De kinderrechter is van oordeel dat niet volstaan kan worden met een kortere duur van de ondertoezichtstelling dan een jaar, omdat [minderjarige] pas sinds kort weer bij de moeder woont en het tijd nodig heeft om de moeder te helpen haar moederrol te versterken en [minderjarige] te begrenzen.
De kinderrechter zal deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
De machtiging tot uithuisplaatsing
Ter zitting heeft de GI verzocht om het verzoek tot verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen. Omdat [minderjarige] inmiddels sinds 15 juni 2026 weer thuis bij de moeder woont en dit, met inzet van de hulpverlening, goed gaat zal de kinderrechter het verzoek tot verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing afwijzen.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar, te weten tot 11 september 2027;
verklaart deze beschikking voor zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het verzoek tot verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2026 door
mr. M. Vodegel, kinderrechter, in aanwezigheid van J.G.J. Remeijsen als griffier, en op schrift gesteld op 24 september 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.