RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 11982732 \ CV EXPL 25-2082
Vonnis van 22 september 2026
in de zaak van
MR. GRADA KIM FRATERMAN,
in hoedanigheid van curator van [bedrijf] B.V.,
te Hengelo,
eisende partij,
hierna te noemen: Fraterman q.q.,
gemachtigde: mr. G.K. Fraterman,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
De zaak in het kort
[bedrijf] heeft werkzaamheden voor [gedaagde] uitgevoerd. [bedrijf] is failliet gegaan en Fraterman q.q. is als curator aangesteld. Fraterman q.q. vordert betaling van een bedrag van € 5.123,00 inclusief btw – ofwel € 4.700,00 exclusief btw – voor de werkzaamheden, vermeerderd met kosten en rente. [gedaagde] voert verweer. Hij voert aan dat hij met [bedrijf] een prijs van € 4.700,00 inclusief btw is overeengekomen en dat hij al contant heeft betaald. De kantonrechter oordeelt dat het verweer van [gedaagde] gegrond is. De vorderingen van Fraterman q.q. worden afgewezen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 30 maart 2026,
- het proces-verbaal van het op 12 juni 2026 gehouden getuigenverhoor,- de conclusie na gehouden enquête van Fraterman q.q.,- de akte na enquête van [gedaagde].
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De (verdere) beoordeling
De vordering en het verweer
Partijen zijn het erover eens dat [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf]) werkzaamheden voor [gedaagde] heeft verricht, bestaande uit stucwerk in de woning van [gedaagde]. De werkzaamheden zijn in januari 2025 afgerond. [bedrijf] is op 12 maart 2025 failliet verklaard en Fraterman q.q. is als curator aangesteld.
Fraterman q.q. stelt dat [bedrijf] en [gedaagde] een prijs van € 5.123,00 inclusief btw – ofwel € 4.700,00 exclusief btw – voor de werkzaamheden hebben afgesproken. Zij vordert betaling van de hoofdsom, buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente. [gedaagde] voert verweer. Hij voert aan dat € 4.700,00 inclusief btw is afgesproken en dat hij al contant heeft betaald.
Prijs inclusief of exclusief btw?
Op de factuur van 17 juni 2025 die Fraterman q.q. heeft overgelegd, staat een bedrag van € 5.123,00 inclusief btw vermeld, maar deze is pas ná het uitvoeren van de werkzaamheden en ná het faillissement van [bedrijf] opgesteld. Nergens is uit gebleken dat [bedrijf] en [gedaagde] dit bedrag zijn overeengekomen. Aangezien beide partijen een bedrag van € 4.700,00 hebben genoemd, moet worden aangenomen dat dit bedrag is overeengekomen. Nergens is uit gebleken dat [bedrijf] vóór of bij het sluiten van de overeenkomst heeft vermeld dat dit bedrag exclusief btw is. Bovendien is [bedrijf] als ondernemer verplicht om prijzen aan consumenten inclusief btw te vermelden. [gedaagde] mocht er daarom van uitgaan dat dit bedrag inclusief btw is.
Bedrag al betaald?
[gedaagde] voert aan dat hij het bedrag van € 4.700,00 contant heeft betaald aan de heer [naam 1], de voormalig bestuurder van [bedrijf]. Volgens hem is [naam 1] op 17 januari 2025 bij zijn woning gekomen en heeft hij het geld aan [naam 1] overhandigd in de keuken. De kantonrechter heeft [gedaagde] bij mondeling tussenvonnis opgedragen te bewijzen dat hij heeft betaald voor de door [bedrijf] verrichte werkzaamheden.
[gedaagde] heeft zichzelf, mevrouw [getuige 1] (zijn vriendin) en de heer [getuige 2] (een vriend) als getuigen laten horen. Fraterman q.q. heeft geen getuigen in contra-enquête laten horen.
Alle drie de getuigen hebben uit eigen waarneming verklaard dat [gedaagde] geld aan [naam 1] heeft overhandigd. Hoewel [gedaagde] en de andere getuigen – vanwege hun relatie tot [gedaagde] – niet (geheel) onafhankelijk zijn, acht de kantonrechter de getuigenverklaringen betrouwbaar. De verklaringen zijn namelijk voldoende gedetailleerd en op de essentiële onderdelen consistent. De getuigen hebben allen verklaard dat [naam 1] bij [gedaagde] in de keuken aanwezig was, dat [getuige 1] op dat moment aan de keukentafel zat en dat [gedaagde] het geld bij het aanrecht heeft geteld en aan [naam 1] heeft overhandigd. [getuige 2] heeft daarbij verklaard dat hij in de woning aanwezig was, omdat hij [gedaagde] hielp met de verbouwing van de woning. [gedaagde] en [getuige 1] hebben beiden ook verklaard dat [gedaagde] het geld de dag ervoor had gepind in briefjes van € 50,00, dat [gedaagde] het geld in een bakje heeft bewaard totdat [naam 1] kwam, dat [naam 1] het geld in zijn zak heeft gestopt en dat [naam 1] heeft verteld dat hij privéproblemen, dan wel “gedoe in de relatiesfeer” had. Dat uit de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] is gebleken dat zij [naam 1] zelf niet kenden, maakt niet dat daarmee niet is bewezen dat het [naam 1] betrof. Zij hebben namelijk verklaard dat [gedaagde] hen destijds heeft gezegd dat [naam 1], dan wel de stukadoor geld kwam ophalen. Daarnaast hebben zij zijn uiterlijk beiden op soortgelijke manier omschreven (“wat langer en wat steviger dan [gedaagde]” en “haar tussen blond en bruin in” volgens [getuige 1] en “bruinig haar” en “redelijk groot” volgens [getuige 2]). Fraterman q.q. heeft niet aangevoerd dat deze omschrijvingen niet overeenkomen met het uiterlijk van [naam 1].
Daarnaast worden de verklaringen ondersteund door ander bewijs. [gedaagde] heeft namelijk met bankafschriften onderbouwd dat hij de dag ervoor (op 16 januari 2025) in totaal € 5.000,00 aan contant geld heeft opgenomen. Daarnaast heeft hij een WhatsApp-bericht van de dag zelf (17 januari 2025) overgelegd waarin hij aan [naam 1] vraagt: “Goedemorgen, Hoe laat ben je hier ongeveer ? Groetjes [gedaagde] [adres]”.
Fraterman q.q. wijst op de door haar overgelegde schriftelijke verklaringen van [naam 1], waarin hij heeft ontkend geld van [gedaagde] te hebben ontvangen en op 17 januari 2025 bij [gedaagde] thuis te zijn geweest. [naam 1] heeft echter een eigen belang bij zijn verklaringen en is niet onder ede (of belofte) als getuige gehoord. Zijn schriftelijke verklaringen wegen daarom niet op tegen de drie consistente getuigenverklaringen aan de kant van [gedaagde] die worden ondersteund met objectief bewijs. Het enkele feit dat er geen kwitantie van de betaling is, zoals Fraterman q.q. heeft aangevoerd, maakt dat niet anders.
Naar het oordeel van de kantonrechter is [gedaagde] dan ook geslaagd in het leveren van bewijs dat hij € 4.700,00 contant heeft betaald voor de door [bedrijf] verrichte werkzaamheden. De vorderingen van Fraterman q.q. zullen daarom worden afgewezen.
Proceskosten
Fraterman q.q. is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- reis-, verblijf- en verletkosten
€
50,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
totaal
€
194,00
3. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van Fraterman q.q. af,
veroordeelt Fraterman q.q. in de proceskosten van € 194,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Fraterman q.q. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.