RECHTBANK OOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: 11740015 \ CV EXPL 25-3133
Vonnis van 1 oktober 2026
in de zaak van
1. [eiser 1a] en [eiser 1b] (78), 2. [eiser 2a] en [eiser 2b] (83),
3. [eiser 3] (100), 4. [eiser 4] (105), 5. [eiser 5] (115), 6. [eiser 6] (120), 7. [eiser 7a] en [eiser 7b] (241),8. [eiser 8] (4), 9. [eiser 9a] en [eiser 9b] (205),
10. [eiser 10a] en [eiser 10b] (217),11. [eiser 11a] en [eiser 11b] (21)12. [eiser 12a] en [eiser 12b] (19),
13. [eiser 13a] en [eiser 13b] (188),
14. [eiser 14a] en [eiser 14b] (63), 15. [eiser 15] (65), 16. [eiser 16] (153), 17. [eiser 17a] en [eiser 17b](134),18. [eiser 18a] en [eiser 18b] (160)
19. [eiser 19a] en [eiser 19b] (103),20. [eiser 20a] en [eiser 20b] (319),
21. [eiser 21] (45),
22. [eiser 22a] en [eiser 22b] (46),
23. [eiser 23] (135),
24. [eiser 24a] en [eiser 24b] (1001),
25. [eiser 25a] en [eiser 25b] (163),
26. [eiser 26a] en [eiser 26b] (155),
27. [eiser 27a] en [eiser 27b] (175),
28. [eiser 28a] en [eiser 28b] (137),
29. [eiser 29] (213),
30. [eiser 30a] en [eiser 30b] (214),
31. [eiser 31a] en [eiser 31b] (90),
32. [eiser 32a] en [eiser 32b] (17),
33. [eiser 33a] en [eiser 33b] (288),
34. [eiser 34a] en [eiser 34b] (136),
35. [eiser 35a] en [eiser 35b] (206),
36. [eiser 36] (254),
37. [eiser 37a] en [eiser 37b] (266),
38. [eiser 38a] en [eiser 38b] (1072),
39. [eiser 39] (294),
40. [eiser 40a] en [eiser 40b] (477),
41. [eiser 41] (12),
42. [eiser 42a] en [eiser 42b] (245),
43. [eiser 43] (228),
44. [eiser 44a] en [eiser 44b] (223),
45. [eiser 45a] en [eiser 45b] (20),
46. [eiser 46] (68),
47. [eiser 47a] en [eiser 47b] (82),
48. [eiser 48a] en [eiser 48b] (484),
49. [eiser 49] (296),
50. [eiser 50a] en [eiser 50b] (291),
51. [eiser 51] (23),
52. [eiser 52a] en [eiser 52b] (95),
53. [eiser 53] (249),
54. [eiser 54] (204),
55. [eiser 55a] en [eiser 55b] (42),
56. [eiser 56] (26),
57. [eiser 57] in diens hoedanigheid van erfgenaam van [erflater] (243),
58. [eiser 58] (244),
59. [eiser 59] (282),
60. [eiser 60] (89),
61. [eiser 61] (49),
62. [eiser 62] (181),
63. [eiser 63a] en [eiser 63b] (272),
64. [eiser 64a] en [eiser 64b] (47),
65. [eiser 65a] en [eiser 65b] (86),
66. [eiser 66a] en [eiser 66b] (141),
67. [eiser 67a] en [eiser 67b] (247),
68. [eiser 68] (165),
69. [eiser 69a] en [eiser 69b] (40),
70. [eiser 70a] en [eiser 70b] (200),
71. [eiser 71a] en [eiser 71b] (166),
72. [eiser 72a] en [eiser 72b] (37),
73. [eiser 73a] en [eiser 73b] (131),
74. [eiser 74a] en [eiser 74b] (133),
75. [eiser 75] (36),
76. [eiser 76] (16),
77. [eiser 77a] en [eiser 77b] (44),
78. [eiser 78a] en [eiser 78b] (201),
79. [eiser 79] (148),
80. [eiser 80a] en [eiser 80b] (98),
81. [eiser 81] (48),
82. [eiser 82] (127),
83. [eiser 83a] en [eiser 83b] (10),
84. [eiser 84a] en [eiser 84b] (269),
85. [eiser 85a] en [eiser 85b] (149),
86. [eiser 86] (156),
87. [eiser 87] (164),
88. [eiser 88] (190),
89. [eiser 89a] en [eiser 89b] (1184),
90. [eiser 90a] en [eiser 90b] (62),
91. [eiser 91a] en [eiser 91b] (215),
92. [eiser 92a] en [eiser 92b] (218),
93. [eiser 93a] en [eiser 93b] (297),
94. [eiser 94] (11),
95. [eiser 95a] en [eiser 95b] (14).
te [plaats] ,
eisende partijen,
gemachtigde: mr. J.M. van der Pol,
tegen
de besloten vennootschap DE ZWARTE BERGEN INVEST B.V.,
te Erp,
gedaagde partij,
gemachtigden: mr. M.J.W. van Ingen en mr. I.F.M. Lakwijk.
Eisende partijen worden hierna gezamenlijk eisers genoemd. Iedere afzonderlijke eiser wordt zo nodig aangeduid met het nummer dat in de aanhef van dit vonnis voor zijn/haar naam staat, al dan niet met de toevoeging van de achterna(a)m(en). Gedaagde partij wordt hierna ZBI genoemd.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 juni 2025 met producties 1 tot en met 12;- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 14;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de brief van de gemachtigde van eisers van 29 juni 2026 met producties 13 en 14;
- de mondelinge behandeling van 8 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de spreekaantekeningen van de gemachtigden van ZBI.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
De Zwarte Bergen Exploitatie B.V. (hierna: ZBE) is een zustervennootschap van De Zwarte Bergen Vastgoed B.V. (hierna: ZBV). ZBE en ZBV zijn dochterondernemingen van Vakantiecentrum De Zwarte Bergen B.V. (hierna: DZB). ZBE heeft in Luyksgestel een recreatiepark met onder meer vaste standplaatsen geëxploiteerd onder de naam Vakantiecentrum De Zwarte Bergen (hierna: het recreatieterrein).
Eisers hebben gedurende meerdere jaren een vaste standplaats op het recreatieterrein van ZBE gehuurd en daarvoor huurovereenkomsten met ZBE gesloten.
In de door ZBE in haar op de huurovereenkomsten met eisers toepasselijk verklaarde algemene voorwaarden voor vaste plaatsen (hierna: de algemene voorwaarden) is, voor zover van belang, het volgende bepaald:
“Artikel 10: Beëindiging overeenkomst
(…)
3. De ondernemer kan de overeenkomst schriftelijk opzeggen:
(…)
d. Indien de bedrijfsvoering ophoudt te bestaan. Bij verkoop van het bedrijf is niet automatisch sprake van het stoppen van de bedrijfsvoering;
(…)
g. Indien de ondernemer een herstructureringsplan voor het terrein tot uitvoering gaat brengen waarvoor vaste standplaatsen moeten worden opgeheven.
4. Opzegging door de ondernemer geschiedt schriftelijk met inachtneming van een termijn van drie maanden voor afloop van het lopende contractjaar. Voor opzegging wegens herstructurering zoals vermeld onder sub g van het vorige artikellid, geldt een opzegtermijn van minimaal achttien maanden.
(…)
6. a. In geval van herstructurering waarbij een vaste plaats wordt opgezegd is de ondernemer verplicht om de recreant zo mogelijk een plaats op het terrein aan te bieden.
b. Indien een plaats niet voorhanden is, heeft de recreant recht op een tegemoetkoming van € 1.350,00 in de kosten die verband houden met de verplaatsing of verwijdering van zijn kampeermiddel, mits de recreant gedurende de opzegtermijn de plaats oplevert zoals gesteld in artikel 13 lid 1. (…) De ondernemer heeft het recht de tegemoetkoming ad € 1.350,00 te verrekenen met en of te compenseren met eventuele vorderingen op de recreant. (…)
c. Het onder b genoemde bedrag zal geïndexeerd worden met het indexcijfer, voor de eerste maal op 1 januari 2009.
(…)
Artikel 13: Ontruiming
1. Als de overeenkomst is geëindigd moet de recreant, uiterlijk op de laatste dag van de overeengekomen periode of uiterlijk op de dag waartegen is opgezegd, de plaats leeg en volledig opgeruimd opleveren.
(…)
Artikel 17: Geschillenbeslechting
(…)
2. Onverminderd het bepaald in artikel 12 lid 4 dient de recreant zijn klacht binnen vier weken na het ontstaan schriftelijk aan de ondernemer voor te leggen. Daarna moet de recreant het geschil, uiterlijk twee maanden nadat hij zijn klacht aan de ondernemer heeft voorgelegd, schriftelijk bij de bevoegde rechtbank aanhangig maken (…).”
Op 1 november 2018 heeft Werkconsult Beheer B.V. (hierna: Werkconsult) voor zichzelf of voor een nader te noemen meester het recreatieterrein dat ZBE exploiteerde gekocht. In de considerans van de koopovereenkomst staat, voor zover van belang:
“(…)
3. Koper wenst voor de duur van maximaal vijf jaren het campingbedrijf voor te zetten en alsdan het verkochte geleverd te krijgen.
4. De exploitatie van het Verkochte is reeds economisch per 1 november 2018 voor rekening van Koper.”
Op 14 december 2018 is ZBI opgericht en belast met de exploitatie c.q. afwikkeling van het recreatieterrein. Middellijk bestuurders van ZBI zijn [A] en [B] (hierna: [A] en [B] ). ZBI is aangewezen als de nader te noemen meester als bedoeld in de koopovereenkomst.
In een brief van 20 december 2018 dan wel 22 januari 2019 aan eisers is de huurovereenkomst met betrekking tot hun staanplaats op het recreatieterrein opgezegd tegen 1 april 2021 en is aan eisers verzocht de staanplaats uiterlijk op 1 juli 2021 ‘schoon’ op te leveren. De brief is ondertekend door [A] en [B] , namens ZBE.
In een anterieure overeenkomst tussen ZBI als initiatiefnemer en onder meer de gemeente Bergeijk van 22 oktober 2019, is in de considerans, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“(…)
d. Initiatiefnemer heeft geconcludeerd dat, gelet op de huidige financiële positie van het park en de ontwikkelingen in de sector, voortzetting van het park in de huidige vorm, niet mogelijk is, waardoor initiatiefnemer besloten heeft per juli 2021 de exploitatie in deze vorm te beëindigen.”
ZBI heeft in 2020 als verhuurder met eisers 5, 6, 14, 15, 16, 17, 19, 22, 23, 24, 25, 27, 31, 32, 40, 45, 51, 53, 55, 56, 57, 58, 59, 61, 62, 69, 73, 74, 75, 80, 82, 84, 85, 87, 88, 90 en 95 als huurder een staanplaats op het recreatieterrein verhuurd voor de periode 1 april 2020 tot 1 april 2021. In de schriftelijke huurovereenkomst is, voor zover van belang, opgenomen:
“(…)
Nemen het volgende in aanmerking:
A. huurder sinds enige tijd een staanplaats op terrein (…) bij verhuurder huurt, (…) (…)
C. verhuurder aan huurder heeft bericht dat de bedrijfsactiviteiten (…) worden gestaakt;
(…)
E. verhuurder en huurder in de onderhavige huurovereenkomst afspraken wensen vast te leggen omtrent de rechten en verplichtingen over de laatste huurperiode.
Overwegen dat:
1. verhuurder voor een allerlaatste keer aan huurder de staanplaats verhuurt zoals omschreven in de laatstelijk gesloten huurovereenkomst tussen verhuurder en huurder;
(…)
3. (…) waarbij huurder er uitdrukkelijk mee akkoord gaat dat de bepalingen omtrent de opzegging van de huurovereenkomst, de al dan niet stilzwijgende verlenging van de huurovereenkomst, het verkrijgen van een compensatie of schadevergoeding in verband met de huurbeëindiging en het aanbieden van een nieuwe staanplaats zoals bedoeld in de laatstelijk tussen verhuurder en huurder gesloten huurovereenkomst of zoals bedoeld in de daarbij behorende algemenen voorwaarden, van de hand worden gewezen.
(…).”
In een brief van DZB van 9 januari 2019 wordt aan huurders (eisers) meegedeeld dat per 1 november 2018 alle rechten en plichten van ZBE zijn overgenomen door [A] en [B] en hun B.V.
In een procedure tussen twee (voormalige) huurders als eisers en ZBE en ZBI als gedaagden, heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het Hof) in zijn arrest van 24 september 2024 (zaaknummer 200.313.948/01) geoordeeld dat het in artikel 17 lid 2 van de algemene voorwaarden opgenomen vervalbeding onredelijk bezwarend is en heeft het ZBE en ZBI (hoofdelijk) veroordeeld tot betaling van (onder meer) de op grond van de algemene voorwaarden gevorderde tegemoetkoming.
3. Het geschil
Eisers, uitgezonderd eiser 49 ( [eiser 49] ), die zijn vordering tijdens de mondelinge behandeling heeft ingetrokken, vorderen - samengevat - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, ZBI te veroordelen tot betaling aan ieder van hen van een bedrag van € 2.332,22 (€ 1.973,95 in hoofdsom en € 358,27 aan buitengerechtelijke incassokosten), vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.973,95 vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van betaling en de kosten van de procedure.
Eisers leggen aan hun vordering - samengevat - het volgende ten grondslag. Eisers huurden een standplaats op het recreatieterrein van ZBE. ZBI is haar rechtsopvolger en heeft de exploitatie van het recreatieterrein van ZBE overgenomen. De huurovereenkomsten zijn opgezegd wegens herstructurering. Aan eisers zijn geen andere kavels aangeboden, zodat zij op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden aanspraak hebben op een tegemoetkoming. Door indexatie bedraagt de tegemoetkoming nu € 1.973,95 per gehuurd kavel.
ZBI voert verweer. ZBI concludeert tot niet-ontvankelijkheid van eisers dan wel tot afwijzing van hun vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van eisers in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
ZBI voert - samengevat - het volgende aan:
( i) ZBI is geen partij bij de huurovereenkomsten waarop eisers zich beroepen,
(ii) meerdere eisers hebben nooit een overeenkomst tot (ver)huur van een standplaats met ZBE gesloten,
(iii) meerdere eisers hebben expliciet afstand gedaan van de aanspraken die zij menen te hebben,
(iv) veel eisers hebben de standplaatsen niet (correct) opgeleverd,
( v) de rechtsvorderingen van eisers zijn verjaard, verwerkt dan wel vervallen,
(vi) ZBI heeft verrekenbare tegenvorderingen op meerdere eisers.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Eisers zijn een huurovereenkomst aangegaan met ZBE
De kantonrechter zal eerst ingaan op het verweer van ZBI dat eisers niet allen partij zijn bij de huurovereenkomsten. ZBI voert daartoe aan dat eisers zich beroepen op huurovereenkomsten met ZBE, maar door hen slechts één huurovereenkomst met de daarop toepasselijke algemene voorwaarden (van eiser 27) in het geding is gebracht. Uit de administratie van ZBI blijkt dat in ieder geval vijf eisers geen enkele huurovereenkomst hebben gesloten met ZBE of ZBI. ZBI betwist dat elke eiser een huurovereenkomst heeft gesloten met ZBE en dat daarop de algemene voorwaarden waar zij zich op beroepen van toepassing zijn.
De kantonrechter overweegt het volgende. Eisers hebben er, kennelijk uit praktische overwegingen, voor gekozen om slechts één schriftelijke huurovereenkomst met de toepasselijke algemene voorwaarden in het geding te brengen, omdat de huurovereenkomsten van de andere eisers met ZBE volgens hen identiek zijn. Hoewel aan ZBI kan worden toegegeven dat het voor de hand had gelegen dat eisers, in ieder geval nadat zij kennis hadden genomen van het verweer van ZBI, ter onderbouwing van hun stelling alle huurovereenkomsten in het geding hadden gebracht, treft het verweer van ZBI geen doel, omdat het innerlijk tegenstrijdig is met haar eigen stellingen en voor de vorm lijkt te worden gevoerd. ZBI stelt immers ook (randnummer 35 conclusie van antwoord) dat zij na opzegging van alle oude huurovereenkomsten namens ZBE op 20 december 2018 alle eisers een aanbod heeft gedaan om een nieuwe huurovereenkomst voor bepaalde tijd aan te gaan, welk aanbod inhield dat zij gelijktijdig afstand deden van ‘bepaalde’ aanspraken voortvloeiend uit onder meer de algemene voorwaarden van ZBE, waaronder begrepen het verkrijgen van een compensatie of schadevergoeding in verband met de beëindiging van de huur. Ook stelt ZBI (randnummers 29 en 30 conclusie van antwoord) dat de aanspraken die eisers menen te hebben op ZBI voortvloeien uit afspraken die zij gemaakt hebben met ZBE, zodat zij die vennootschap in rechte hadden moeten betrekken. Uit die eigen stellingen van ZBI, die niet rijmen met haar verweer, moet worden afgeleid dat alle eisers een huurovereenkomst hebben gehad met ZBE. De kantonrechter neemt dat dan ook als vaststaand aan, hetgeen in 2.2 tot uitdrukking is gebracht.
ZBI heeft niet gesteld en het is evenmin gebleken, dat ZBE verschillende algemene voorwaarden of andere algemene voorwaarden gebruikte dan de algemene voorwaarden die door eisers als productie 2 in het geding zijn gebracht, zodat als vaststaand wordt aangenomen dat de onder 2.3., voor zover van belang geciteerde algemene voorwaarden, van toepassing waren op de huurovereenkomsten tussen ZBE en alle eisers.
ZBI is partij bij de huurovereenkomsten
ZBI heeft verder aangevoerd dat eisers haar ten onrechte in rechte hebben betrokken, omdat zij geen partij is bij de huurovereenkomsten. Die zijn immers, gelet op de stelling van eisers, met ZBE aangegaan, zodat de rechten en verplichtingen die uit die overeenkomsten voortvloeien enkel ZBE binden, aldus ZBI. Uit de opzeggingen van de huurovereenkomsten blijkt ondubbelzinnig dat die door [A] en [B] op basis van een volmacht werden gedaan namens ZBE en dus niet namens henzelf of ZBI. Ook dit verweer van ZBI slaagt niet. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft ZBI de exploitatie van het recreatiepark van ZBE voortgezet. Zij is daarom gebonden aan de huurovereenkomsten die eisers (aanvankelijk) met ZBE sloten. Daarvoor is het volgende redengevend.
Het terrein waarop door ZBE het recreatieterrein werd geëxploiteerd en in welk kader zij huurovereenkomsten met eisers sloot, behoorde deels in eigendom en deels in erfpacht toe aan DZB en ZBV. Op 1 november 2018 is het terrein verkocht aan Werkconsult, vertegenwoordigd door [A] en [B] . Werkconsult heeft gekocht voor zichzelf of voor een nader te noemen meester. Vaststaat dat ZBI de nader te noemen meester is. In de considerans van de koopovereenkomst staat dat de koper het campingbedrijf voor de duur van maximaal vijf jaren wenst voort te zetten en ook dat de exploitatie van het recreatieterrein per 1 november 2018 economisch voor rekening van koper is. In 2020 is ZBI met meerdere eisers (5, 6, 14, 15, 16, 17, 19, 22, 23, 24, 25, 27, 31, 32, 40, 45, 51, 53, 55, 56, 57, 58, 59, 61, 62, 69, 73, 74, 75, 80, 82, 84, 85, 87, 88, 90 en 95) nieuwe huurovereenkomsten aangegaan. In de considerans van die huurovereenkomsten (die op hetzelfde briefpapier zijn geprint als de huurovereenkomsten met ZBE) staat onder A dat de huurder sinds enige tijd van de verhuurder (dat is ZBI) huurt en onder B dat de huurder voor de laatste maal met de verhuurder een huurovereenkomst wenst te sluiten. In artikel 1 van de huurovereenkomsten staat dat verhuurder voor een allerlaatste keer aan huurder een staanplaats verhuurt. In artikel 3 van de huurovereenkomst doen de huurders bovendien afstand van hun recht op compensatie of schadevergoeding zoals bedoeld in de laatstelijk tussen verhuurder en de huurder gesloten huurovereenkomst en de daarbij behorende algemene voorwaarden. De kantonrechter leidt uit de koopovereenkomst en de (nieuwe) huurovereenkomsten af dat ZBI, nadat het recreatieterrein voor haar werd gekocht, de exploitatie van het recreatieterrein van ZBE heeft overgenomen en daarmee ook gebonden werd aan de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de huurovereenkomsten en daarop toepasselijke algemene voorwaarden, die eisers met ZBE hadden gesloten. Bevestiging daarvan kan ook gelezen worden in de brief van DZB van 9 januari 2019 waarin aan eisers (huurders) wordt meegedeeld dat per 1 november 2018 alle rechten en plichten van ZBE zijn overgenomen door [A] en [B] en hun B.V. Dat de huurovereenkomsten bij brief van 20 december 2018 dan wel 22 januari 2019 door [A] en [B] namens ZBE zijn opgezegd leidt naar het oordeel van de kantonrechter niet tot een andere conclusie. Het voorgaande betekent dat ZBI tegenover eisers (in beginsel) gehouden is tot nakoming van de afspraken die ZBE met eisers heeft gemaakt en eisers tegenover ZBI zijn gehouden tot nakoming van de afspraken met ZBE.
Is er sprake van verjaring of verval of verwerking van vorderingen?
ZBI doet een beroep op verjaring. Zij stelt dat, voor zover er een overeenkomst is en voor ZBI een verplichting tot vergoeding voortvloeit uit de algemene voorwaarden, de vorderingen van eisers zijn verjaard. ZBI gaat terecht uit van de verjaringstermijn van artikel 3:307 BW. Eisers vorderen immers nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot het geven. Zij maken aanspraak op de (in de algemene voorwaarden) overeengekomen tegemoetkoming. Zo’n vordering verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag waarop de vordering opeisbaar is geworden. Volgens ZBI is de vordering van eisers op grond van artikel 10 lid 6 van de algemene voorwaarden opeisbaar bij opzegging van de overeenkomst en het niet voorhanden zijn van een vervangende standplaats op het recreatiesterrein. Die voorwaarden zijn vervuld bij de opzegging van de huurovereenkomsten op 20 december 2018, zodat de verjaring is aangevangen op 21 december 2018 en voltooid op 21 december 2023. Stuiting heeft pas plaatsgevonden in het jaar van 2024, zodat de vorderingen van eisers zijn verjaard, aldus ZBI. De kantonrechter volgt ZBI daarin niet. In artikel 10 lid 6 onder b is de door de ‘ondernemer’ (ZBI, ktr) verschuldigde tegemoetkoming in het geval van opzegging en bij gebreke van een vervangende plaats verschuldigd ‘mits’ (op voorwaarde dat, ktr) de ‘recreant’ (de huurder, ktr) de plaats gedurende de opzegtermijn oplevert zoals bepaald in artikel 13 lid 1 van de algemene voorwaarden. De opeisbaarheid van de tegemoetkoming is dus gekoppeld aan een derde voorwaarde, namelijk ontruiming van de standplaats. ZBI maakt die koppeling overigens zelf ook, zoals blijkt uit het hierna in 4.5 te bespreken verweer van ZBI. Het verjaringsverweer van ZBI treft dus geen doel.
ZBI voert subsidiair aan, voor het geval ervan uit moet worden gegaan dat de ontruiming de verjaringstermijn deed aanvangen, verschillende eisers al hadden ontruimd vijf jaar voor de eerste stuiting van de verjaring (in het najaar van 2024) en dat niet alle eisers toen hebben gestuit, zodat voor hen het sommatie-exploot van 21 februari 2025 als eerste stuitingshandeling geldt en blijkt dat de datum waarop door eisers zou zijn gestuit niet overeenkomst met de datum van de daadwerkelijke stuiting. Voor deze desbetreffende eisers is de verjaring aantoonbaar voltooid, aldus ZBI, waarbij zij verwijst naar de kolommen N, O en R van het door haar als productie 9 overgelegde overzicht. Het gaat daarbij om eisers 16, 18, 20, 26, 27, 29, 38, 47, 64, 70, 77, 86, 90, en 94. Hoewel ZBI dit niet heeft uitgewerkt in de conclusie van antwoord zelf, is in de kolommen van het schema per door ZBI genoemde eiser vermeld op welke datum is ontruimd, welke termijn sindsdien is verstreken, wanneer is gestuit en dat de vordering is verjaard. Eisers hebben dat niet (gemotiveerd) weersproken, zodat moet worden vastgesteld dat de vorderingen van deze eisers, waarvan de verjaringstermijn aanving bij de ontruiming, zijn verjaard.
ZBI stelt ook dat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid is dat eisers pas zes jaar na de opzegging in actie zijn gekomen en vorderingen tegen ZBI hebben ingesteld. Zij meent dat eisers hun rechten daarom hebben verwerkt. Van rechtsverwerking is sprake als de redelijkheid en billijkheid de schuldeiser of schuldenaar geheel of gedeeltelijk in de uitoefening van zijn rechten of bevoegdheden beperken, omdat hij zich heeft gedragen (door een handelen of nalaten) op een wijze die onverenigbaar is met die rechtsuitoefening. Enkel tijdsverloop is onvoldoende voor het aannemen van rechtsverwerking. Rechtsverwerking vereist bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij de wederpartij gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de rechthebbende zijn recht of bevoegdheid niet (meer) zal uitoefenen, of waardoor de positie van de wederpartij onredelijk zou worden benadeeld. Waarom ZBI er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat eisers hun rechten niet zouden uitoefenen, maakt zij echter niet duidelijk. Dat een aantal eisers de opzegging destijds betwistten, omdat die gebaseerd is op ‘vage herstructureringsplannen’, is daarvoor niet redengevend. Integendeel; dat had voor ZBI juist een signaal moeten zijn dat die eisers het er niet zomaar bij zouden laten zitten. ZBI stelt bovendien dat eisers klaarblijkelijk hebben afgewacht tot één van hen de vordering met succes geldend zou maken. ZBI was partij bij die procedure en had dus kunnen en moeten voorzien dat bij succes van de eisende partijen in die procedure eisers hun rechten ook geldend zouden maken. ZBI had er dus rekening mee kunnen houden dat zij massaal zou worden aangesproken en zoals zij zelf stelt, minutieus kunnen bijhouden welke eisers niet correct hebben voldaan aan de ontruimingsverplichting. Dat het verstrijken van een periode (mogelijk) nadelig is voor ZBI, heeft zij dan ook aan zichzelf te danken en kan zij onder deze omstandigheden niet afwentelen op eisers.
Voor zover ZBI zich ook in deze procedure beroept op het vervalbeding van artikel 17 lid 2 van de algemene voorwaarden, verwijst de kantonrechter naar de hierboven in 2.9. vermelde beslissing van het Hof. Dit vervalbeding is onredelijk bezwarend, zodat een beroep daarop faalt.
Afstand van recht op compensatie of schadevergoeding
ZBI stelt dat zij met 37 eisers (5, 6, 14, 15, 16, 17, 19, 22, 23, 24, 25, 27, 31, 32, 40, 45, 51, 53, 55, 56, 57, 58, 59, 61, 62, 69, 73, 74, 75, 80, 82, 84, 85, 87, 88, 90 en 95) in 2020 (nieuwe) laatste huurovereenkomsten voor bepaalde tijd is aangegaan, waarin de desbetreffende eisers expliciet afstand hebben gedaan van hun recht op compensatie of schadevergoeding wegens beëindiging van de huurovereenkomst, zoals bedoeld in de algemene voorwaarden. Deze eisers hebben daarom geen aanspraak op de tegemoetkoming, aldus ZBI. Eisers hebben daartegen tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat zij bij het tekenen van de nieuwe huurovereenkomsten - waarbij afstand is gedaan van het recht op de tegemoetkoming - door ZBI onder druk zijn gezet om zo weer toegang te krijgen tot nutsvoorzieningen. De kantonrechter begrijpt dat zij zich beroepen op een wilsgebrek. ZBI heeft dat op haar beurt voldoende gemotiveerd bestreden en het had dan ook op de weg van eisers gelegen om, ieder voor zich, de stelling dat zijn onder invloed van een wilsgebrek afstand hebben gedaan van de tegemoetkoming, nader te onderbouwen. Bij gebreke daarvan voldoen zij niet aan hun stelplicht en is voor bewijslevering geen ruimte. De kantonrechter neemt daarom als vaststaand aan dat de hiervoor vermelde eisers afstand hebben gedaan van hun recht op een tegemoetkoming, zodat hun vorderingen zullen worden afgewezen. Nu ook eiser 74 bij het sluiten van de nieuwe huurovereenkomst afstand heeft gedaan van zijn rechten, kan het verweer van ZBI dat zij met eiser 74 tegen finale kwijting een minnelijke regeling heeft getroffen onbesproken blijven.
Geen oplevering
ZBI stelt dat eisers 42, 90 en 94 hun standplaats niet (volledig) hebben ontruimd en daarom geen opeisbare vordering op ZBI hebben. Zij verwijst daarbij naar het als productie 11 in het geding gebrachte beeldmateriaal. De kantonrechter gaat aan dit verweer voorbij. Eisers hebben onweersproken gesteld dat ZBI nooit aan de desbetreffende eisers kenbaar heeft gemaakt dat zij niet aan hun ontruimingsverplichting hebben voldaan. Dat had wel op haar weg gelegen, temeer omdat de opeisbaarheid van hun aanspraak op een tegemoetkoming bij beëindiging wegens herstructurering daarvan afhankelijk is. Uit de door ZBI als productie 11 overgelegde foto’s blijkt niet dat dit standplaatsen van de desbetreffende eisers betreft. Dat blijkt evenmin uit de bij wijze van reconstructie in het geding gebrachte satellietfoto’s. Hetzelfde geldt voor de stelling dat eisers 2, 4, 14, 25, 44, 56 en 83 hun kampeermiddel hebben overgedragen en de standplaats dus eveneens niet volledig ontruimd hebben opgeleverd. Bij gebreke van een (nadere) onderbouwing, heeft ZBI niet aan haar stelplicht voldaan en is geen ruimte voor bewijslevering.
Tussenconclusies
Het voorgaande leidt tot de volgende tussenconclusies:
- De vorderingen van eisers 16, 18, 20, 26, 27, 29, 38, 47, 64, 70, 77, 86, 90, en 94 zijn verjaard, zodat hun vorderingen worden afgewezen.
- Eisers 5, 6, 14, 15, 16, 17, 19, 22, 23, 24, 25, 27, 31, 32, 40, 45, 51, 53, 55, 56, 57, 58, 59, 61, 62, 69, 73, 74, 75, 80, 82, 84, 85, 87, 88, 90 en 95 hebben afstand gedaan van hun recht op een tegemoetkoming. Hun vorderingen worden, voor zover niet reeds verjaard (eisers 16, 27, 90), ook afgewezen.
- Eisers 1, 2, 3, 4, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 21, 28, 30, 33, 34, 35, 36, 37, 39, 41, 42, 43, 44, 46, 48, 50, 52, 54, 60, 63, 65, 66, 67, 68, 71, 72, 76, 78, 79, 81, 83, 89, 91, 92 en 93 hebben in verband met de beëindiging van hun huurovereenkomsten in beginsel aanspraak op de tegemoetkoming.
Verrekening
ZBI doet ten slotte, voor het geval eisers aanspraak hebben op de tegemoetkoming, een beroep op verrekening van die vorderingen met haar vorderingen op eisers op grond van onbetaalde huur voor een standplaats in het seizoen 2020-2021, voor zover eisers nog aanwezig waren op de standplaats in seizoen 2020-2021. Zij verwijst daarbij naar artikel 10 lid 6 onder b van de algemene voorwaarden, waarin is bepaald dat de ondernemer (ZBI, ktr) het recht heeft om de tegemoetkoming te verrekenen met eventuele vorderingen op de recreant (eisers, ktr). In de conclusie van antwoord heeft ZBI verwezen naar kolom U in het overzicht dat door haar als productie 9 in het geding is gebracht. Tijdens de mondelinge behandeling heeft ZBI haar verrekenbare vorderingen op eisers nader toegelicht en per eiser de hoogte van de vordering gespecificeerd. Het gaat om vorderingen op eisers 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 11, 13, 18, 20, 21, 26, 29, 30, 31, 33, 37, 38, 39, 42, 43, 44, 47, 52, 54, 55, 57, 64, 66, 67, 70, 71, 73, 77, 82, 85, 86, 87, 91 en 93. Voor wat betreft eisers 30, 91 en 93 geldt dat ZBI tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat zij de betaalde huurprijs van de standplaats voor het seizoen 2020-2021 van € 1.960,00 (eiser 30), € 1.905,00 (eiser 91) en € 1.927,29 (eiser 93) aan deze eisers heeft terugbetaald, omdat deze eisers hun standplaats voor seizoen 2020-2021 hebben geannuleerd. Eisers 30, 91 en 93 hebben dat niet weersproken. De kantonrechter begrijpt de stelling van ZBI zo dat zij hiermee bedoelt dat zij geen verrekenbare vordering op eisers 30, 91 en 93 (meer) heeft. Door de overige eisers zijn de vorderingen van ZBI niet weersproken, zodat het verrekeningsverweer van ZBI gegrond is en de verbintenissen van ZBI en eisers tot hun gemeenschappelijk beloop tenietgaan (artikel 6:127 lid 1 BW). De verrekening werkt terug tot het tijdstip waarop de bevoegdheid tot verrekening is ontstaan (artikel 6:129 lid 1 BW). Op grond van de algemene voorwaarden was dat op het moment dat eisers aan hun opleveringsverplichting hadden voldaan. Zij hadden toen ieder recht op een tegemoetkoming van € 1.350,00. Het merendeel van de verrekenbare vorderingen van ZBI overstijgt dit bedrag, zodat de vorderingen van die eisers door de verrekening teniet zijn gegaan. Dat geldt niet voor eisers 44, 54, 66 en 77.
Dat betekent dat de vorderingen van eisers 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 11, 13, 18, 20, 21, 26, 29, 31, 33, 37, 38, 39, 42, 43, 47, 52, 55, 57, 64, 67, 70, 71, 73, 82, 85, 86 en 87 door verrekening geheel teniet zijn gegaan en die van eisers 44, 54 en 66 deels.
De vorderingen van eisers 9, 10, 12, 28, 30, 34, 35, 36, 41, 46, 48, 50, 60, 63, 65, 68, 72, 76, 78, 79, 81, 83, 89, 91, 92 en 93 zullen worden toegewezen tot het bedrag van de gevorderde hoofdsom. ZBI heeft niet weersproken dat hun oorspronkelijke vordering van € 1.350,00 door indexatie is toegenomen tot een bedrag van € 1.973,95. Zij hebben geen afstand gedaan van de tegemoetkoming, hun vorderingen zijn niet verjaard en evenmin door verrekening teniet gegaan. Tegen de gevorderde wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding heeft ZBI geen verweer gevoerd. Ook die vordering is toewijsbaar.
De vorderingen van eisers 44, 54, en 66 zijn deels toewijsbaar. Zij hebben geen afstand gedaan van de tegemoetkoming, hun vorderingen zijn niet verjaard, maar hun vorderingen zijn door verrekening wel deels teniet gegaan. De vordering van eiser 44 van
€ 1.350,00 is door verrekening met de vordering van ZBI van € 1.065,00 tenietgegaan tot een bedrag van € 285,00. De vordering van eiser 54 van € 1.350,00 is door verrekening met de vordering van ZBI van € 1.195,00 tenietgegaan tot een bedrag van € 155,00. De vordering van eiser 66 van € 1.350,00 is door verrekening met de vordering van ZBI van
€ 1.155,00 tenietgegaan tot een bedrag van € 195,00. Hun vorderingen zijn dus toewijsbaar tot respectievelijk € 285,00 (eiser 44), € 155,00 (eiser 54) en € 195,00 (eiser 66), vermeerderd met de indexatie. Eisers maken aanspraak indexatie tot en met 2024. Voor de berekeningsmethode hebben zij verwezen naar de in productie 9 opgenomen voetnoot. ZBI heeft daartegen geen verweer gevoerd, zodat de kantonrechter daarvan uitgaat. Voor eisers 44, 54 en 66 betekent dit dat zij na indexatie een vordering van respectievelijk € 416,72 ((285/90,44) * 132,24), € 226,64 ((155/90,44) * 132,24) en € 285,13 ((195/90,44) * 132,24) op ZBI hebben. Daarover is ZBI de wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag van dagvaarding.
Buitengerechtelijke incassokosten
Eisers vorderen ieder voor zich vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van € 358,27 inclusief BTW.
Voor wat betreft de eisers 9, 10, 12, 28, 30, 34, 35, 36, 41, 44, 46, 48, 50, 54, 60, 63, 65, 66, 68, 72, 76, 78, 79, 81, 83, 89, 91, 92 en 93 moet de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat voornoemde eisers voldoende hebben gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt voor wat betreft eisers 9, 10, 12, 28, 30, 34, 35, 36, 41, 46, 48, 50, 60, 63, 65, 68, 72, 76, 78, 79, 81, 83, 89, 91, 92 en 93 overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen. Voor eisers 44, 54 en 66 geldt dat het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten hoger is dan het in het Besluit bepaalde tarief, omdat hun hoofdvordering wordt toegewezen tot een lager bedrag (zie 4.7.4). De kantonrechter zal het bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten dan ook toewijzen tot het wettelijk tarief van respectievelijk € 75,63 (eiser 44), € 48,40 (eiser 54) en € 51,75 (eiser 66).
De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten die de overige eisers hebben gevorderd, wordt afgewezen. Deze vordering volgt voor wat betreft de overige eisers immers het lot van de hoofdvordering.
Proceskosten
Eisers maken ieder voor zich aanspraak op betaling van een tegemoetkoming door ZBI en trekken daarbij in deze procedure gezamenlijk op. Zij hebben daarbij dezelfde stellingen ingenomen. ZBI heeft verweer gevoerd dat is toegespitst op verschillende groepen van eisers. De uitkomst van deze procedure is dat een aantal eisers gelijk krijgt en een aantal eisers niet. Partijen zijn dus over en weer in het ongelijk gesteld. Onder die omstandigheden ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren, zoals in de beslissing is bepaald.
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt ZBI om aan eisers:
9 ( [eiser 9a] en [eiser 9b] )
10 ( [eiser 10a] en [eiser 10b] )
12 ( [eiser 12a] en [eiser 12b] )
28 ( [eiser 28a] en [eiser 28b] )
30 ( [eiser 30a] en [eiser 30b] )
34 ( [eiser 34a] en [eiser 34b] )
35 ( [eiser 35a] en [eiser 35b] )
36 ( [eiser 36] )
41 ( [eiser 41] )
46 ( [eiser 46] )
48 ( [eiser 48a] en [eiser 48b] )
50 ( [eiser 50a] en [eiser 50b] )
60 ( [eiser 60] )
63 ( [eiser 63a] en [eiser 63b] )
65 ( [eiser 65a] en [eiser 65b] )
68 ( [eiser 68] )
72 ( [eiser 72a] en [eiser 72b] )
76 ( [eiser 76] )
78 ( [eiser 78a] en [eiser 78b] )
79 ( [eiser 79] )
81 ( [eiser 81] )
83 ( [eiser 83a] en [eiser 83b] )
89 ( [eiser 89a] en [eiser 89b] )
91 ( [eiser 91a] en [eiser 91b] )
92 ( [eiser 92a] en [eiser 92b] )
93 ( [eiser 93a] en [eiser 93b] )
ieder een bedrag te betalen van € 2.332,22 vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.973,95 vanaf 2 juni 2025 tot de dag van betaling,
veroordeelt ZBI om aan:
- eisers 44 ( [eiser 44a] en [eiser 44b] ) een bedrag te betalen van € 492,35 vermeerderd met de wettelijke rente over € 416,72 vanaf 2 juni 2025 tot de dag van betaling,
- eiser 54 ( [eiser 54] ) een bedrag te betalen van € 275,04, vermeerderd met de wettelijke rente over € 226,64 vanaf 2 juni 2025 tot de dag van betaling, en
- eisers 66 ( [eiser 66a] en [eiser 66b] ) een bedrag te betalen van € 336,88 vermeerderd met de wettelijke rente over € 285,13 vanaf 2 juni 2025 tot de dag van betaling,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
wijst af wat meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. van Voorthuizen en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2026.