ECLI:NL:RBOBR:2026:6958

ECLI:NL:RBOBR:2026:6958

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 29-09-2026
Datum publicatie 28-09-2026
Zaaknummer 25/3523
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Beëindiging Ziektewetuitkering. Was eiser in staat om zijn eigen arbeid te verrichten?

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

Samenvatting

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 25/3523

(gemachtigde: mr. J.W.A. Arnouts),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV

(gemachtigde: [gemachtigde]).

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van eisers Ziektewetuitkering per 5 september 2025. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de beëindiging van de Ziektewetuitkering in stand kan blijven.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beëindiging van eisers Ziektewetuitkering in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de feiten en omstandigheden die van belang zijn en die hebben geleid tot het bestreden besluit. Daarna volgen de standpunten van partijen. De redenen voor de beslissing van de rechtbank volgen vanaf 6. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen. Was het medisch onderzoek door het UWV zorgvuldig? En: is het medisch oordeel van het UWV inhoudelijk juist? Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Met het besluit van 2 oktober 2025 heeft het UWV eisers Ziektewetuitkering met ingang van 5 september 2025 beëindigd. Met het bestreden besluit van 17 november 2025 op het bezwaar van eiser is het UWV bij dat besluit gebleven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Partijen hebben nadere stukken ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.

Eiser heeft na sluiting van het onderzoek ter zitting een e-mailbericht van 10 september 2026 met bijlage ingediend. Eiser heeft verzocht te beoordelen of het stuk aanleiding geeft het onderzoek te heropenen. De rechtbank heeft beslist dat deze brief en de bijlage buiten beschouwing blijven, omdat die geen aanleiding geven tot heropening van de zaak. Er is namelijk geen sprake van een situatie waarin het onderzoek niet volledig is geweest. Eiser heeft een brief van het UWV van 2 september 2026 overgelegd. Het UWV bevestigt in deze brief dat eiser of zijn (ex-)werkgever heeft aangegeven dat eiser vanaf 7 augustus 2025 ziek is. Dat eiser zich per 7 augustus 2025 heeft ziek gemeld, is in deze zaak niet in geschil en blijkt uit de stukken. Het verzoek tot heropenen van het onderzoek wordt daarom afgewezen. Het e-mailbericht met bijlage is wel in het dossier gevoegd.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiser ontvangt sinds 13 juli 2021 een IVA-uitkering. Vanaf 3 mei 2025 had hij een dienstverband voor 38 uur per week als horecamanager. Op 7 augustus 2025 heeft hij zich ziek gemeld. Het dienstverband is per 4 september 2025 beëindigd, waarna het UWV een Ziektewetuitkering aan eiseres heeft toegekend. Hierna zijn de besluiten genomen, genoemd onder het kopje ‘Procesverloop’.

De standpunten van partijen

4. Het UWV acht aannemelijk dat eiser vanaf 8 augustus 2025 enkele weken arbeidsongeschikt was door een aantal momenten dat hij zich onwel voelde en een kleine ingreep aan zijn oog. Het UWV stelt zich op het standpunt dat eiser vanaf 5 september 2025 wel weer het werk als horecamanager kon doen dat hij deed voordat hij ziek werd. Om die reden heeft hij volgens het UWV vanaf die datum geen recht meer op een Ziektewetuitkering. Daarbij acht het UWV van belang dat het gaat om toezichthoudend werk en dat eiser bij aanvang van de werkzaamheden al beperkingen had en ook al onder behandeling was voor psychische klachten, maar ondanks zijn klachten zijn werk kon verrichten.

5. Eiser is het daar niet mee eens en voert daartoe kort samengevat het volgende aan. Al voor zijn werkhervatting per 3 mei 2025 had hij ernstige en langdurige lichamelijke en psychische beperkingen. Zijn medische situatie is in de periode daarna verslechterd. Hij stelt dat hij op en rond 5 september 2025 nog steeds ernstige lichamelijke en psychische klachten had, dat het UWV zijn medische situatie op die datum heeft onderschat en dat hij niet in staat was zijn arbeid te verrichten. Eiser stelt zich ook op het standpunt dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Hij is niet lichamelijk onderzocht en volgens hem is onvoldoende onderzocht wat de cumulatieve gevolgen van zijn klachten zijn. Ook heeft het UWV volgens eiser onvoldoende gemotiveerd waarom hij ondanks de combinatie van ernstige aandoeningen belastbaar zou zijn voor horecawerk.

De redenen voor de beslissing van de rechtbank 6. De rechtbank beoordeelt in het hierna volgende achtereenvolgens of het medisch onderzoek van het UWV zorgvuldig heeft plaatsgevonden en of het medisch oordeel van het UWV inhoudelijk juist is.

Heeft het medisch onderzoek zorgvuldig plaatsgevonden?

Eiser is van mening dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is uitgevoerd, omdat geen uitvoerig lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden, terwijl daar volgens hem wel aanleiding toe was. De rechtbank volgt dit niet. Daartoe overweegt zij als volgt. De primaire verzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd en eiser gezien op het spreekuur van 30 september 2025, waar de primaire verzekeringsarts een anamnese heeft verricht en psychisch onderzoek heeft gedaan. Ook heeft de primaire verzekeringsarts aanvullende informatie van de behandelaren in de beoordeling betrokken. De primaire verzekeringsarts heeft afgezien van het doen van een lichamelijk onderzoek, omdat eisers lichamelijke klachten niet met eigen onderzoek te objectiveren zijn. De rechtbank kan dit volgen, gelet op de aard van de aandoeningen die volgens eiser maken dat hij zijn werk als horecamanager op 5 september 2025 niet kon verrichten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier, de bezwaargronden en het verslag van de hoorzitting bestudeerd. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de door eiser ingebrachte medische informatie in de beoordeling betrokken. Gezien de uitgebreidheid van het primaire onderzoek en de beschikbare informatie in het dossier achtte de verzekeringsarts bezwaar en beroep een aanvullend (fysiek) spreekuur niet noodzakelijk. De rechtbank kan ook dit volgen. De rechtbank heeft, gezien de verrichte onderzoeksactiviteiten, geen reden om te oordelen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanvullend onderzoek had moeten doen of aanvullende medische informatie had moeten opvragen. Verder is de rechtbank van oordeel dat de rapportages van de verzekeringsartsen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies logisch voortvloeien uit de onderzoeksbevindingen.

Is het medisch oordeel inhoudelijk juist?

De rechtbank komt hierna tot het oordeel dat het UWV de medische beperkingen van eiser op 5 september 2025 niet heeft onderschat. De rechtbank zal dit hierna uitleggen.

Ten aanzien van de oogklachten overweegt de rechtbank het volgende. Uit de brief van de oogarts van 11 augustus 2025 blijkt dat het na de operatie volgens eiser goed gaat. Eiser ziet veel beter dan voorheen en is tevreden met de huidige situatie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep begrijpt hieruit in het rapport van 11 februari 2026 dat eiser hersteld was van de problematiek en de ingreep die hij daarvoor had ondergaan en er geen reden (meer) was om op basis van de oogproblematiek ongeschiktheid voor eigen werk aan te nemen. De rechtbank kan dit volgen.

Eiser is al lange tijd bekend met medische problematiek, waarvoor hij in augustus 2025 in een Spaans ziekenhuis opgenomen is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 13 november 2025 op basis van de onderzoeksgegevens zoals beschreven in de brief van de internist van 13 oktober 2025 geconcludeerd dat sprake is van een medisch stabiele situatie. De geclaimde achteruitgang is niet geobjectiveerd. De brieven van 6 augustus 2025, 3 en 16 december 2025 bevatten volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar nadere rapporten geen nieuwe informatie. De rechtbank kan het oordeel van de verzekeringsartsen volgen dat op dit punt geen sprake was van een (blijvend) verslechterde situatie in de periode dat hij als horecamanager werkzaam is geweest.

Ten aanzien van de psychische klachten overweegt de rechtbank het volgende. Vast staat dat eiser deze klachten ook al had toen hij in dienst trad als horecamanager en daarvoor ook al behandeling had. De bevindingen bij het psychisch onderzoek van de primaire verzekeringsarts lieten volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen afwijkingen zien die wezen op een ernstige psychische problematiek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 13 november 2025 vastgesteld dat de op

5 september 2025 bestaande psychische klachten niet in de weg stonden aan het verrichten van het eigen werk. De rechtbank kan dit volgen. Uit de informatie van de huisarts blijkt dat eiser op 18 september 2025 is verwezen naar de specialistische GGZ. Dit brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Objectieve medische informatie waaruit blijkt dat eisers psychische toestand op 5 september 2025 tóch slechter is dan aangenomen, ontbreekt namelijk.

Ten slotte is de verzekeringsarts bezwaar en beroep is in het rapport van 2 juli 2026 op overtuigende wijze ingegaan op de gestelde cumulatieve gevolgen van zijn klachten. Zij heeft er terecht op gewezen dat eiser ondanks zijn structurele beperkingen zijn werkzaamheden geruime tijd heeft kunnen verrichten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in dat rapport ook opgemerkt dat eiser in augustus 2025 op vakantie was, dat op dat moment sprake was van een tijdelijke toename van gezondheidsproblematiek en dat eiser zich als gevolg daarvan heeft ziekgemeld. Omdat de toegenomen klachten optraden tijdens vakantie, is het volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet aannemelijk dat sprake was van een toename van gezondheidsklachten als gevolg van overschrijding van de belastbaarheid in het eigen werk. Ook deze toelichting kan de rechtbank goed volgen. Al met al heeft het UWV zich naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser op 5 september 2025 geschikt was voor zijn eigen werk. De rechtbank betrekt bij haar oordeel ook dat eiser op de zitting heeft verklaard dat het in de functie van horecamanager niet ging om fysiek werk. Hij stuurde mensen aan en hij was coach. Ook uit de rapportage van de primaire verzekeringsarts blijkt dat eiser medewerkers begeleidde, menukaarten samenstelde en informatie gaf over voedselveiligheid, maar geen zwaar fysiek werk verrichtte.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de beëindiging van eisers Ziektewetuitkering in stand blijft. Omdat eiser geen gelijk krijgt, krijgt hij het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Woestenburg, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Bijleveld, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 29 september 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J. Woestenburg

Griffier

  • mr. A. Bijleveld

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand