RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
Samenvatting
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 26/1239
(gemachtigde: mr. E. Akdeniz),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [gemachtigde]).
1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van eisers Ziektewetuitkering met ingang van 22 februari 2025. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de beëindiging van de Ziektewetuitkering in stand kan blijven.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beëindiging van eisers Ziektewetuitkering in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 21 januari 2025 heeft het UWV eisers Ziektewetuitkering met ingang van 22 februari 2025 beëindigd. Met het bestreden besluit van 16 april 2026 op het bezwaar van eiser is het UWV bij dat besluit gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten
3. Eiser werkte (afgerond) 32 uur per week als assemblagemedewerker. Eiser heeft zich na een bedrijfsongeval met zijn linkerpink ziek gemeld en vanaf 1 december 2023 ontving hij een ZW-uitkering van zijn ex-werkgever. Het UWV heeft een zogeheten eerstejaarsziektewetbeoordeling verricht. Dat heeft geleid tot de besluitvorming, genoemd onder het kopje ‘Procesverloop’.
De standpunten van partijen
4. Het UWV stelt zich op het standpunt dat eiser met zijn beperkingen de functies huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code 111334), lader, losser (licht magazijnwerk) (SBC-code 111220) en textielproductenmaker (excl. vervaardigen van textiel) (SBC-code 111160) kan verrichten. De functie productiemedewerker textiel, geen kleding (SBC-code 272043) is als reservefunctie geselecteerd. Als het inkomen dat eiser daarmee kan verdienen, wordt vergeleken met het inkomen dat hij als assemblagemedewerker verdienende, is het loonverlies 20,11%. Dat is minder dan 35% en daarom heeft eiser volgens het UWV vanaf 22 februari 2025 geen recht meer op een Ziektewetuitkering.
5. Eiser is het daar niet mee eens. Volgens hem hebben de (verzekerings)artsen van het UWV te weinig beperkingen aangenomen. Hij ervaart diverse aanhoudende lichamelijke klachten, waaronder pijn aan zijn armen. Ook heeft hij slaapproblemen en mentale klachten. Met name wanneer sprake is van cumulatieve belasting gedurende een volledige werkdag, werken zijn beperkingen ernstiger uit dan in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) is aangenomen. Daardoor zijn de geselecteerde functies niet geschikt.
De redenen voor de beslissing van de rechtbank
6. De te beoordelen datum is 22 februari 2025 (datum in geding).
7. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het onderzoek door de (verzekerings)artsen. Deze artsen hebben eiser op de spreekuren van 12 november 2024 en 6 maart 2025 gezien en aldaar onderzoek gedaan en ook de door eiser verstrekte medische informatie in beschouwing genomen. De rechtbank heeft geen reden om te oordelen dat de (verzekerings)artsen aanvullend onderzoek hadden moeten doen of aanvullende medische informatie hadden moeten opvragen. De rapportages van de (verzekerings)artsen bevatten geen tegenstrijdigheden en de conclusies vloeien logisch voort uit hun bevindingen.
8. De rechtbank ziet geen aanleiding te oordelen dat het UWV eisers belastbaarheid onjuist heeft ingeschat. Het UWV is ermee bekend dat eiser epicondylitis lateralis humeri (een tenniselleboog) rechts heeft. Dit heeft geleid tot het aannemen van beperkingen voor het belasten van de rechterarm en -schouder. De rechtbank heeft geen reden aan te nemen dat het UWV de hiermee verband houdende (objectiveerbare) beperkingen heeft onderschat. De primaire arts heeft (onder andere) de rechterarm en – schouder op het spreekuur van 12 november 2024 onderzocht. De rechtbank acht hierbij ook van belang dat eiser in beroep geen nieuwe medische verklaringen heeft overgelegd die zijn stellingen kunnen onderbouwen.
9. Waar eiser aanvoert dat hij ook klachten aan de linkerarm en -hand en rugklachten heeft, overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft bij de primaire arts verteld dat hij geen klachten meer heeft van zijn rug. Ook zijn linkerarm is volgens eiser dan bijna genezen. Bij het lichamelijk onderzoek van de rug heeft de arts geen afwijkingen vastgesteld. Bij onderzoek van de schouders heeft de arts geen afwijkingen van de functie van de linkerschouder vastgesteld. Ook het onderzoek aan de handen leidde niet tot het aannemen van beperkingen. Op het spreekuur bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eiser bevestigd dat de rugklachten op de datum in geding voorbij waren. Wel heeft eiser daar gezegd dat hij aan beide zijden dezelfde armklachten heeft. Op 26 maart 2025 is eiser echter gezien door een orthopedisch chirurg, nadat hij is verwezen voor zijn elleboogklachten rechts. In de brief van de chirurg van die datum staat niets vermeld over de elleboog links. Daarom kan de rechtbank de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgen in haar vaststelling dat van klachten aan de linkerzijde op de datum in geding niets blijkt. Eiser voert aan dat hij volgens een rapport van de bedrijfsarts links wel aanzienlijke klachten had, maar dit brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel: dat rapport is van 19 september 2024 en de bevindingen van de bedrijfsarts zien dus niet op de belastbaarheid op de datum in geding. Eisers betoog slaagt niet.
10. Dit geldt ook waar eiser aanvoert dat zijn pijnklachten hebben geleid tot slaapproblemen en mentale klachten, die ook zijn concentratie, werktempo en volhoudbaarheid beïnvloeden. De primaire arts heeft eiser op 12 november 2024 op het spreekuur gezien. Eiser heeft daar verteld dat het mentaal beter met hem gaat. Hij is weliswaar nog steeds bezorgd om zijn financiële situatie, maar heeft dit geaccepteerd. De arts heeft bij het psychisch onderzoek vastgesteld dat geen bijzonderheden waarneembaar zijn ten aanzien van concentratie, dat de stemming normofoor is en dat er geen tekenen van vermoeidheid of lusteloosheid waarneembaar zijn. Ook heeft de arts vastgesteld dat eiser een actief dagritme heeft. Bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eiser op 6 maart 2025 verteld dat hij na het letsel enige tijd psychische ondersteuning heeft gehad ter verwerking, maar dat dit na een periode ten einde is gekomen en dat hij rond de datum in geding geen psychische behandeling of begeleiding had.
11. Waar eiser aanvoert dat de cumulatieve belasting gedurende een hele volledige werkdag tot ernstiger beperkingen leidt, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep er in het rapport van 18 mei 2026 terecht op gewezen dat in de FML al rekening is gehouden met een cumulatieve belasting.
12. Wat betreft de geschiktheid van de geselecteerde functies overweegt de rechtbank het volgende. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 26 mei 2026 terecht opgemerkt dat eiser op diverse door hem genoemde punten niet beperkt wordt geacht. Uitgaande van de juistheid van de bij eiser vastgestelde medische beperkingen, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de geduide functies voor eiser niet geschikt zijn. De primaire arbeidsdeskundige heeft de zogeheten signaleringen van een afdoende adequate toelichting voorzien en de rechtbank kan de nadere toelichting van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in de rapporten van 7 april 2026 en 26 mei 2026 goed volgen.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de beëindiging van de Ziektewetuitkering vanaf 22 februari 2025 in stand blijft. Omdat eiser geen gelijk krijgt, krijgt hij het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Woestenburg, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Bijleveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.