ECLI:NL:RBNNE:2026:4327

ECLI:NL:RBNNE:2026:4327

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 08-09-2026
Datum publicatie 06-10-2026
Zaaknummer 11904130 EL EXPL 25-15
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Effectenlease; tussenpersoon; toewijzing schadebedrag

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Groningen

Zaak/rolnummer: 11904130 EL EXPL 25-15

Vonnis van 8 september 2026

inzake

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] ,

wonende te [woonplaats] respectievelijk [woonplaats] ,

eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, verwerende partij in het incident, hierna gezamenlijk in vrouwelijk enkelvoud [eisers] te noemen,

gemachtigde mr. G. van Dijk, werkzaam bij Leaseproces te Amsterdam ( [adres] ),

tegen

de besloten vennootschap

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te (1082 LZ) Amsterdam, Parnassusweg 819,

gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, eisende partij in het incident,

hierna Dexia te noemen,

gemachtigde USG Legal Professionals B.V. te Amsterdam ( [adres] ).

1. Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding met producties;

de conclusie van antwoord, tevens houdende een eis in reconventie en een incidentele vordering, met producties;

de conclusie van repliek, tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie en antwoord in het incident, met producties;

de conclusie van dupliek, tevens houdende conclusie van repliek in reconventie, met producties;

de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlaten producties in conventie.

Ten slotte is vonnis bepaald. De uitspraak daarvan is (nader) vastgesteld op heden.

2. De feiten

Dexia is rechtsopvolgster van Dexia Bank Nederland N.V., Bank Labouchere N.V. en Legio Lease B.V. Waar in het navolgende wordt gesproken over Dexia, wordt hieronder mede verstaan haar rechtsvoorgangsters.

[eisers] heeft op 13 april 2001 vijf effectenleaseovereenkomsten met Dexia gesloten (genaamd: AEX Plus Effect), onder contractnummers [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] , met elk een leasesom van € 20.421,00 en een looptijd van 180 maanden (verder te noemen: de overeenkomsten).

De overeenkomsten zijn tussentijds geëindigd.

Nadien zijn namens [eisers] meerdere stuitingsbrieven aan Dexia verzonden.

Vanaf omstreeks medio 2002 zijn de effectenleaseproducten van Dexia onderwerp geweest van meerdere juridische procedures. Onder meer door het aanbieden van het zogenaamde "Dexia Aanbod" en door de zogenaamde "Duisenberg regeling" heeft Dexia geprobeerd de geschillen met haar afnemers minnelijk te regelen. Op 25 januari 2007 heeft het gerechtshof Amsterdam de "Duisenberg regeling" verbindend verklaard in de zin van de Wet op de Collectieve Afwikkeling Massaschade (WCAM). [eisers] heeft door middel van een zogenaamde "opt-out-verklaring" aangegeven niet aan die regeling gebonden te willen zijn.

De gemachtigde van [eisers] heeft Dexia hierna bij brief gesommeerd over te gaan tot terugbetaling van alle door [eisers] betaalde bedragen, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. Aan deze sommatie is niet voldaan.

3. De vordering in conventie

[eisers] vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

voor recht te verklaren dat Dexia onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld en/of toerekenbaar tekort is geschoten jegens [eisers] , op de in de dagvaarding genoemde gronden;

voor recht te verklaren dat [eisers] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatige handelen van Dexia en dat Dexia gehouden is om deze schade aan [eisers] te vergoeden;

Dexia te veroordelen tot betaling aan [eisers] , al hetgeen [eisers] aan Dexia heeft betaald onder de litigieuze overeenkomsten, te vermeerderen met wettelijke rente, telkens vanaf de dag der door [eisers] gedane betalingen althans vanaf de door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum tot aan die der voldoening, te voldoen binnen drie weken na betekening van dit vonnis;

Dexia te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [eisers] conform rapport Voorwerk II, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag;

Dexia te veroordelen in de proceskosten, inclusief nakosten.

Dexia voert verweer.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De vordering in reconventie

Dexia vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskosten:

voor recht te verklaren dat Dexia met betrekking tot de overeenkomsten met nummers [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [eisers] verschuldigd is;

[eisers] ex artikel 195 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te veroordelen om Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier waar de door Leaseproces namens [eisers] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend, althans van andere schriftelijke documenten waar die stellingen aan ontleend zijn;

[eisers] te veroordelen in de proceskosten.

[eisers] voert verweer.

5. De beoordeling van de (voorwaardelijke) incidentele vordering

Dexia heeft - zonder daarvan melding te maken in de benaming van de door haar ingediende conclusie, reden waarom deze vordering ten tijde van het indienen van deze conclusie over het hoofd is gezien - een voorwaardelijke incidentele vordering ingediend ex artikel 195 Rv, voor het geval de kantonrechter van oordeel is dat Dexia de stellingen van [eisers] niet voldoende concreet heeft betwist. In dat geval verzoekt Dexia de kantonrechter om [eisers] te veroordelen om een afschrift te verstrekken van een intakeformulier dat [eisers] voor zijn gemachtigde heeft ingevuld en bij gebreke daarvan tot het verstrekken van andere relevante schriftelijke documenten waaraan de feitelijke stellingen van (de gemachtigde van) [eisers] aan ontleend zijn.

De kantonrechter is van oordeel dat het niet mogelijk is om het instellen van een incidentele vordering afhankelijk te stellen van een inhoudelijk oordeel van de rechter als hiervoor bedoeld. Een kwestie in incident dient van procedurele aard te zijn en kan niet een enkele materiële (voor)vraag behelzen (T&C Rv, Boek I, Titel 2, Afd. 10, inleidende opmerkingen, onder 2). Dexia heeft haar incidentele vordering afhankelijk gesteld van het oordeel van de kantonrechter ten aanzien van de stelplicht en bewijslast ter beoordeling van een van die vorderingen. Het is aan Dexia om de stellingen van [eisers] voldoende concreet te betwisten. Doet zij dit niet, dan wordt aan bewijslevering niet toegekomen. Als zij van mening is dat zij voor een gemotiveerde betwisting de beschikking dient te krijgen over bepaalde bescheiden dan had zij daartoe direct een vordering ex artikel 195 Rv moeten indienen. Dat kan niet meer als de kantonrechter daarover al een oordeel heeft gegeven. Dat zou er immers op neerkomen dat Dexia wenst dat de kantonrechter – na een incidentele procedure – op een dergelijk oordeel terugkomt. Daar is een incidentele procedure niet voor bedoeld. De kantonrechter zal Dexia niet-ontvankelijk verklaren in het incident. Om die reden zal Dexia ook worden veroordeeld in de proceskosten in het incident. De proceskosten in het incident aan de zijde van [eisers] worden begroot op € 217,00 voor salaris gemachtigde (1 punt x tarief € 217,00).

6. Het geschil in conventie en de beoordeling daarvan

Tussen partijen is in de kern genomen in geschil of Dexia onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld door in strijd te handelen met artikel 41 van de toenmalige Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer 1999 (hierna: NR 1999). Ten aanzien van de in dit verband tussen partijen opgekomen geschilpunten overweegt de kantonrechter als volgt. Daarbij zal de kantonrechter de producties die [eisers] bij haar laatste conclusie heeft overgelegd buiten beschouwing laten omdat Dexia zich niet over deze producties heeft kunnen uitlaten.

tussenpersoon

[eisers] voert, verkort weergegeven, aan dat Dexia onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door haar als cliënt te accepteren via [adviesgroep] , terwijl het [adviesgroep] als cliëntenremisier zonder vergunning ex artikel 7 Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Wte 1995) niet was toegestaan om [eisers] te adviseren om effectenleaseovereenkomsten met Dexia aan te gaan en Dexia dit wist, althans dit behoorde te weten. Dexia heeft dit betwist.

De kantonrechter stelt bij de beoordeling het volgende voorop. In 2016 heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 2 september 2016 (Beckers/Dexia, ECLI:NL:HR:2016:2012) onder meer geoordeeld, samengevat weergegeven, dat indien een cliëntenremisier zich niet beperkt tot het aanbrengen van potentiële cliënten bij een beleggingsinstelling of effecteninstelling, maar hij die belegger tevens in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf adviseert, de aldus handelende cliëntenremisier over een vergunning dient te beschikken. Indien de cliëntenremisier geen vergunning heeft en zich niet heeft beperkt tot het aanbrengen van de cliënt, maar ook jegens de afnemer als financieel adviseur is opgetreden en Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn, schendt Dexia niet alleen haar zorgplicht, maar handelt zij ook in strijd met artikel 41 NR 1999. Dit levert volgens de Hoge Raad een (extra) onrechtmatigheidsgrond op, die Dexia zwaar wordt aangerekend. Dit komt doordat een cliënt die is geadviseerd door een dienstverlener (beleggingsadviseur) minder snel bedacht hoeft te zijn op en zich minder snel uit eigen beweging hoeft te verdiepen in niet vermelde risico's dan degene die zich wendt tot een aanbieder van een effectenleaseproduct. De Hoge Raad oordeelt daarnaast dat niet hoeft te worden aangetoond dat Dexia wist of behoorde te weten dat de cliëntenremisier niet over een vergunning beschikte toen zij ten opzichte van de belegger mede als beleggingsadviseur optrad. Dexia moet als professionele effecteninstelling (geacht worden te) weten dat een cliëntenremisier die tevens adviseert, de grenzen van de vrijstelling van artikel 12 Vrijstellingsregeling Wte 1995 overschrijdt. Daarom lag het ook op haar weg om, als zij wist of behoorde te weten dat [adviesgroep] mede in de hoedanigheid van beleggingsadviseur was opgetreden, te onderzoeken of [adviesgroep] over de daartoe benodigde vergunning beschikte. Indien daarvan geen sprake was had Dexia moeten weigeren met de particuliere belegger te contracteren. In zijn arresten van 12 oktober 2018 (Timmermans/Dexia, ECLI:NL:HR:2018:1935) en van 10 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:862) bevestigt de Hoge Raad het voorgaande nogmaals uitdrukkelijk.

In voornoemd arrest van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad voorts geoordeeld dat de reikwijdte van de vrijstelling van artikel 12 Vrijstellingsregeling Wte 1995 als volgt dient te worden bepaald:

een tussenpersoon gaat de reikwijdte van de vrijstelling te buiten indien hij een bepaalde afnemer het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product aanbeveelt;

het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, dat wil zeggen dat zij voorgesteld is als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer;

het moet gaan om een aanbeveling die de tussenpersoon doet in het kader van zijn beroep of bedrijf; daarvan kan ook sprake zijn als de tussenpersoon een dergelijke aanbeveling slechts incidenteel of zelfs eenmalig doet;

geen vergunning behoeft de tussenpersoon voor het verstrekken van algemene informatie over wat effectenleaseovereenkomsten zijn, en evenmin voor het verstrekken van algemeen advies (waarbij in algemene zin wordt aangeraden een, verder op geen enkele wijze nader bepaalde, effectenleaseovereenkomst te sluiten);

uit de enkele omstandigheid dat een tussenpersoon met de afnemer een aanvraagformulier invult, waarbij in voorkomende gevallen een fondskeuze aangekruist wordt, en dit opstuurt, volgt niet dat de tussenpersoon heeft geadviseerd.

Voor de beoordeling of de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst heeft gedaan, kunnen volgens de Hoge Raad de volgende omstandigheden van belang zijn:

de omstandigheid dat de tussenpersoon al dan niet heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer;

de omstandigheid dat de tussenpersoon al dan niet ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product;

de omstandigheid dat de tussenpersoon al dan niet, naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct, een ander financieel product, zoals een hypothecaire lening, heeft geadviseerd.

In aanvulling daarop heeft de Hoge Raad geoordeeld dat, ook indien voornoemde omstandigheden niet worden vastgesteld, de mogelijkheid bestaat dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als hiervoor genoemd, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer.

Met inachtneming van het vorenstaande overweegt de kantonrechter als volgt. Niet in geschil is dat [adviesgroep] is opgetreden als effectenbemiddelaar. Een effectenbemiddelaar die mogelijke cliënten aanbrengt bij een effecteninstelling wordt ook cliëntenremisier genoemd. Cliëntenremisiers zoals [adviesgroep] waren uit hoofde van artikel 12 van de Vrijstellingsregeling Wte 1995 vrijgesteld van de vergunningplicht van artikel 7 lid 1 Wte 1995, om cliënten aan te brengen bij een effecteninstelling als Dexia. Op grond van artikel 21 lid 1 Wte 1995 moesten effectenbemiddelaars die van de vergunningplicht waren vrijgesteld, worden ingeschreven in het in dit artikel genoemde register. Voornoemde vrijstelling was slechts beperkt tot werkzaamheden als cliëntenremisier. De effecteninstelling die wist of behoorde te weten dat een cliëntenremisier een aangebrachte belegger vergunningplichtige diensten heeft verleend zonder over de noodzakelijke vergunning te beschikken en deze belegger niettemin als cliënt accepteert, handelt in strijd met artikel 41 NR 1999 en daarmee onrechtmatig jegens die belegger.

De kantonrechter zal voor het antwoord op de vraag of sprake is van schending van artikel 41 NR 1999 dienen te beoordelen of [adviesgroep] haar vrijstelling te buiten is gegaan en vergunningplichtige diensten heeft verleend, alsmede of Dexia dit wist of behoorde te weten. Vast staat tussen partijen dat [adviesgroep] niet over een vergunning ex artikel 7 lid 1 Wte 1995 beschikte.

[eisers] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:

[eisers] werd door [adviesgroep] telefonisch benaderd. De medewerker van [adviesgroep] stelde voor om een afspraak te maken voor een huisbezoek om de hypotheekverhoging te bespreken met een financieel adviseur van [adviesgroep] . [eisers] heeft hiermee ingestemd.

Tijdens het eerste gesprek heeft de adviseur van [adviesgroep] (hierna te noemen: adviseur), geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [eisers] Zo is met de adviseur gesproken over het werk, het inkomen, de gezinssituatie en over het huis van [eisers] Daarnaast is met de adviseur gesproken over de wens van [eisers] om op een betere manier geld te sparen. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en adviseerde [eisers] om vijf AEX Plus Effect producten van Bank Labouchere met een vooruitbetaling van NLG 12.000,00 (totaal NLG 60.002,60) af te sluiten. [eisers] diende hiervoor de huidige hypotheek over te sluiten en een hypotheeklening af te sluiten bij SNS Bank en deze aan te wenden voor de vooruitbetaling van de AEX Plus Effect producten. Tevens adviseerde de adviseur om een bedrag van NLG 75.000,01 te storten in een beleggingsdepot van Falcon Leven. Uit het depot konden de maandelijkse kosten van de hypotheek worden betaald volgens de adviseur. Volgens de adviseur zou [eisers] op een betere manier geld kunnen sparen. De adviseur ondersteunde zijn verhaal aan de hand van een notitieblok met aantekeningen en rekenvoorbeelden. Na het gesprek heeft de adviseur dit weer meegenomen.

De adviseur heeft [eisers] niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen de inleg geheel verloren kon gaan, de hypotheek niet kon worden afgelost en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten. Als [eisers] op deze risico’s gewezen was had hij de AEX Plus Effect overeenkomsten nooit afgesloten.

[eisers] had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft [eisers] het advies van de adviseur opgevolgd en vijf AEX Plus Effect overeenkomsten met een vooruitbetaling van in totaal NLG 60.002,60 afgesloten. [eisers] heeft conform het advies van de adviseur ook een hypotheek bij SNS Bank afgesloten. Daarnaast heeft [eisers] ook een bedrag van NLG 75.000,01 gestort in het beleggingsdepot van Falcon Leven. Onderaan dit bescheid staat vermeld dat [adviesgroep] betrokken is als tussenpersoon net zoals dat bij de onderhavige AEX Plus Effect-overeenkomsten het geval is. De aanvraag voor het AEX Plus Effect is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomsten zijn op een later moment ondertekend.

[eisers] heeft, ter onderbouwing van haar stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht: de overeenkomsten, hypotheekstukken en stukken met betrekking tot het beleggingsdepot.

aanhoudingsverzoek

Dexia heeft verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. Aan dit verzoek wordt voorbijgegaan omdat de Hoge Raad deze cassatieberoepen op 19 juni 2026 heeft verworpen (ECLI:NL:HR:2026:963, ECLI:NL:HR:2026:966 en ECLI:NL:HR:2026:980).

(nieuwe) argumenten Dexia

Dexia heeft tegen de bewuste overwegingen (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:

dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd;

dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;

dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vaststellingsplicht rust, en

dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.

Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [eisers] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in haar geval heeft [eisers] , tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [eisers] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomsten dan wel tot stand waren gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [eisers] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van [eisers] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [eisers] en de adviseur van de tussenpersoon, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [eisers] en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vaststellingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.

wetenschap Dexia

Dexia heeft voorts betwist dat zij wist of moest weten dat [adviesgroep] beleggingsadvies gaf, dat mede inhield een effectenleaseovereenkomst met Dexia te sluiten. De kantonrechter overweegt omtrent de wetenschap van Dexia als volgt.

In vergelijkbare zaken bij deze rechtbank, waaronder een vonnis van 24 juni 2020 (rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, ECLI:NL:RBNNE:2020:2219), alsmede in vergelijkbare zaken bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waaronder de arresten van 3 november 2020 (bijvoorbeeld ECLI:NL:GHARL:2020:8984), is wetenschap bij Dexia aangenomen in zaken waarin onder meer Spaar Select en NBG Finance hebben geadviseerd. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft zijn oordeel bevestigd in een arrest van 5 juli 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:5730). De kantonrechter is van oordeel dat die overwegingen over de wetenschap van Dexia ook hier van toepassing zijn (zie onder meer rechtsoverwegingen 5.28 en 5.29 van het vonnis van 24 juni 2020). Weliswaar betreft het hier een andere adviseur, te weten [adviesgroep] , maar de kantonrechter ziet gelet op de door [eisers] geschetste en door Dexia onvoldoende weersproken werkwijze van [adviesgroep] geen aanleiding om in deze zaak anders te oordelen. Hetgeen Dexia in deze procedure overigens nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat Dexia wist en in ieder geval had behoren te weten dat er vergunningplichtig advies werd gegeven.

aansprakelijkheid Dexia

Omdat Dexia ondanks het voorgaande toch met [eisers] de overeenkomsten is aangegaan, heeft zij jegens [eisers] onrechtmatig gehandeld. De onder a. en b. gevorderde verklaringen voor recht acht de kantonrechter daarom toewijsbaar. Omdat de aansprakelijkheid van Dexia met het voorgaande al is vastgesteld, kan de stelling van [eisers] dat Dexia haar precontractuele zorgplichten heeft geschonden door [eisers] niet in niet mis te verstane bewoordingen te waarschuwen voor het risico van een restschuld en door geen onderzoek te doen naar de inkomens- en vermogenspositie van [eisers] als particuliere belegger, verder onbesproken blijven.

schade

[eisers] stelt, verkort weergegeven, dat Dexia gehouden is om de gehele schade van [eisers] te vergoeden, te vermeerderen met wettelijke rente. Door het handelen van Dexia heeft [eisers] effectenleaseovereenkomsten afgesloten die bij een juist handelen van Dexia niet waren afgesloten. De schade die [eisers] daardoor heeft geleden bestaat volgens [eisers] uit de inleg in de overeenkomsten. [eisers] vordert vergoeding van deze schade en stelt dat het causaal verband voor wat betreft die schade. Wel mag het eventueel ontvangen dividend in mindering worden gebracht op de geleden schade.

Volgens Dexia dient, samengevat weergegeven, in het kader van de schadeverdeling rekening te worden gehouden met de eigen schuld van [eisers] Aan beleggen zijn risico's verbonden. Artikel 41 NR 1999 strekt er niet toe om beleggers te beschermen tegen bewust aanvaarde risico's. Bij het vaststellen van de voor vergoeding in aanmerking komende schade dient, op basis van de artikelen 6:95-97 BW en 6:100 BW rekening te worden gehouden met naast dividend en batig saldo.

De kantonrechter overweegt, in navolging van het vonnis van deze rechtbank van 24 juni 2020, dat het door Dexia gedane beroep op eigen schuld van [eisers] Dexia in dit geval niet kan baten. Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer voornoemde arresten Beckers/Dexia en Timmermans/Dexia) eist de billijkheid in beginsel - in geval van schending van artikel 41 NR 1999 - dat bij de verdeling van de schade over de benadeelde particuliere belegger en Dexia op de voet van artikel 6:101 BW, de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft, zowel wat betreft een eventuele restschuld als wat betreft de door de particuliere belegger reeds betaalde rente, aflossing en kosten. Dit geldt ook als de mogelijke financiële gevolgen van de leaseovereenkomst geen onaanvaardbaar zware last (zie HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4003) voor de afnemer vormden.

Dit betekent dat Dexia in het onderhavige geval gehouden is om de gevorderde inleg in de effectenleaseovereenkomsten te vergoeden. Partijen zijn het erover eens dat eventueel ontvangen dividend in mindering mag worden gebracht op de geleden schade. [eisers] heeft onbetwist aangevoerd dat dit leidt tot een schadebedrag van € 24.224,10. Dit bedrag zal daarom worden toegewezen. In verband hiermee zal de griffier nog overgaan tot bijheffing van griffierecht (er is thans € 543,00 verschuldigd in plaats van € 90,00).

De door [eisers] gevorderde wettelijke rente over de geleden schade, telkens vanaf de dag dat [eisers] aan Dexia heeft betaald, acht de kantonrechter eveneens toewijsbaar (zie het arrest van de Hoge Raad van 1 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1198).

buitengerechtelijke kosten

Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.

proceskosten

Dexia wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:

- dagvaarding € 144,47

- griffierecht € 543,00

- salaris gemachtigde € 434,00 (2 punten x tarief € 217,00)

- nakosten € 100,00

totaal € 1.221,47

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

7. De beoordeling in reconventie

De in conventie toegewezen vergoeding van schade staat in de weg aan de gevorderde verklaring voor recht dat Dexia niets meer is verschuldigd aan [eisers] De vordering in reconventie zal daarom worden afgewezen.

Dexia zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] worden vastgesteld op € 434,00 aan salaris gemachtigde (2 punten × € 217,00).

8. De beslissing

De kantonrechter

in het incident

verklaart Dexia niet-ontvankelijk;

veroordeelt Dexia in de kosten van het incident aan de zijde van [eisers] tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 217,00;

in conventie

verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld;

verklaart voor recht dat [eisers] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatige handelen van Dexia en dat Dexia gehouden is om deze schade aan [eisers] te vergoeden;

veroordeelt Dexia tot betaling van de door [eisers] geleden schade ter hoogte van € 24.224,10, te vermeerderen met wettelijke rente, telkens vanaf de dag der door [eisers] gedane betalingen tot aan de dag van volledige betaling en te voldoen binnen drie weken na betekening van dit vonnis;

veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 1.221,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Dexia niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

veroordeelt Dexia in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;

verklaart dit vonnis in conventie uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de veroordelingen in 8.5, 8.6 en 8.7.;

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

wijst de vordering af;

veroordeelt Dexia in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden vastgesteld op € 434,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Bootsma, kantonrechter, en op 8 september 2026 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: 692/wj

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R. Bootsma

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand