[belanghebbende 1] , uit [woonplaats] , belanghebbende
en
De inspecteur van de Belastingdienst/ Kantoor Leeuwarden, de inspecteur(gemachtigde: [naam 1] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 3 oktober 2025.
De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 31 juli 2025 een naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting opgelegd van € 10.825. Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur bij beschikking een bedrag van € 1.790 belastingrente in rekening gebracht en een verzuimboete opgelegd van € 720.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag en de verzuimboete afgewezen en het bezwaar tegen de hoogte van de belastingrente aangehouden in verband met de massaal bezwaarprocedure. Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 22 juni 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van de inspecteur, bijgestaan door mr. [naam 1] en taxateurs [taxateur] en [taxateur] . Belanghebbende is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Hierop heeft de griffier telefonisch contact opgenomen met belanghebbende. Belanghebbende heeft tijdens dit contact aangegeven dat hij de uitnodiging voor de zitting niet heeft geraadpleegd. Belanghebbende is bij digitaal bericht onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd om ter zitting te verschijnen. Blijkens de bij het hiervoor genoemde bericht opgeslagen data in de digitale postkamer van de rechtbank, is het bericht op 29 april 2026 om 12:33 uur geplaatst in het webportaal ‘Mijn Rechtspraak’. Tegelijkertijd is belanghebbende per e-mailbericht naar het door hem opgegeven e-mailadres in kennis gesteld van de plaatsing van het bericht. Gelet hierop is belanghebbende tijdig en op de juiste wijze uitgenodigd voor de zitting en heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting doorgang laten vinden.
Feiten
2.
Belanghebbende was gehuwd met [naam 2] (de ex-partner). Belanghebbende en de ex-partner waren gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, waarbij iedere gemeenschap van goederen was uitgesloten.
Vanwege de echtscheiding tussen belanghebbende en de ex-partner zijn zij op 17 december 2020 een ouderschapsplan/scheidingsconvenant overeengekomen (het scheidingsconvenant). In het scheidingsconvenant staat in artikel 6, derde lid - voor zover van belang - het volgende: “Partijen komen overeen dat in het kader van de finale verrekening van de overgespaarde inkomsten de man aan de vrouw een bedrag van € 311.907,= zal voldoen. Dit is een vaststellingsovereenkomst.
Even verderop, in artikel 6, vierde lid, onderdeel B staat - voor zover van belang: “De woning + bedrijfsgebouwen gesitueerd aan [adres 1] , welke in eigendom toebehoren aan de vrouw zal de vrouw bij gelegenheid van betaling van het in artikel 6.3 genoemde bedrag aan de man leveren. De man is volledig aansprakelijk voor de mogelijke fiscale gevolgen van deze levering. De mogelijk verschuldigde overdrachtsbelasting komt geheel voor rekening en risico van de man.”
Op 11 april 2022 heeft belanghebbende van de ex-partner het woonhuis met bedrijfsopstallen, erf, tuin en verdere aanhorigheden aan de [adres 1] (de onroerende zaak) verkregen. In de akte van levering staat onder meer het volgende vermeld: “Voor de heffing van de overdrachtsbelasting wordt door koper: - aan de woning met aanhorigheden een waarde toegekend van tweehonderdveertienduizend euro (€ 214.000,00); en - aan de bedrijfsopstallen met aanhorigheden een waarde toegekend van tweehonderdzesentwintigduizend euro (€ 226.000,00).
en
“Koper verklaart dat hij de woning met aanhorigheden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken en past daarom hierop het lage tarief voor de overdrachtsbelasting toe. Voor wat betreft de bedrijfsopstallen doet koper een beroep op het bepaalde in artikel 15 lid 1 letter i van de wet op belastingen van rechtsverkeer, aangezien deze zaken zijn aangebracht door of in opdracht en voor rekening van koper. Door koper wordt aan de bij de bedrijfsopstallen behorende (onder)grond geen waarde toegekend.”
De WOZ-waarde van de onroerende zaak bedroeg op waardepeildatum 1 januari 2022 € 440.000.
Belanghebbende heeft 2% overdrachtsbelasting (€ 4.280) op aangifte voldaan over de verkrijging van het woondeel van de onroerende zaak, uitgaande van een waarde van € 214.000.
Bij het opleggen van de naheffingsaanslag is de inspecteur uitgegaan van een totale waarde van de onroerende zaak van € 600.000, waarvan hij € 395.250 heeft toegerekend aan het woondeel en € 90.000 aan de ondergrond van de bedrijfsopstallen (de bedrijfsgrond). De inspecteur heeft deze waarden ontleend aan de waardebeoordeling die met datum 14 juli 2025 door taxateur [taxateur] is opgesteld. De inspecteur heeft de verschuldigde overdrachtsbelasting berekend op 2% over het woondeel (€ 7.905) en 8% over de bedrijfsgrond (€ 7.200). Gelet hierop heeft de inspecteur een naheffingsaanslag opgelegd van € 10.825. Gelijktijdig heeft de inspecteur bij beschikking een verzuimboete opgelegd van 10% van de nageheven overdrachtsbelasting over de bedrijfsgrond, die daarom € 720 bedraagt, en € 1.790 aan belastingrente in rekening gebracht.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt eerst of artikel 3, lid 1, onderdeel b van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR) van toepassing is op de verkrijging van de onroerende zaak door belanghebbende. Als deze vraag ontkennend wordt beantwoord, beoordeelt de rechtbank vervolgens of de naheffingsaanslag, boete- en belastingrentebeschikking door de inspecteur terecht en tot de juiste bedragen aan belanghebbende zijn opgelegd. Hierbij gaat het om de gehanteerde waarde van de hele onroerende zaak en de toedeling van deze waarde aan de verschillende onderdelen. De rechtbank beoordeelt deze vragen aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
4. De rechtbank is van oordeel dat artikel 3, lid 1, onderdeel b van de WBR niet van toepassing is. Verder is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur terecht is uitgegaan van een waarde van € 600.000 voor de hele onroerende zaak, maar dat hij de onderverdeling van deze waarde in waarden voor het woondeel, de bedrijfsopstallen respectievelijk de bedrijfsgrond niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank vermindert de naheffingsaanslag tot een naheffingsaanslag berekend over een waarde van € 309.000 voor het woondeel en € 65.000 voor de bedrijfsgrond. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de verzuimboete moet worden verminderd tot een symbolisch bedrag van € 1. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is artikel 3, lid 1, onderdeel b van de WBR van toepassing?
In artikel 3, eerste lid onderdeel b, van de WBR, is - voor zover van belang - bepaald dat niet als een verkrijging wordt aangemerkt de verkrijging krachtens verdeling van een huwelijksgemeenschap waarin de verkrijger was gerechtigd als rechtverkrijgende onder algemene titel.
Belanghebbende stelt - samengevat - dat artikel 3, lid 1, onderdeel b van de WBR van toepassing is omdat bij de verdeling in het kader van de echtscheiding de huwelijkse voorwaarden effectief niet meer bleken te gelden. Hierdoor is in het geheel geen overdrachtsbelasting verschuldigd, aldus belanghebbende. De inspecteur voert - ook samengevat - aan dat deze bepaling niet van toepassing is omdat de onroerende zaak tot het vermogen van de ex-partner behoorde en iedere gemeenschap van goederen was uitgesloten tussen belanghebbende en de ex-partner.
De rechtbank is van oordeel dat artikel 3, lid 1, onderdeel b van de WBR niet van toepassing is op de verkrijging van de onroerende zaak door belanghebbende. De rechtbank overweegt dat belanghebbende en de ex-partner onder huwelijkse voorwaarden waren gehuwd, waarbij iedere gemeenschap van goederen was uitgesloten. Bij de formalisering van de echtscheiding is vervolgens op grond van het geldende familierecht bepaald dat de huwelijkse voorwaarden geen effect sorteerden. De stelling van belanghebbende dat dit dan ook moet gelden voor de overdrachtsbelasting vindt geen steun in het recht. In de wettelijke bepalingen van de overdrachtsbelasting wordt namelijk niet aangesloten bij de vermogensrechtelijke regelingen van het familierecht in gevallen zoals dit. Het negeren van de huwelijkse voorwaarden is dus puur een kwestie van huwelijksvermogensrecht: hoeveel (in euro’s) heeft de een tegoed van de ander? De eigendomsverhoudingen blijven overeind (daarom moest er ook nog ‘gewoon’ geleverd worden). Deze goederenrechtelijke werkelijkheid geldt ook fiscaalrechtelijk. Belanghebbende heeft van zijn ex-partner in goederenrechtelijke zin een onroerende zaak geleverd gekregen. Over deze verkrijging is in beginsel overdrachtsbelasting verschuldigd. Artikel 3, lid 1, onderdeel b van de WBR ziet alleen op de verdeling van een goederengemeenschap, die in het geval van belanghebbende niet bestond en ook nooit heeft bestaan.
Dient te worden aangesloten bij WOZ-waarde van de onroerende zaak?
6.
Belanghebbende stelt dat de WOZ-waarde leidend is voor de waardebepaling. De rechtbank vat deze stelling zo op dat belanghebbende hiermee bedoelt dat voor de heffing van overdrachtsbelasting als uitgangspunt moet worden aangesloten bij de WOZ-waarde van de onroerende zaak, die op 1 januari 2022 € 440.000 bedroeg, en dat de uiteindelijk te belasten grondslag in ieder geval niet hoger kan zijn dan dit bedrag.
De rechtbank overweegt dat de WOZ-waarde slechts één keer per jaar wordt vastgesteld, namelijk naar de waardepeildatum die (ruim) een jaar voor het belastingjaar is gelegen, terwijl in deze zaak moet worden gezocht naar de waarde die de onroerende zaak op 11 april 2022 had. De WBR kent een eigen waardebegrip, namelijk de waarde in het economische verkeer. In de ideale wereld zou de waarde die voor de WBR wordt gehanteerd misschien (vrijwel) gelijk zijn aan de WOZ-waarde, maar de waarde voor de WBR kan en moet geheel zelfstandig worden vastgesteld. Omdat de waarde voor de WOZ(-beschikking) op een andere manier (vaak geautomatiseerd) en door een ander bestuursorgaan wordt vastgesteld dan voor de overdrachtsbelasting, kunnen waarderingsverschillen ontstaan. De beroepsgrond van belanghebbende dat de WOZ leidend is voor de waardebepaling slaagt daarom niet. Wel kan de WOZ-waarde, ook in het kader van de WBR, dienen als indicatie van de waarde die voor de WBR in aanmerking moet worden genomen.
Heeft de inspecteur het woondeel en de bedrijfsgrond te hoog gewaardeerd?
7.
Partijen verschillen van mening over de totale waarde van de onroerende zaak en over de toedeling van deze waarde aan de verschillende onderdelen. Belanghebbende heeft aan het woondeel € 214.000 toegerekend, aan de bedrijfsopstallen € 226.000 en geen waarde aan de bedrijfsgrond. De inspecteur heeft € 395.250 toegerekend aan het woondeel, € 114.750 aan de bedrijfsopstallen en € 90.000 aan de bedrijfsgrond. De inspecteur wijst ter onderbouwing van de door hem gehanteerde waarde(n) op de waardebeoordeling die door een taxateur is opgesteld. Hierin is enerzijds de onroerende zaak van belanghebbende gewaardeerd aan de hand van drie referentieverkopen ( [adres 2] / [adres 3] , [adres 4] en [adres 5] ). Anderzijds is voor wat betreft de bedrijfsgrond de waarde afgeleid uit een vijftal losse bouwgrondtransacties.
De inspecteur moet de waarden die hij hanteert als heffingsmaatstaf voor de naheffingsaanslag aannemelijk maken. De inspecteur zit hierbij in een lastig parket, omdat belanghebbende hem niet heeft toegestaan om bij de woning te komen kijken voor een waardering/taxatie ter plaatse. De inspecteur heeft daarom de waarde van de onroerende zaak moeten afleiden uit een aantal referentieverkopen. Van deze referenties acht de rechtbank vooral de eerste twee, beide ook gelegen aan de [adres 1] , op het eerste oog redelijk goed vergelijkbaar. Deze referenties hebben met elkaar gemeen dat ze verkocht zijn voor een prijs boven de € 600.000, op data rondom de leveringsdatum van de onroerende zaak van belanghebbende. Verder leidt de rechtbank uit onderdeel 2.3.4. van de waardebeoordeling af dat zowel de bebouwde vierkante meters woon- en bedrijfsdeel als de totale oppervlakte van de percelen van de referenties kleiner zijn dan die van de onroerende zaak van belanghebbende. Dat rechtvaardigt het vermoeden dat de onroerende zaak van belanghebbende in totaal wel ongeveer € 600.000 waard was ten tijde van de levering. Met de omstandigheid dat de onroerende zaak van belanghebbende wat de staat van onderhoud betreft matig scoort, is dan – zonder nadere specificaties daarover – voldoende rekening gehouden. De inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat de totale waarde € 600.000 was. De rechtbank neemt deze waarde daarom over als waarde voor de hele onroerende zaak.
Wat betreft de toedeling van de totale waarde van € 600.000 aan de verschillende onderdelen overweegt de rechtbank dat zij wel moeite heeft met de waarde die is toegerekend aan het bedrijfsdeel. Het gaat dan om de bedrijfsopstallen die volgens de waardebeoordeling van de inspecteur op pagina 9 uitkomen op € 117.800 en die de inspecteur naar beneden heeft afgerond op ongeveer € 115.000. Op pagina 10 staat dat bij de referenties [adres 2] / [adres 3] en [adres 4] de waarde voor het bedrijfsdeel in de akte van levering is bepaald op € 150.000. Hoe groot deze bedrijfsdelen zijn, volgt niet uit de waardeboordeling, maar wel dat dit ligt tussen de 150 en 225 m². Vast staat dat de bedrijfsopstallen van de onroerende zaak van belanghebbende 589 m² beslaan, dus ten minste ruim twee keer groter zijn dan die van de referenties. Het ligt wat de rechtbank betreft dan voor de hand dat de waarde van de bedrijfsopstallen van de onroerende zaak van belanghebbende, ook als rekening wordt gehouden met de algehele staat en met de bedrijfsgrond, een stuk hoger ligt dan de door de inspecteur gehanteerde € 115.000. De inspecteur heeft hierover geen concrete stellingen ingenomen en ook geen plausibele verklaring gegeven voor dit in het oog springende verschil. Het bedrag van € 226.000 dat belanghebbende aan de bedrijfsopstallen heeft toegerekend, komt de rechtbank in dit verband niet vreemd voor en acht de rechtbank aannemelijk.
Wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, betekent bij elkaar genomen dat de rechtbank uitgaat van een totale waarde van de onroerende zaak van € 600.000, maar dat hiervan het bedrijfsdeel van € 226.000 is vrijgesteld. Dit betekent dat de te belasten waarde € 374.000 bedraagt. Vervolgens is de vraag hoeveel van dit bedrag is toe te rekenen aan het woondeel en hoeveel aan de bedrijfsgrond.
De inspecteur heeft aangegeven dat rekening is gehouden met het gegeven dat de onroerende zaak, als deze zou worden overgedragen aan een derde, vermoedelijk wordt gesloopt, zodat sloopkosten en kosten voor herinrichting van het terrein zijn meegenomen. In dat verband heeft de inspecteur correcties toegepast op het uitgangspunt dat de m²-prijs voor de 2.500 m² bedrijfsgrond € 75 is. Over dat laatste overweegt de rechtbank dat zij steun ziet voor dit uitgangspunt in de bouwgrondtransacties die de inspecteur heeft aangevoerd. De rechtbank ziet echter niet dat de inspecteur (voldoende) rekening heeft gehouden met de gemotiveerde stelling van belanghebbende dat de bedrijfsgrond lager moet worden gewaardeerd omdat deze voor een flink deel is onderkelderd (er ligt zo’n 1.000 m3 beton). Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt deze omstandigheid een afzonderlijke waardevermindering. Een potentiële koper die de keuze heeft tussen het perceel van belanghebbende en een perceel dat verder precies hetzelfde is, maar dan zonder een aanzienlijke ‘betonbak’ in de grond, zal doorgaans de voorkeur geven aan het perceel zonder de ‘betonbak’, omdat daar makkelijker weer op te bouwen is.
Over de waarde die dan aan de bedrijfsgrond moet worden toegerekend, overweegt de rechtbank dat belanghebbende wel heeft gesteld dat deze nihil is, maar onvoldoende concreets heeft aangevoerd om deze conclusie te rechtvaardigen. Over de kosten van de ontmanteling van de betonbak tast de rechtbank in het duister. De rechtbank stelt de waarde van de bedrijfsgrond daarom schattenderwijs vast op € 65.000. Dat betekent dat voor de woning (eveneens schattenderwijs vastgesteld) een waarde van € 309.000 resteert (€ 374.000 min € 65.000).
Tussenconclusie
8. Omdat de rechtbank aan de woning een waarde van € 309.000 toerekent en aan de bedrijfsgrond € 65.000, moet de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting worden verminderd tot € 7.100. Dit betekent dat het beroep gegrond is.
Is de belastingrente correct berekend?
Omdat de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting wordt verminderd, dient de belastingrente dienovereenkomstig te worden verminderd. De rechtbank beoordeelt hierna of aanleiding bestaat voor een verdere vermindering van de belastingrente.
Belanghebbende heeft in zijn beroepschrift aangegeven het niet eens te zijn met de berekening van de belastingrente. Voor zover belanghebbende hiermee bedoelt dat het percentage belastingrente te hoog is, overweegt de rechtbank dat zijn bezwaar in zoverre via de zogenoemde massaal bezwaarprocedure liep. Op 25 februari 2026 heeft de inspecteur in deze zaken naar aanleiding van een arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026 een collectieve uitspraak op bezwaar gedaan. De uitkomst hiervan is dat het in rekening gebrachte percentage juridisch houdbaar is.
Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat geen belastingrente mag worden berekend omdat de inspecteur (te) lang heeft gedaan over het opleggen van de naheffingsaanslag, overweegt de rechtbank als volgt. Voor het opleggen van een naheffingsaanslag geldt een wettelijke termijn van vijf jaar, na het einde van het kalenderjaar waarin de belasting had moeten worden betaald. Aan degene aan wie een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting is opgelegd, wordt belastingrente in rekening gebracht, ingeval de naheffingsaanslag is vastgesteld na het einde van het kalenderjaar waarop de nageheven belasting betrekking heeft. De belastingrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag volgend op het kalenderjaar waarop de nageheven belasting betrekking heeft en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de naheffingsaanslag invorderbaar is. De rechtbank stelt vast dat de belastingrente is berekend conform de wettelijke bepalingen en ziet geen aanleiding voor een vermindering. De Belastingdienst mag zijn werkprocessen in beginsel vrij inrichten, dat geldt dus ook voor de controle van ingediende aangiften overdrachtsbelasting. Alleen als de inspecteur hierbij de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zou schenden, kan dat anders zijn, maar daarvan is hier niet gebleken. De inspecteur mag – bezien vanuit het perspectief van de belastingrente – dus de hele naheffingstermijn gebruiken.
Is de verzuimboete terecht en niet te hoog vastgesteld?
10.
De inspecteur heeft aan belanghebbende bij het vaststellen van de naheffingsaanslag een verzuimboete opgelegd. Het niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn betalen van belasting welke op aangifte moet worden voldaan vormt een verzuim ter zake waarvan de inspecteur de belastingplichtige een boete kan opleggen. Alleen in geval van afwezigheid van alle schuld (avas) of als sprake is van een pleitbaar standpunt wordt geen verzuimboete opgelegd.
De inspecteur heeft een verzuimboete opgelegd voor zover de naheffingsaanslag ziet op de waarde van de bedrijfsgrond, die de inspecteur op € 90.000 had bepaald. Omdat deze waarde naar het oordeel van de rechtbank te hoog is en moet worden verlaagd tot € 65.000, wordt ook de grondslag voor de verzuimboete in ieder geval verlaagd tot € 65.000 en daarmee de boete tot € 520. De rechtbank beoordeelt hierna of aanleiding bestaat voor een verdere vermindering of vernietiging van de boete.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van avas. Daarvan is sprake als belanghebbende geen enkel verwijt kan worden gemaakt voor het niet (volledig) voldoen van de verschuldigde belasting. Dat is hier niet komen vast te staan. Ook kan geen sprake zijn van een pleitbaar standpunt, omdat het geschil alleen gaat over de waardering van de onroerende zaak en (dus) niet ziet op een juridische uitleg of interpretatie van het recht. Dat betekent dat op zichzelf terecht een boete is opgelegd.
Over de hoogte van de boete overweegt de rechtbank dat de boete op zichzelf is opgelegd overeenkomstig het geldende boetebeleid van de Belastingdienst. De rechtbank moet echter zelfstandig toetsen of een boete van € 520 (zie 10.2) in de concrete omstandigheden van het geval wel passend en geboden is.
Het doel van een verzuimboete is - kort gezegd - om de nakoming van fiscale verplichtingen door belastingplichtigen te stimuleren. De rechtbank overweegt dat in gevallen zoals dat van belanghebbende een verzuimboete vooral op zijn plaats is als iemand een onroerende zaak geleverd krijgt, maar geen aangifte indient of de overdrachtsbelasting niet voldoet. Daarvan is hier geen sprake: belanghebbende heeft tijdig aangifte gedaan én de overdrachtsbelasting conform deze aangifte voldaan. Belanghebbende heeft in de akte van levering een onderscheid aangebracht tussen de waarde van de woning en de bedrijfsopstallen en uitdrukkelijk aangegeven dat de waarde van de bedrijfsgrond op nihil is gesteld. Voor dat laatste had belanghebbende ook een reden. De informatievoorziening was dus op orde (er werd niets weggemoffeld of vaag gehouden), zodat de inspecteur gericht vragen kon stellen en kon gaan controleren. Ten slotte heeft belanghebbende voor de totale waarde van de onroerende zaak aangesloten bij de WOZ-waarde, wat op zichzelf al niet erg vreemd is en waarvoor hij ook een reden had. Dat er na de voldoening van de overdrachtsbelasting discussie kan ontstaan over de precieze berekening en grondslag daarvan, zoals hier over de totale waarde en de precieze verdeling hiervan over de verschillende onderdelen, moge zo zijn maar maakt het gedrag van belanghebbende in de ogen van de rechtbank niet boetewaardig. Onder de genoemde omstandigheden heeft het opleggen van een verzuimboete naar het oordeel van de rechtbank geen enkele functie. Omdat er geen sprake is van avas of een pleitbaar standpunt, zal de rechtbank de boete verlagen tot een symbolisch bedrag van € 1.
Conclusie en gevolgen
11.
Het beroep tegen de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar.
Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting tot € 7.100 en vermindert de bijbehorende belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;
- vermindert de verzuimboete tot € 1;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Heidekamp, rechter, in aanwezigheid van mr.M.A. Veenstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.