RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht Locatie Leeuwarden
parketnummer 18/228872-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 28 september 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 september 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P. Bonthuis, advocaat te Haskerdijken. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D.P. Menting.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 januari 2025 te [adres] , gemeente Súdwest-Fryslân, in elk geval in Nederland met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer]
(geboren op [geboortedatum] 2012) een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
2
hij in of omstreeks de periode van 1 september 2024 tot en met 31 januari 2025 te [adres] , gemeente Súdwest-Fryslân, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal,
een of meer visuele weergaven van seksuele aard en/of met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2012) was betrokken of schijnbaar was betrokken
heeft
vervaardigd en/of verworven en/of
in bezit heeft gehad
te weten fotografische afbeeldingen en/of video's (via de applicatie Snapchat), waarop te zien is dat:
die persoon vaginaal wordt gepenetreerd met een (eigen) vinger en/of het geslachtsdeel, de billen en/of de borsten van die persoon met een (eigen) vinger en/of hand wordt/worden aangeraakt en/of
die persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij
3
hij in of omstreeks de periode van 1 september 2024 tot en met 31 janbuari 2025 te [adres] , gemeente Súdwest-Fryslân, in elk geval in Nederland een kind beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer] getuige heeft doen zijn van een handeling en/of een visuele weergave van seksuele aard en/of met een onmiskenbaar seksuele strekking op een wijze die schadelijk te achten was voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, door 100, althans een hoeveelheid dickpics en/of afbeeldingen/video's waarop hij, verdachte, aan het masturberen is en/of klaarkomt toe te sturen.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feiten 1, 2 en 3.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 1, met uitzondering van het derde gedachtestreepje, en feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van het derde gedachtestreepje van feit 1 heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Daartoe heeft hij aangevoerd dat verdachte heeft verklaard dat aangeefster zelf haar hand naar de penis van verdachte heeft gebracht en dat zij hem niet heeft afgetrokken.
De raadsman heeft vrijspraak van feit 3 bepleit. Daartoe heeft hij aangevoerd dat bij de beoordeling of de door verdachte aan aangeefster gestuurde dickpics schadelijk voor haar zijn te achten, moet worden uitgegaan van de concrete omstandigheden van het geval en niet van een beoordeling in abstracto.
Volgens de raadsman kan niet worden vastgesteld dat de dickpics in dit concrete geval schadelijk voor aangeefster waren. Daarbij heeft hij aangevoerd dat aangeefster zelf eveneens een groot aantal afbeeldingen waarop seksuele handelingen zijn te zien, aan verdachte heeft gestuurd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Bewijsoverwegingen
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Ten aanzien van feit 1
De rechtbank gaat op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting uit van navolgende feiten en omstandigheden.
Verdachte heeft in januari 2025 afgesproken met aangeefster. Tijdens deze ontmoeting hebben tussen verdachte en aangeefster seksuele handelingen plaatsgevonden. Zowel aangeefster als verdachte heeft verklaard dat zij hebben gezoend, waaronder tongzoenen, en dat verdachte daarbij haar borsten heeft aangeraakt. Ten aanzien van het derde gedachtestreepje, het door verdachte brengen van de hand van aangeefster naar zijn penis en zich vervolgens door haar laten aftrekken, lopen de verklaringen van verdachte en aangeefster uiteen. Aangeefster verklaart dat verdachte haar hand naar zijn penis heeft gebracht, terwijl verdachte verklaart dat zijzelf haar eigen hand naar de penis van verdachte heeft gebracht.
De rechtbank overweegt dat de door aangeefster afgelegde verklaring authentiek overkomt, gedetailleerd en op zichzelf consistent is en geen evidente ongerijmdheden bevat. De rechtbank acht haar verklaring
daarom geloofwaardig en zal deze tot het bewijs bezigen. Op grond daarvan acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hand van aangeefster naar zijn penis heeft gebracht. De rechtbank spreekt verdachte evenwel vrij van het resterende gedeelte van dit gedachtestreepje, te weten het door aangeefster laten aftrekken van zijn penis. Aangeefster heeft hierover niet verklaard, zodat dit onderdeel naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Ten aanzien van feit 3
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat bij de beoordeling of de door verdachte aan aangeefster gestuurde dickpics schadelijk voor haar zijn te achten, moet worden uitgegaan van de concrete omstandigheden van het geval en niet van een beoordeling in abstracto.
Daartoe overweegt de rechtbank dat bij de beoordeling van de schadelijkheid van dergelijk materiaal van belang is of sprake is van niet-leeftijdsconform seksueel gedrag dat de seksuele ontwikkeling van een kind kan schaden. Voor de vaststelling van schadelijkheid is niet vereist dat daadwerkelijk schade aan de seksuele ontwikkeling is ontstaan.
De rechtbank is van oordeel dat de door verdachte aan aangeefster gestuurde fotos van zijn geslachtsdeel en de videos waarop te zien is dat verdachte masturbeert en klaarkomt, gelet op de aard en inhoud daarvan, naar hun aard schadelijk zijn voor kinderen van de leeftijd van aangeefster. De omstandigheid dat aangeefster zelf eveneens seksueel getinte afbeeldingen en filmpjes aan verdachte heeft gestuurd, doet daar niet aan af. De rechtbank acht feit 3 derhalve wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1
hij in de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 januari 2025 te [adres] , gemeente Súdwest-Fryslân, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2012) seksuele handelingen heeft verricht, te weten
2
hij in de periode van 1 september 2024 tot en met 31 januari 2025 in Nederland, visuele weergaven van seksuele aard waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2012) was betrokken, heeft verworven en in bezit heeft gehad, te weten fotografische afbeeldingen en video's (via de applicatie Snapchat), waarop te zien is dat: die persoon vaginaal wordt gepenetreerd met een eigen vinger en het geslachtsdeel, de billen en de borsten van die persoon met een eigen hand wordt aangeraakt en/of
die persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en in een erotisch getinte houding op een wijze die niet bij haar leeftijd past;
3
hij in de periode van 1 september 2024 tot en met 31 januari 2025 in Nederland een kind beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer] getuige heeft doen zijn van een visuele weergave van
seksuele aard op een wijze die schadelijk te achten was voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, door een hoeveelheid dickpics en video's waarop hij, verdachte, aan het masturberen is en klaarkomt toe te sturen.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de feiten 1, 2 en 3 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Ook heeft de officier van justitie een locatie- en contactverbod gevorderd in het kader van de vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en verzocht deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit aan verdachte een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, bij de door de reclassering geadviseerde voorwaarden, waaronder het contactverbod met betrekking tot aangeefster. De raadsman heeft gevraagd niet het contact- en locatieverbod in het kader van de maatregel van artikel 38v Sr op te leggen.
Het oordeel van de rechtbank
Algemeen
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de hierna genoemde rapportage, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 17 augustus 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.
Ernst van de feiten
Verdachte, toen 23/24 jaar oud, heeft zich in de bewezenverklaarde periode van september 2024 tot en met januari 2025 schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van zijn toen 12-jarige nichtje. Hij heeft haar fotos gestuurd van zijn ontblote penis en filmpjes waarin hij masturbeert. Hiermee heeft hij haar geconfronteerd met beeldmateriaal waarvoor zij veel te jong was. Verdachte heeft verder van zijn nichtje seksueel getinte fotos en filmpjes ontvangen waarop zij seksuele handelingen met zichzelf uitvoerde.
Hiermee heeft hij kinderpornografische afbeeldingen verkregen, die op zichzelf al schadelijk zijn, maar waarbij het gevaar bestaat dat deze ook voor anderen online beschikbaar komen. Voor het slachtoffer was het erg beschamend dat een naast familielid haar geslachtsdelen heeft gezien. Ook heeft verdachte haar getongzoend, haar borsten betast en haar zijn penis laten aanraken. Verdachte is daarmee de grens overgegaan van digitale naar hands-on seksuele handelingen, wat haar lichamelijke integriteit nog verder heeft geschonden.
Verdachte heeft verklaard dat zijn nichtje hem uitdaagde met vleiende opmerkingen en prikkelend gedrag waardoor hij opgewonden raakte. Hoewel verdachte wist dat hij fout bezig was, kon hij aan die opwinding geen weerstand bieden. Tegen het slachtoffer zei verdachte dat zij aan niemand mocht vertellen wat zij deden. En toen het slachtoffer hem uiteindelijk liet weten dat zij haar ouders wilde gaan vertellen wat verdachte met haar had gedaan, probeerde hij haar te overtuigen dat niet te doen omdat dit hem in de problemen zou brengen en hun familie zou verscheuren.
Verdachte heeft bij de politie en ter zitting de meeste handelingen bekend. Dat valt in hem te prijzen. Maar de rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij als volwassene niet de volledige verantwoordelijkheid voor zijn daden heeft genomen. Hij legt immers de schuld van zijn daden deels bij zijn nichtje, omdat zij hem ook fotos en filmpjes van zichzelf stuurde en zij hém uitdaagde. Verdachte lijkt niet doordrongen van het feit dat juist hij de volwassene was die weerstand had moeten bieden aan zijn nichtje en zijn lustgevoelens. Dat rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Het slachtoffer heeft langdurig hulp nodig gehad om een begin te maken aan herstel van het leed dat verdachte haar heeft aangedaan. Daarnaast is binnen de familie de impact van zijn daden groot, nu er twee kampen zijn ontstaan die elkaar niet meer zien. Dat het jonge slachtoffer hiermee is afgesneden van een deel van haar familie en zelfs verantwoordelijk wordt gehouden voor de familiebreuk omdat zij over het misbruik is gaan praten, is onterecht en bijzonder pijnlijk.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad d.d. 17 augustus 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van de reclassering d.d. 18 juni 2026. De reclassering acht het risico op herhaling van strafbare feiten laag tot matig. Risicobeperkend is dat verdachte betaald werk en huisvesting bij zijn ouders heeft. Om het herhalingsgevaar verder te beperken adviseert de reclassering de oplegging van voorwaarden over contact met de reclassering, behandeling bij de GGZ, verbod op contact met het slachtoffer en het vermijden van digitale omgevingen met seksueel kindermisbruik. Verdachte heeft zich ter zitting gemotiveerd getoond voor behandeling, omdat hij herhaling wil voorkomen.
Op te leggen straf
Gelet op de strafoplegging in soortgelijke zaken en op alles wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf zoals door de verdediging bepleit, niet volstaan. De door officier van justitie gevorderde gevangenisstraf vindt de rechtbank in deze zaak echter te hoog. Een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden acht de rechtbank passend en geboden.
Hiervan zal de rechtbank 6 maanden voorwaardelijk opleggen, met daaraan verbonden de voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd over toezicht, behandeling en gedrag in digitale omgevingen, zodat verdachte daartoe wordt verplicht om herhaling te voorkomen.
De rechtbank zal geen contact- en locatieverbod opleggen, niet als bijzondere voorwaarden noch als afzonderlijke maatregel omdat de rechtbank daar geen reden voor ziet, nu het herhalingsgevaar wordt ingeschat als laag-matig, en verdachte ter zitting heeft verklaard sinds begin 2025 geen contact met het slachtoffer te hebben gehad en daar ook geen enkele behoefte aan te hebben. Van dergelijk contact is de rechtbank ook niet gebleken.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 3.038,88 ter vergoeding van materiële schade en 16.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, met uitzondering van de materiële schadepost die ziet op de toekomstige reiskosten, nu deze kosten onvoldoende bepaald zijn. Ten aanzien van het overige toe te wijzen bedrag heeft de officier van justitie gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en de wettelijke rente toe te passen.
Standpunt van de verdediging
Materiële schade
De raadsman heeft aangevoerd dat de materiële schadevordering, voor zover deze betrekking heeft op de door de ouders van aangeefster gemaakte reiskosten in verband met haar behandelingen, kan worden toegewezen. Daarbij heeft hij verzocht aan te sluiten bij de Wet tarieven in strafzaken en uit te gaan van een kilometervergoeding van 0,28 in plaats van de gevorderde 0,33 per kilometer.
Ten aanzien van de reiskosten die de moeder van aangeefster heeft gemaakt in verband met haar eigen EMDR-behandelingen, heeft de raadsman aangevoerd dat deze kosten niet in rechtstreeks verband staan met het ten laste gelegde feit.
Evenals de officier van justitie stelt de raadsman zich op het standpunt dat de gevorderde toekomstige reiskosten niet voor toewijzing vatbaar zijn, nu deze te onbepaald zijn. Dit deel van de vordering dient derhalve te worden afgewezen.
Immateriële schade
De raadsman heeft verzocht de vordering, ten bedrage van 16.000,00, te matigen tot hoogstens 5.500,00 en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering. Daartoe heeft hij aangevoerd dat onvoldoende duidelijk is wat de omvang van de immateriële schade van aangeefster is.
Volgens de raadsman is niet uitgesloten dat deze schade geringer is dan door de benadeelde partij is gesteld.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Reiskosten behandelingen aangeefster
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feiten 1, 2 en 3 bewezen verklaarde. De rechtbank sluit aan bij de Letselschade Richtlijn Kilometervergoeding en gaat daarom, overeenkomstig de vordering, uit van een vergoeding van 0,33 per kilometer. Dit deel van de vordering, ter hoogte van 1.548,36, zal worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 31 januari 2025.
Reiskosten behandelingen moeder
De rechtbank is, met de verdediging, van oordeel dat de gevorderde reiskosten die de moeder heeft gemaakt in verband met haar eigen behandelingen, ter hoogte van 740,52, geen rechtstreekse schade betreft van het bewezen verklaarde. Dit deel van de vordering zal derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.
Toekomstige reiskosten
Evenals de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde toekomstige reiskosten, ten bedrage van 750,00, onvoldoende bepaald zijn. De rechtbank zal de vordering voor wat betreft dit gedeelte eveneens niet-ontvankelijk verklaren.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft daarnaast vergoeding van immateriële schade gevorderd. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending - bestaande uit het plegen van seksuele handelingen met een minderjarig nichtje, het aan haar toesturen van seksueel beeldmateriaal en het van haar ontvangen van dergelijk beeldmateriaal - met zich meebrengt dat de in dit verband relevante nadelige psychische gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Uit de vordering van de benadeelde partij volgt dat bij aangeefster als gevolg van het handelen van verdachte PTSS is vastgesteld.
De rechtbank stelt een toe te kennen bedrag naar billijkheid vast op 10.000,00 en wijst dit bedrag toe. Zij zoekt daarbij aansluiting bij de bedragen die de gerechten en hoven in vergelijkbare zaken hebben toegekend. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2025, en het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
Veroordeling in de kosten
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 247, 251 en 252 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het onder feiten 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde (zich) gedurende de proeftijd:
digitale omgevingen vermijdt waarin over seksuele handelingen met minderjarigen wordt gecommuniceerd;
geen gebruik maakt van virtuele machines, versleutelprogramma's (zoals Bitlocker, Veracrypt) of applicaties die helpen de identiteit te verbergen (zoals een VPN), tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik (zoals voor werk of voor bankzaken);
inzicht geeft in de wijze waarop hij de omgevingen genoemd onder A) en B) zal vermijden en bespreekt hoe dit verlopen is voor het verstreken deel van de proeftijd.
Het toezicht op de naleving van de onderdelen A) tot en met C) beperkt zich tot geautomatiseerde controles van digitale apparaten (zoals computers, smart devices, USB-sticks, SD-kaarten, externe harde schijven) waarop bestanden kunnen worden opgeslagen en/of waarmee internet kan worden benaderd en die de veroordeelde in gebruik heeft.
De veroordeelde werkt mee aan deze controles tijdens (on)aangekondigde huisbezoeken en verschaft toegang tot alle aanwezige digitale apparaten die veroordeelde in gebruik heeft. Hieronder wordt begrepen het verstrekken van wachtwoorden, codes of andere wijzen van ontgrendeling of ontsluiting zoals vingerafdrukken, die nodig zijn voor toegang. Op verzoek past veroordeelde de instellingen zodanig aan dat controle mogelijk is. De wijzigingen mogen niet leiden tot definitieve wijzigingen aan het apparaat en worden aan het einde van de controle weer teruggezet. De controles worden uitgevoerd door de reclassering. Indien en voor zover noodzakelijk mag de reclassering voor ondersteuning op technisch en digitaal gebied een specialist, niet zijnde een opsporingsambtenaar meenemen. De controles mogen gedurende de proeftijd maximaal drie keer worden uitgevoerd, waarbij de persoonlijke levenssfeer van de veroordeelde zoveel mogelijk wordt geëerbiedigd. De controles strekken er in het bijzonder niet toe een min of meer volledig beeld te krijgen van het persoonlijke leven van de veroordeelde.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
Benadeelde partij
Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:
Verklaart de vordering van [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 11.548,36 (zegge: elfduizend vijfhonderdachtenveertig euro en zesendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 1.548,36 aan materiële schade en 10.000,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 82 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. van den Oever, voorzitter, mr. H. van der Werff en mr. H.C.L. Vreugdenhil, rechters, bijgestaan door mr. J.R. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 september 2026.
Mr. H. van der Werff is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.