RECHTBANK Noord-Nederland
Team Insolventie
Zittingsplaats Leeuwarden
Rekestnummer: NL:TZ:2614859:R-RK
Vonnis van 27 augustus 2026
op het verzoek van
[verzoeker sub 1] ,
geboren op [geboortedatum] 1973 te [woonplaats] ,
en
[verzoeker sub 2] ,
geboren op [geboortedatum] 1975 te [woonplaats] ,
beide wonende op een geheim adres
hierna te noemen: verzoekers.
tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Samenvatting
[verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] hebben verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.
De rechtbank wijst het verzoek af.
1. PROCESGANG
Verzoekers hebben op 9 juni 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 12 augustus 2026. Daarbij zijn verzoekers verschenen tezamen met de heer [schuldhulpverlener van schuldhulpverlenersbedrijf] , Mevrouw [beschermingsbewindvoerder van bewindvoerdersbedrijf] en mevrouw [begeleider van stichting] .
2. RECHTSOVERWEGINGEN
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoekers in Nederland ligt.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
Gebleken is dat verzoekers in de toestand verkeren dat zij hebben opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zullen kunnen voortgaan met betaling van hun schulden.
Goede trouw toets
Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van hun schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. In verband hiermee wordt het volgende overwogen.
Verzoekers zijn gehuwd in gemeenschap van goederen, beide verzoekers hebben schulden laten ontstaan in de afgelopen drie jaar. De totale schuldenlast is €170.885,09. Een groot deel van deze schulden ziet op WAHV-boetes bij het CJIB en naheffingsaanslagen van motorrijtuigenbelasting van de Belastingdienst. De rechtbank stelt daarom vast dat verzoekers ten aanzien van een deel van de schulden niet als te goeder trouw kunnen worden aangemerkt.
Hardheidsclausule
Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule). De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval geen redenen zijn om toepassing te geven aan de hardheidsclausule. Dat wordt als volgt toegelicht.
[verzoeker sub 1] heeft meerdere kentekens op zijn naam bij de RDW. Desgevraagd heeft [verzoeker sub 1] op zitting toegelicht dat hij deze kentekens op naam heeft op verzoek van een vriend van hem. Daarnaast ontvangt [verzoeker sub 1] soms voertuigen van deze vriend als tegenprestatie voor het verrichten van werkzaamheden. [verzoeker sub 1] helpt deze vriend, die handelt onder de naam ‘ [bedrijfsnaam] ’ bij het maken en opbouwen van marktkramen, en krijgt daarvoor soms in natura betaald, waaronder met auto’s en boodschappen, aldus [verzoeker sub 1] . Aanvullend op het verzoekschrift is een uitdraai van de RDW ontvangen, een aantal kentekens die daarop op vermeld stonden staan inmiddels niet meer op naam van [verzoeker sub 1] . [verzoeker sub 1] geeft aan dat hij onlangs twee voertuigen die hij heeft gekregen, heeft doorverkocht. Daarvoor heeft hij contact geld, totaal € 700,00, ontvangen, wat hij heeft gebruikt voor het doen van boodschappen.
De bewindvoerster van verzoekers heeft ter zitting aangegeven dat zij niet op de hoogte is wanneer [verzoeker sub 1] een nieuw kenteken op zijn naam krijgt. Zij zou meermaals hebben aangegeven bij verzoekers dat de situatie niet wenselijk is, maar zonder effect.
De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.
Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting niet voldoende gebleken dat de situatie waarin verzoekers verkeren zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. Ter zitting is nieuwe informatie aan de orde gekomen waaruit de keer ten goede niet is gebleken. Hoewel verzoekers al sinds 2019 onder beschermingsbewind staan, zijn er gedurende die tijd schulden ontstaan en voor is het voor verzoekers ook mogelijk gebleven om kentekens op naam te zetten, in verband waarmee ook weer nieuwe schulden zijn ontstaan, ook kort geleden nog weer. Verzoekers ontvangen naast de participatiewet-uitkering gelden door het verkopen van voertuigen en het is op dit moment onbekend of deze gelden ook zijn doorgegeven aan de gemeente. Hierdoor is er een kans dat er nieuwe schulden ontstaan vanwege terugvordering door de gemeente.
Geen toelating tot de Wsnp
Verzoekers zijn niet te goeder trouw geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van hun schulden. Verzoekers hebben niet voldoende aannemelijk gemaakt dat zij de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van hun schulden, inmiddels onder controle hebben gekregen. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.
Tot slot
Naar het oordeel van de rechtbank is het in het belang van verzoekers en van de schuldeisers dat er eerst gerichte stappen worden gezet in het stabiliseren van de situatie van verzoekers, zodat zij op een later moment kunnen beginnen aan het saneren van hun schulden. Het is daarbij vooral belangrijk dat geen nieuwe schulden meer ontstaan, geen nieuwe kentekens meer op naam worden gezet en niet wordt bijgeklust naast de participatiewet-uitkering.
3. 3. BESLISSING
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Dit is de beslissing van mr. S. van Gessel, rechter, in samenwerking met W.R. Bethlehem, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2026 .