Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van
8. september 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] , ingeschreven te [adres 1] ,
thans gedetineerd in de [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 25 augustus 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.A. Pots, advocaat te Leeuwarden.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D.P. Menting.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Parketnummer 18-071374-26
zij op of omstreeks 8 maart 2026 te Drachten, althans in de gemeente Smallingerland, opzettelijk brand heeft gesticht in een woning aan de [adres 1] door een (brandende) aansteker, althans open vuur, in aanraking te brengen met een matras en/of dekbed, althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan brand is ontstaan terwijl daarvan
Parketnummer 18-040036-26
zij op of omstreeks 11 november 2025, te Drachten, in de gemeente Smallingerland, althans in Nederland, opzettelijk een minderjarige, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 201, heeft onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefende, terwijl die minderjarige beneden de twaalf jaren oud was;
Parketnummer 18-332629-25
zij op of omstreeks 26 juni 2025, te Drachten, in de gemeente Smallingerland, althans in Nederland, opzettelijk een minderjarige, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2021, heeft onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefende, terwijl die minderjarige beneden de twaalf jaren oud was.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor alle ten laste gelegde feiten. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de ten laste gelegde brandstichting (parketnummer18-071374-26) bewezen kan worden op basis van de aangifte, de processen-verbaal van bevindingen van de politie, het rapport van de forensische opsporing en de bekennende verklaring van verdachte. Op basis van het rapport van de forensische opsporing kan ook worden vastgesteld dat er sprake was van gemeen gevaar voor goederen. Daarnaast kan ook bewezen worden dat, hoewel dit niet is onderzocht door de forensische opsporing, levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was voor anderen. De brand is gesticht in een tussenwoning. Dit maakt dat de brand zich snel had kunnen uitbreiden en over kon slaan. Daarnaast was de bewoonster van één van de aangrenzende woningen thuis op het moment van de brand. Door de brand is water- en roetschade ontstaan aan deze woning.
Ook kan bewezen worden dat verdachte haar minderjarige dochter [slachtoffer] op twee momenten heeft onttrokken aan het opzicht van de voogd (parketnummer 18-040036-26 en 18-332629-25). Er is aangifte gedaan namens de gecertificeerde instelling die de kinderbeschermingsmaatregelen over [slachtoffer] uitvoert en verdachte heeft bekend dat zij haar dochter op twee momenten heeft meegenomen, terwijl dit niet mocht.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte partieel moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde brandstichting (parketnummer 18-071374-26), aangezien niet bewezen kan worden dat er sprake was van te duchten levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat er slechts beperkt onderzoek is gedaan naar de vraag of in de naastgelegen woningen personen aanwezig waren op het moment van de brand. Achteraf is vastgesteld dat slechts in één aangrenzende woning iemand aanwezig was. Het enkele feit dat de woning van verdachte een tussenwoning betrof is onvoldoende om aan te nemen dat er sprake was van te duchten levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.
Ten aanzien van hetgeen aan verdachte ten laste is gelegd onder parketnummer 18-040036-26 en 18-332629-25 heeft de raadsman geen bewijsverweer gevoerd. Beide feiten kunnen bewezen worden.
Oordeel van de rechtbank
Parketnummer 18-071374-26
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. De rechtbank volstaat met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.
Deze opgave luidt als volgt:
Bewijsoverweging
Gelet op de opgenomen bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht in de woning aan de [adres 1] in Drachten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat door de brandstichting levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Voor een bewezenverklaring van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander is vereist dat uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat dat levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel daadwerkelijk te duchten was. Dit betekent dat het levensgevaar of het gevaar voor zwaar lichamelijk letsel ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet
zijn geweest.
De rechtbank overweegt dat verdachte omstreeks 21:30 uur in de avond brand heeft gesticht op de bovenverdieping van haar woning. Uit de bevindingen van de forensische opsporing volgt dat er vlammen uit de achterkant van de woning kwamen toen de politie ter plaatse kwam. Uit die bevindingen volgt ook dat er grote hitte is ontstaan in de slaapkamer waardoor het raam van het dakraam kapot is gegaan en brandende rookgassen zich naar buiten toe konden ontwikkelen. In het proces-verbaal van de forensische opsporing zijn ook fotos opgenomen van de woning van verdachte ten tijde van en na de brand. Op die fotos is onder meer een felle uitslaande brand te zien en ook is te zien dat de schade aan de woning, na de brand, groot was. De rechtbank overweegt verder dat de woning waar verdachte brand heeft gesticht een tussenwoning betrof en onderdeel was van een blok van vier aaneengeschakelde woningen. Uit het dossier volgt dat, in ieder geval, de bewoonster van één van de aangrenzende woningen ( [adres 2] ) thuis was op het moment van de brand. Zij is door een andere buurtbewoner gewaarschuwd voor de brand.
De rechtbank is van oordeel dat het stichten van een brand op de bovenverdieping van een tussenwoning, op een tijdstip waarop het algemeen bekend is dat de kans zeer groot is dat bewoners van omliggende woningen thuis zijn en waarbij ook is gebleken dat in ieder geval één bewoonster van een omliggende woning op het moment van de brand thuis was, naar algemene ervaringsregels een voorzienbare kans op levensgevaar, dan wel op gevaar voor zwaar lichamelijk letsel oplevert. Hetzelfde geldt voor de kans op gevaar voor de nabijgelegen woningen, zeker nu de vlammen uit het dak van de woning van verdachte sloegen en er sprake was van forse rookontwikkeling. Door de brand is water- en rookschade ontstaan aan de twee naastgelegen woningen.
Parketnummer 18-040036-26 en 18-332629-25
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten. De rechtbank volstaat met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend. Ieder bewijsmiddel is ook in onderdelen slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
De opgave luidt als volgt:
Bewezenverklaring
De rechtbank acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
Parketnummer 18-071374-26
zij op 8 maart 2026 te Drachten opzettelijk brand heeft gesticht in een woning aan de [adres 1] door een
(brandende) aansteker in aanraking te brengen met een dekbed, ten gevolge waarvan brand is ontstaan terwijl daarvan
Parketnummer 18-040036-26
zij op 11 november 2025 te Drachten opzettelijk een minderjarige, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2021, heeft onttrokken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefende, terwijl die minderjarige beneden de twaalf jaren oud was;
Parketnummer 18-332629-25
zij op 26 juni 2025 te Drachten opzettelijk een minderjarige, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2021, heeft onttrokken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefende, terwijl die minderjarige beneden de twaalf jaren oud was.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
Parketnummer 18-071374-26
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
Parketnummer 18-040036-26 en 18-332629-25
opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefent, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk en met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat de proeftijd op 3 jaren wordt gesteld en dat de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke straf worden gekoppeld.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zicht op het standpunt gesteld dat een gevangenisstraf van ongeveer 200 dagen met daarnaast een voorwaardelijke straf aan verdachte kan worden opgelegd. Aan de voorwaardelijke straf kunnen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.
Oordeel van de rechtbank
Algemeen
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van de psycholoog en de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie, de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft s avonds opzettelijk brandgesticht in haar huurwoning door haar dekbed in de brand te steken. Hierdoor is veel schade ontstaan aan de huurwoning. Als gevolg van de brand is er ook gevaar ontstaan voor de aangrenzende woningen. Bovendien is er sprake geweest van levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een bewoonster van een aangrenzende woning, aangezien zij ten tijde van de brand thuis was. Verdachte heeft met haar handelen een zeer gevaarlijke situatie gecreëerd. Een brand kan zich snel uitbreiden, grote vormen aannemen en daardoor een onbeheersbaar karakter krijgen. Dat er niet nog meer schade is ontstaan aan de woning en omliggende woningen, en dat er geen doden of (ernstig) gewonden zijn gevallen, is te danken aan de waarschuwing van een oplettende buurtbewoner en aan het ingrijpen van de brandweer en de politie.
Daarnaast heeft verdachte haar minderjarige dochter, [slachtoffer] , twee keer onttrokken aan het bevoegde opzicht. Verdachte heeft [slachtoffer] op 26 juni 2025 opgehaald van de peuterspeelzaal, terwijl zij geen toestemming had om dit te doen. Verdachte heeft haar vervolgens meegenomen naar een huisje, waar zij diezelfde avond zijn aangetroffen. Op 11 november 2025 heeft verdachte [slachtoffer] wederom meegenomen terwijl zij daar geen toestemming voor had. Verdachte heeft tijdens een begeleid omgangsmoment gezegd met [slachtoffer] naar de wc te gaan en heeft haar toen meegenomen vanuit haar woning naar een bed en breakfast. Verdachte wist dat [slachtoffer] onder toezicht stond van de jeugdbescherming en dat er sprake was van een machtiging tot uithuisplaatsing. Door [slachtoffer] desondanks mee te nemen heeft zij de gerechtelijke uitspraken van de kinderrechter, waarin de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn uitgesproken c.q. verlengd, genegeerd.
Justitiële documentatie
De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het psychologisch rapport van 19 mei 2026, opgemaakt door drs. [naam] , en het reclasseringsrapport van 3 augustus 2026.
Uit het psychologisch rapport volgt dat bij verdachte sprake is van een borderline persoonlijkheidsstoornis en een stoornis in het gebruik van alcohol. Daarnaast bestaan er problemen ten aanzien van de kinderen van verdachte, relaties, huisvesting en werk. Vanuit haar persoonlijkheidsproblematiek kan verdachte zich leeg voelen en impulsief zijn. Daarnaast is verdachte gevoelig voor verlating, heeft zij grote moeite om haar emoties en impulsen adequaat te reguleren, is haar coping gebrekkig en kan zij met dissociatie (black-outs) reageren. Als gevolg van haar persoonlijkheidsproblematiek en tekortschietende coping had verdachte ten tijde van de feiten nauwelijks grip op zichzelf, op haar emoties, haar impulsen, haar alcoholgebruik en haar gedrag. Verdachte kon geen gezonde afwegingen meer maken en kon haar emoties, impulsen en haar gedrag niet meer adequaat reguleren. De psycholoog adviseert daarom de feiten in (licht) verminderde mate toe te rekenen aan verdachte. De psycholoog beschrijft verder dat er een aantal risicofactoren zijn die maken dat er sprake is van een kans op herhaling. Deze risicofactoren hangen vooral samen met de persoonlijkheidsproblematiek, de partnerrelatieproblematiek en het alcoholgebruik van verdachte. Indien verdachte onbehandeld en zonder verdere begeleiding en structuur zou terugkeren naar de situatie van voor haar aanhouding is het risico dat verdachte opnieuw brand zou stichten matig en het risico dat zij haar kinderen opnieuw zal onttrekken aan het bevoegde opzicht hoog. De psycholoog acht een intensieve, forensische klinische behandeling aangewezen, zeker omdat ambulante behandeling vooralsnog weinig effect heeft gehad en verdachte sociaal-maatschappelijk erg marginaal is ingebed. Verdachte heeft geen werk, geen woning en een, hoewel steunend, erg klein netwerk. Een klinische behandeling is ook van belang om een terugval in destructieve partnerrelaties en alcoholgebruik tijdens de behandeling te voorkomen. Om de kans op herhaling te verkleinen dient de behandeling zich met name te richten op de persoonlijkheidsproblematiek van verdachte. Daarnaast is het aangewezen dat de behandeling zich richt op de verslavingsproblematiek en het aanleren van adequate copingvaardigheden. Ook is controle op alcohol- en drugsgebruik van belang. De psycholoog adviseert de forensisch klinisch behandeling, met een poliklinisch vervolg, te laten plaatsvinden in het kader van bijzondere voorwaarden bij een deels voorwaardelijke vrijheidsstraf, aangezien verdachte wil meewerken aan een behandeling en begrijpt dat behandeling van belang is.
Uit het rapport van de reclassering volgt dat er al jarenlang sprake is van behandeling gericht op psychische problematiek en alcoholproblematiek. Tot op heden heeft dit niet geleid tot een verbetering van de problematiek. Verdachte heeft geen betaald werk en leeft van een uitkering. De kinderen van verdachte staan onder toezicht en zijn uit huis geplaatst. Vanwege de psychische problematiek, het alcoholgebruik en de praktische problemen die spelen in het leven van verdachte, schat de reclassering de kans op herhaling en letsel in als hoog. De kans dat verdachte zich zal onttrekken aan voorwaarden schat de reclassering in als gemiddeld. De reclassering ziet dat verdachte gemotiveerd is om een behandeling aan te gaan. Zij heeft zicht op de destructieve patronen in haar leven en wil daar verandering in brengen. Verdachte erkent dat zij kan handelen uit emotie en de gevolgen van haar gedrag daarbij uit het oog verliest. Behandeling om op adequate wijze om te gaan met haar emoties is dan ook geïndiceerd. De reclassering adviseert daarom een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met een aantal bijzondere voorwaarden. Die voorwaarden houden, kort gezegd, in dat verdachte zich moet melden bij de reclassering, zich moet laten opnemen in een zorginstelling, geen alcohol mag drinken en zich dient te houden aan de omgangsregeling met haar kinderen.
Op te leggen straf
Gelet op het voorgaande, en met name gelet op de ernst van de feiten, is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een langdurige gevangenisstraf passend is. De rechtbank zal ook rekening houden met wat de psycholoog en de reclassering in hun rapporten naar voren hebben gebracht. Uit die rapporten volgt immers dat een intensieve klinische behandeling noodzakelijk is. De rechtbank ziet die noodzaak ook en zal daarom een groot deel van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden aan die voorwaardelijke gevangenisstraf verbinden. De rechtbank overweegt daarbij dat een klinische behandeling ook een vrijheidsbeperking met zich brengt voor verdachte. Daarnaast zal de rechtbank, gelet op het rapport van de psycholoog, de feiten in verminderde mate aan verdachte toe rekenen.
De rechtbank acht alles afwegende een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk en met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, passend en geboden. De rechtbank zal de proeftijd vaststellen op drie jaren en, zoals hiervoor ook al is overwogen, bepalen dat verdachte dient mee te werken aan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
Benadeelde partij
Parketnummer 18-071374-26
[aangever 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd namens Accolade met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van
275.000,- ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ook op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren, nu de vordering niet is onderbouwd.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 157 en 279 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het onder parketnummer 18-071374-26, 18-040036-26 en 18-332629-25 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, te weten 12 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden gedurende de proeftijd:
Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
Benadeelde partij Accolade (parketnummer 18-071374-26)
Verklaart de vordering van de benadeelde partij Accolade niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat de benadeelde partij Accolade haar eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, mr. J. Teertstra en mr. E.S. Van den Berg, rechters, bijgestaan door mr. A. Niklasch, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 september 2026.
Mr. E.S. Van den Berg en mr. A. Niklasch zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.