RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer / rekestnummer: 12281721 \ EJ VERZ 26-240
Beschikking van 2 oktober 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[verzoeker] ,
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. D. Salhi,
tegen
TVM VERZEKERINGEN N.V.,
te Hoogeveen,
verwerende partij,
hierna te noemen: TVM,
gemachtigde: mr. H.N. Kuiper.
De zaak in het kort
Op 2 september 2025 vonden op de Sportlaan in Den Helder werkzaamheden plaats ter bestrijding van onkruid op de trottoirs. Aan de rechterzijde van de weg stond een tankwagen met een heetwaterinstallatie geparkeerd. Daaraan waren twee rode slangen gekoppeld. Die slangen zijn over de gehele rijbaan getrokken om de werkzaamheden aan de linkerzijde uit te voeren. [verzoeker] is met zijn elektrische fiets over de slangen gereden. Daarbij is hij ten val gekomen en heeft hij schouderletsel opgelopen. [verzoeker] houdt de verzekerde van TVM volledig aansprakelijk voor zijn schade. TVM vindt dat haar verzekerde voor 50% aansprakelijk is, omdat [verzoeker] ook zelf heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. [verzoeker] heeft de vraag over de eigen schuld in deelgeschil voorgelegd aan de kantonrechter. De kantonrechter oordeelt dat [verzoeker] deels eigen schuld heeft aan het ongeval: TVM moet 75% van de schade van [verzoeker] vergoeden en [verzoeker] moet 25% van de schade zelf dragen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties 1-2;
- het verweerschrift met producties 1-2.
Op 23 september 2026 heeft de mondelinge behandeling van het deelgeschil plaatsgevonden. Op de zitting zijn verschenen [verzoeker] , vergezeld van zijn partner en bijgestaan door mr. D. Salhi en een kantoorgenoot, en A. Purperhart, letselschadecorrespondent bij letselschadebureau Ridder Letselschade (hierna: Ridder Letselschade). Namens TVM is verschenen mr. H.N. Kuiper, vergezeld van [naam] .
De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Mrs. Salhi en Kuiper hebben gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die zij ter zitting aan de kantonrechter hebben overgelegd en die daarmee onderdeel zijn geworden van de processtukken.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter partijen meegedeeld dat op 21 oktober 2026 een beschikking zal volgen.
2. De feiten
Op 2 september 2025 vonden op de Sportlaan in Den Helder werkzaamheden plaats. Aan beide zijden van de weg werd onkruid op de trottoirs bestreden. Aan de rechterzijde van de weg stond een tankwagen met een heetwaterinstallatie geparkeerd om de werkzaamheden te verrichten.
Aan de tankwagen waren twee dikke, harde, roodgekleurde slangen gekoppeld. Die slangen lagen dwars over de gehele rijbaan toen de werkzaamheden aan de linker trottoirzijde plaatsvonden. Ten tijde van de werkzaamheden was het wegdek nat; het regende.
[verzoeker] reed die middag rond half vier op zijn elektrische fiets op de Sportlaan, komende vanuit de richting van de Tuinstraat, gaande in de richting van de Middenweg rotonde. Vlak vóór [verzoeker] , op 10-15 meter, reden twee fietsers. Zij fietsten zonder problemen over de twee heetwaterslangen heen. Die slangen lagen op ongeveer 100 meter voor de rotonde.
Bij het passeren van de tankwagen fietste ook [verzoeker] over de slangen. Daarbij kwam hij ten val (hierna: het ongeval) en liep hij lichamelijk letsel op, bestaande uit een ontwrichting en fractuur van de linkerschouder, een hoofdwond en een snijwond in het gelaat.
De tankwagen, althans de cabine, was WAM-verzekerd bij TVM.
Ridder Letselschade heeft namens [verzoeker] de verzekerde van TVM aansprakelijk gesteld. TVM heeft erkend dat haar verzekerde voor een deel aansprakelijk is voor het ongeval, maar zij meent dat [verzoeker] ook zelf heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. TVM heeft bij brief van 29 januari 2026 aan Ridder Letselschade bericht dat zij een schulddeling van 50/50 reëel en verdedigbaar acht. Bij brief van 13 februari 2026 aan TVM heeft Ridder Letselschade vermeende eigen schuld van [verzoeker] van de hand gewezen.
3. Het verzoek en het verweer
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter - samengevat - bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv):
primair
I. voor recht te verklaren dat het beroep op eigen schuld in strijd is met de redelijkheid en billijkheid;
subsidiair
II. voor recht te verklaren dat [verzoeker] geen eigen schuld kan worden toegerekend;
meer subsidiair
III. de mate van eigen schuld die aan [verzoeker] kan worden toegerekend in goede justitie te bepalen;
IV. de kosten van dit deelgeschil te begroten op € 4.963,25 en TVM te veroordelen tot betaling daarvan.
Aan het verzoek legt [verzoeker] het volgende, samengevat, ten grondslag. [verzoeker] heeft geen eigen schuld aan het ontstaan van het ongeval. De verzekerde van TVM heeft onnodig een gevaarlijke situatie in het leven geroepen door de tankwagen aan de rechterwijze van de weg te parkeren, terwijl de werkzaamheden aan de linkerzijde werden uitgevoerd. Daardoor moesten twee heetwaterslangen over de weg worden gelegd. Dit leverde veiligheidsrisico’s op voor andere weggebruikers. Die risico’s hadden op eenvoudige wijze voorkomen kunnen worden door de tankwagen aan de linkerzijde van de weg te plaatsen. Onder die omstandigheden is het in strijd met de redelijkheid en billijkheid van artikel 6:2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) om zich tegen aansprakelijkheid te verweren met de stelling dat [verzoeker] beter had moeten opletten. Volgens [verzoeker] heeft hij niet onvoorzichtig, onzorgvuldig, foutief of verkeerd gehandeld. Hij fietste op een openbare weg en hoefde daar geen obstakels te verwachten. De twee fietsers voor hem waren ook probleemloos over de slangen gereden. Voor een gevaarlijke situatie was geen adequate waarschuwing gegeven. [verzoeker] heeft zich dan ook niet anders gedragen dan een redelijk fietser onder de gegeven omstandigheden zou doen. Als hem al onvoldoende oplettendheid zou kunnen worden verweten, kan hem ten hoogste 10% eigen schuld worden toegerekend, aldus [verzoeker] .
TVM verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe, samengevat, het volgende aan. [verzoeker] heeft zelf bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. [verzoeker] is onvoorzichtig en onvoldoende oplettend geweest. Er was sprake van een duidelijk zichtbare werksituatie. De medewerkers droegen felgekleurde kleding en er werd gewaarschuwd voor de werkzaamheden. De tankwagen voerde alarmverlichting en was voorzien van waarschuwingsborden met de teksten ‘Werkverkeer’ en ‘LET OP!! OBSTAKEL OP DE WEG’. De slangen waren rood en staken daarmee af tegen het donkere asfalt. [verzoeker] zag andere fietsers probleemloos over de slangen rijden. De situatie was dus kenbaar en niet zo gevaarlijk dat een ongeval onvermijdelijk was. Ondanks het natte wegdek en de voor hem kenbare noodzaak tot extra voorzichtigheid heeft [verzoeker] ervoor gekozen om op een bepaalde wijze en met een bepaalde snelheid over de slangen te rijden waardoor hij is gevallen. Dit terwijl het mogelijk was om de tankwagen op een alternatieve, veiliger wijze te passeren, bijvoorbeeld door af te stappen en met de fiets aan de hand te passeren of via het trottoir te gaan. In deze situatie is een gelijke verdeling van de aansprakelijkheid redelijk. TVM voert verder verweer tegen de omvang van de door [verzoeker] opgevoerde kosten van het deelgeschil.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Behandeling in deelgeschil
[verzoeker] heeft zich tot de kantonrechter gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over letsel- en overlijdensschade de mogelijkheid om in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter in te schakelen, waardoor partijen een extra instrument in handen krijgen ter doorbreking van een impasse in de buitengerechtelijke onderhandelingen. De rechterlijke uitspraak in een deelgeschil moet partijen in staat stellen om de buitengerechtelijke onderhandelingen weer op te pakken en mogelijk definitief af te ronden.
In dit geval is tussen partijen niet in geschil dat de verzekerde van TVM aansprakelijk is voor de door [verzoeker] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval. Wél verschillen partijen – kort gezegd – van mening over de vraag of [verzoeker] eigen schuld in de zin van artikel 6:101 lid 1 BW heeft aan het ontstaan van het ongeval en zo ja, wat het percentage eigen schuld dan is. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de kantonrechter het verzoek inhoudelijk zal bespreken.
Inhoudelijke beoordeling
Artikel 6:101 lid 1 BW bepaalt dat wanneer schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, de vergoedingsplicht wordt verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft indien de billijkheid dit vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.
Stelplicht en bewijslast
De stelplicht en eventuele bewijslast ten aanzien van de eigen schuld rusten op TVM, omdat zij zich op de rechtsgevolgen daarvan beroept.
Het beroep op eigen schuld slaagt
De kantonrechter is het met TVM eens dat [verzoeker] (tot op zekere hoogte) eigen schuld heeft aan het ongeval. Of, in de bewoordingen van artikel 6:101 BW, dat de schade ook een gevolg is van omstandigheden die aan [verzoeker] kunnen worden toegerekend, zodat de vergoedingsplicht van TVM wordt verminderd. De kantonrechter wijst op de volgende omstandigheden.
[verzoeker] heeft verklaard dat de knipperlichten van de tankwagen aanstonden. Daarnaast heeft hij twee rode slangen op het donkergrijze asfalt zien liggen. Die slangen waren dik, zodat uitgegaan dient te worden van een behoorlijk hoogteverschil dat voor [verzoeker] waarneembaar was. De kantonrechter gaat er op basis van de door beide partijen overgelegde foto’s verder van uit dat zich op de achterzijde van de tankwagen waarschuwingsborden met de teksten ‘Werkverkeer’ en ‘LET OP!! OBSTAKEL OP DE WEG’ bevonden. Er waren voor [verzoeker] dus duidelijke, kenbare signalen dat de situatie afweek van de normale verkeerssituatie. Nergens blijkt uit dat [verzoeker] zijn fietsgedrag heeft aangepast, bijvoorbeeld zijn snelheid heeft aangepast. Hij is in navolging van de twee fietsers vóór hem de tankwagen gepasseerd en over de slangen op de weg gereden zonder zich ervan te vergewissen dat hij dat (in regenachtig weer) veilig kon doen. Er waren ook alternatieve, veiligere manieren om voorbij de tankwagen te gaan. Van belang is hierbij dat van een fietser in algemene zin de nodige oplettendheid en voorzichtigheid mag worden verlangd en dat de fietser zelf ook rekening houdt met het (te voorziene) gevaar van het niet op de goede wijze en/of met de goede snelheid rijden over een obstakel. [verzoeker] heeft met zijn handelen daarvan onvoldoende blijk gegeven.
Causaliteitsafweging
Na het verrichten van de causaliteitsafweging die artikel 6:101 lid 1 BW voorschrijft oordeelt de kantonrechter dat aan de verzekerde van TVM een aanzienlijk groter deel van de omstandigheden moet worden toegerekend die tot de schade hebben bijgedragen. De verzekerde van TVM heeft namelijk een gevaarzettende situatie gecreëerd die van het normale afweek. Hij heeft de tankwagen aan de rechterzijde van de Sportlaan – een doorgaande openbare weg met aan beide zijden een rood/roze fietspad – geparkeerd op het voor de fietsers bestemde gedeelte en de twee daaraan gekoppelde slangen dwars over de gehele rijbaan gelegd. Die slangen, waartussen kennelijk een kleine afstand zat, leverden een duidelijk hoogteverschil op. Daarvoor had de verzekerde van TVM in de natte weersomstandigheden zoals die er waren, meer moeten waarschuwen dan hij heeft gedaan. Hij had het veiligheidsrisico (door gladheid) ook anderszins op eenvoudige wijze kunnen wegnemen of verkleinen. Zo had hij de tankwagen aan de linkerzijde van de weg kunnen parkeren - waar werd gewerkt - of een kabelgoot kunnen gebruiken om de slangen netjes en veilig weg te werken. Door deze voorzorgsmaatregelen achterwege te laten heeft de verzekerde van TVM zijn eigen werk-/praktijkinstructie ‘Zorg voor de veiligheid voor overig verkeer en omstanders (waarschuw omstanders, let ook op dieren)’ onvoldoende nageleefd.
Conclusie causale verdeling
Het voorgaande brengt de kantonrechter tot een causale verdeling van de schade van 75% voor TVM en 25% voor [verzoeker] . Deze verdeling doet naar het oordeel van de kantonrechter recht aan de verantwoordelijkheid van de verzekerde van TVM om op zorgvuldige, veilige wijze wegwerkzaamheden uit te voeren en die van [verzoeker] als individuele weggebruiker om voorzichtig en oplettend te zijn, en de mate waarop zij beide die verantwoordelijkheid niet hebben genomen.
Billijkheidscorrectie
Voor zover [verzoeker] een beroep beoogt te doen op de billijkheidscorrectie, leidend tot een andere verdeling van de schade, slaagt dat niet. Het verschil in aan beide partijen te maken (ernst van de) verwijten geeft daartoe geen aanleiding, noch het enkele feit dat [verzoeker] letsel heeft bekomen en niet verzekerd is, zoals in de brief van 13 februari 2026 van Ridder Letselschade is vermeld.
Slotsom
Het voorgaande leidt ertoe dat de kantonrechter de door [verzoeker] meer subsidiair verzochte verklaring voor recht zal toewijzen zoals vermeld in de beslissing. Het primair en subsidiair verzochte wordt afgewezen.
Kosten deelgeschil
De kantonrechter moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Bij de begroting van de kosten moet de kantonrechter de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking nemen. Daarbij moet de kantonrechter de dubbele redelijkheidstoets hanteren: zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.
[verzoeker] maakt aanspraak op € 4.870,25 inclusief 21% btw, te vermeerderen met het griffierecht van € 93,00. Daarbij stelt [verzoeker] dat de tijdsbesteding van mr. Salhi totaal 17,5 uur bedraagt voor het opstellen van het verzoekschrift, het bestuderen van het verweerschrift, het bijwonen van de zitting, reistijd, correspondentie en overleg. [verzoeker] vindt die tijdsbesteding gerechtvaardigd, omdat deze procedure valt in de categorie ‘gemiddeld’. Daarbij past een uurtarief van € 230,00 exclusief 21% btw dat mr. Salhi hanteert. Zij is advocaat bij een kantoor met het Nationaal Keurmerk Letselschade (NKL), aldus [verzoeker] .
TVM voert aan dat het uurtarief en het aantal bestede uren te hoog zijn. Als er al een hoog uurtarief wordt berekend, dan mag verwacht worden dat voor een relatief eenvoudige zaak als deze veel minder uren in rekening worden gebracht. TVM verzoekt de kantonrechter daarom in een begroting de gevorderde kosten te matigen wegens strijd met de dubbele redelijkheidstoets. Verder geldt volgens TVM dat het percentage eigen schuld ‘doortikt’ naar de kosten van het deelgeschil. TVM voert tot slot aan dat er geen plaats is voor een veroordeling in de kosten.
De kantonrechter vindt, gelet op wat [verzoeker] heeft aangevoerd, dat een bedrag van € 230,00 exclusief btw een redelijk tarief is voor de werkzaamheden van zijn advocaat.
De kantonrechter volgt TVM wel in haar standpunt dat de zaak niet de opgevoerde tijdsbesteding rechtvaardigt die mr. Salhi begroot wil zien. Het is een relatief eenvoudig deelgeschil met een overzichtelijke rechtsvraag. Het verzoekschrift en verweerschrift zijn met hun producties ook zeer beperkt van omvang. Al met al vindt de kantonrechter, gelet op de aard, de omvang en de complexiteit van de zaak, een tijdsbesteding van tien uur redelijk. Dat leidt tot een bedrag van (10 x € 230,00 x 21% btw =) € 2.783,00. Daarbij wordt het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 93,00 opgeteld. De kostenbegroting komt daarmee uit op € 2.876,00 inclusief btw.
Omdat de aansprakelijkheid van de verzekerde van TVM is komen vast te staan, zal de kantonrechter de kosten niet alleen begroten, maar TVM ook veroordelen tot betaling daarvan. Anders dan TVM meent, is dat wel mogelijk (en gebruikelijk). Nu de vergoedingsplicht van TVM op 75% is gesteld, is een correctie van de kosten deelgeschil wegens eigen schuld aan de orde, zoals TVM terecht aanvoert. [verzoeker] heeft daartegen geen verweer gevoerd. De kantonrechter zal TVM daarom veroordelen tot betaling van 75% van deze kosten, dus € 2.157,00, aan [verzoeker] .
5. De beslissing
De kantonrechter
verklaart voor recht dat TVM voor 75% schadeplichtig is voor de door [verzoeker] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval op 2 september 2025,
begroot de kosten van dit deelgeschil op € 2.876,00 inclusief btw en veroordeelt TVM tot betaling van 75% daarvan, dus € 2.157,00, aan [verzoeker] ,
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Blokland en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2026.
ST/JB