ECLI:NL:RBNHO:2026:13463

ECLI:NL:RBNHO:2026:13463

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 01-10-2026
Datum publicatie 05-10-2026
Zaaknummer 1510918326
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

De verdachte heeft zich in de schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een (geladen) vuurwapen en munitie. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid, met lichamelijk letsel van een politieambtenaar tot gevolg. De verdachte heeft zich met geweld verzet tegen een ambtenaar tijdens zijn aanhouding. Hierbij heeft hij de ambtenaar gebeten in zijn arm. De rechtbank legt een jeugddetentie op. Verder wordt de vordering van de benadeelde partij en de vordering tot tenuitvoerlegging toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd

Locatie Alkmaar

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer: 15/109183-26, 15/204480-26 en 15/257302-25 (vord. tul) (ttz. gev) (P)

Uitspraakdatum: 1 oktober 2026

Tegenspraak

Verkort strafvonnis (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 17 september 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] .

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

­ de vordering van de officier van justitie, [officier van justitie] ;

­ wat de verdachte en zijn raadsman, mr. H. Polat, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht;

­ wat door [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), naar voren is gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is in de zaak met parketnummer 15/0109183-26 ten laste gelegd dat:
1 (verder te noemen: feit 1):
1 (verder te noemen: feit 2):

2. Voorvragen

hij op of omstreeks 11 april 2026 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (geladen) tot scherpschietend omgebouwde gas/alarmrevolver, van het merk BBM, model Olympic 38, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of munitie van categorie III Wet wapens en munitie, te weten drie (3) kogelpatronen, kaliber .22 LR (longrifle) voorhanden heeft gehad.

Aan de verdachte is in de zaak met parketnummer 15/204480-26 ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 16 juli 2026 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, te weten [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte, door- geen gehoor te geven aan het stopteken van die [benadeelde partij 1] door zich in een andere richting te bewegen dan de richting van die [benadeelde partij 1] en/of- geen gehoor te geven aan aanwijzingen van die [benadeelde partij 1] dat hij, verdachte, is aangehouden en op de grond moet gaan liggen en/of- (tijdens het fixeren) in de arm van die [benadeelde partij 2] te bijten, terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een (bijt)wond bij die [benadeelde partij 2] ten gevolge heeft gehad;

2 (verder te noemen: feit 3): hij op of omstreeks 16 juli 2026 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer als bestuurder van een voertuig, te weten een snorfiets, dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten cannabis, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten 1 en 2 (feit 2 met uitzondering van het eerste gedachtestreepje) en tot vrijspraak van feit 3.

Standpunt van de verdediging

De verdachte heeft feiten 1 en 2 bekend en de verdediging heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat feiten 1 en 2 bewezen kunnen worden en dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 3.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 3

Uit het bloedonderzoek blijkt dat de aangetroffen concentratie THC in het bloed van de verdachte — na aftrek van de wettelijk voorgeschreven correctie — 1,4 µg/l bedraagt. Deze waarde ligt onder de wettelijke strafbaarheidsgrens van 3,0 µg/l voor enkelvoudig cannabisgebruik. Nu de wettelijke limiet niet is overschreden, ontbreekt het wettig en overtuigend bewijs. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van het ten laste gelegde onder feit 3.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten 1 en 2.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van

het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten aanvulling worden

opgenomen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

Parketnummer 15/0109183-26

Feit 1:

hij op 11 april 2026 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een geladen tot scherpschietend omgebouwde gas/alarmrevolver, van het merk BBM, model Olympic 38, zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver, en munitie van categorie III Wet wapens en munitie, te weten drie (3) kogelpatronen, kaliber .22 LR (longrifle), voorhanden heeft gehad;

Parketnummer: 15/204480-26

feit 2:

hij op 16 juli 2026 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, zich met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, te weten [benadeelde partij 2] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten ter aanhouding van verdachte, door- (tijdens het fixeren) in de arm van die [benadeelde partij 2] te bijten, terwijl dit misdrijf enig lichamelijk letsel, te weten een bijtwond bij die [benadeelde partij 2] ten gevolge heeft gehad.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Feit 2: wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de straf

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 120 dagen, waarvan 56 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd aan het voorwaardelijke strafdeel, naast de algemene voorwaarden, de door de Raad in het raadsadvies geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden.

Standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich ten aanzien van de strafmaat aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en door de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De aard en de ernst van de feiten

De verdachte heeft zich in de eerste plaats schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een (geladen) vuurwapen en munitie. Het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie en de daarmee samenhangende kans op gebruik daarvan levert gevaar op voor de verdachte zelf, maar ook voor anderen. Het voorhanden hebben van een geladen, schietklaar wapen brengt daarmee een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van de samenleving met zich mee. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid, met lichamelijk letsel van een politieambtenaar tot gevolg. De verdachte heeft zich met geweld verzet tegen een ambtenaar tijdens zijn aanhouding. Hierbij heeft hij de ambtenaar gebeten in zijn arm. De verdachte heeft hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en blijkens diens vordering tot schadevergoeding heeft het slachtoffer nog steeds last van het feit.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 21 augustus 2026, waaruit blijkt dat de verdachte al eerder veroordeeld is voor het voorhanden hebben van een vuurwapen

het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 10 september 2026 door [raadsmedewerker] , als raadsmedewerker verbonden aan de Raad. De Raad adviseert de rechtbank aan de verdachte een deels onvoorwaardelijke jeugddetentie en een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen onder de algemene- en bijzondere voorwaarden.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte overweegt de rechtbank nog het volgende.

De Raad maakt zich zorgen over de verdachte. Ondanks het strakke kader van de bijzondere voorwaarden die eerder dit jaar aan hem zijn opgelegd, wordt hij weer verdacht van strafbare feiten. De Raad schat het recidiverisico in als midden. Dit betekent dat er risicofactoren zijn op verschillende leefgebieden die de kans op herhaling vergroten maar ook dat er beschermende factoren zijn die de kans op herhaling verkleinen. Er is een duidelijke negatieve lijn te zien in het gedrag van de verdachte sinds de brand in de woning van het gezin. Hij neemt het zichzelf kwalijk dat de brand is uitgebroken en lijkt sindsdien af te glijden. De eerder opgelegde leerstraf So Cool heeft nog niet kunnen starten gezien de onstabiele situatie waarin het gezin nu zit. Ook op school loopt het niet goed, doordat de verdachte onder andere veel te laat komt en de laatste weken veelvuldig heeft verzuimd. De verdachte verblijft inmiddels bij [woongroep] in [plaats] .

Op de zitting heeft de Raad aanvullend naar voren gebracht dat het beter met de verdachte lijkt te gaan nu hij verblijft bij [woongroep] . Hij heeft goed contact met zijn moeder, gaat naar school en houdt zich aan de regels. Tegelijkertijd is hij sterk beïnvloedbaar, zijn er zorgen over zijn weerbaarheid, de invloed van zijn omgeving en het feit dat hij niet thuis kan wonen.

De leerstraf SoCool die eerder is opgelegd is nog niet gestart. De verdachte heeft daar dus nog onvoldoende van kunnen profiteren. Het is de bedoeling dat de verdachte op korte termijn start met de leerstraf, bij voorkeur in afstemming met de IFA-coach, zodat kan worden bekeken hoe hij het best kan worden ondersteund. Daarnaast wordt een IQ-onderzoek zinvol geacht. Vermoedelijk functioneert de verdachte op een lager niveau, waardoor ook twijfel bestaat of [woongroep] de juiste plek is. De Raad heeft op de zitting – aanvullend of in afwijking van het voorlichtingsrapport van 10 september 2026 – de volgende bijzondere voorwaarden geadviseerd:

zal verblijven bij de woongroep [woongroep] te [plaats] , of een soortgelijke instelling, zolang als de jeugdreclassering dit nodig acht.

zich zal houden aan de afspraken en regels van de woongroep, te weten: [woongroep] te [plaats] , of een soortgelijke instelling, zolang als de jeugdreclassering dit nodig acht;

zich zal houden aan een locatiegebod van 19.00 uur tot 07.00 uur op het adres van [woongroep] ( [adres] ), met een maximale duur van zes maanden, waar bij de jeugdreclassering de ruimte heeft om dit te verruimen, en waarbij het locatiegebod wordt gecontroleerd middels elektronische monitoring met een maximale duur van zes maanden.

Conclusie rechtbank over de op te leggen straf

Alles afwegende acht de rechtbank een jeugddetentie voor de duur van 120 dagen, waarvan 57 dagen voorwaardelijk, op zijn plaats, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank gaat daarbij uit van 63 dagen voorarrest. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk deel van de opgelegde straf een proeftijd van twee jaren verbinden. Aan deze proeftijd wordt de algemene voorwaarde verbonden dat de verdachte zich gedurende deze twee jaar niet schuldig maakt aan enig strafbaar feit en daarnaast de bijzondere voorwaarden zoals die door de Raad zijn geadviseerd.

7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 2] (feit 2)

Door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] is een vordering tot schadevergoeding van

€ 1.500,00 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, zoals verzocht.

Standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit dat de gevorderde schadevergoeding ernstig moet worden gematigd en dat het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij heeft, op grond van artikel 6:106, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek, recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade. Niet betwist wordt dat de benadeelde partij schade heeft geleden, enkel de hoogte ervan wordt betwist. Op grond van de omstandigheden waaronder het feit heeft plaats gevonden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid op € 1500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 juli 2026.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 2 bewezen verklaarde handelen aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 juli 2026 tot aan de dag der algehele voldoening.

8. Vordering tot tenuitvoerlegging (15/257302-25)

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 6 maart 2026 van de kinderrechter van deze rechtbank, in de zaak met parketnummer 15/257302-25, is de verdachte onder meer veroordeeld tot een werkstraf van 62 uren voorwaardelijk. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 25 maart 2026 aan de verdachte toegezonden.

De proeftijd is ingegaan op 20 maart 2026 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer moet worden gelegd.

Standpunt van de verdediging

De verdediging geeft de rechtbank in overweging om de proeftijd van de voorwaardelijk opgelegde straf te verlengen omdat de verdachte anders mogelijk wordt overvraagd.

Advies van de Raad

De Raad heeft geadviseerd om de voorwaardelijke straf geheel ten uitvoer te leggen.

Oordeel van de rechtbank

De bewezen verklaarde feiten zijn (kort) na het wijzen van het vonnis van 6 maart 2026 en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van het bewezen verklaarde feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd. De rechtbank zal daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 62 uren gelasten.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

36f, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 181 van het Wetboek van Strafrecht;

26 en 52 van de Wet wapens en munitie.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 3 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de laste gelegde feiten 1 en 2 heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van honderd twintig (120) dagen.

Bepaalt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te stellen op drieënzestig (63) dagen, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot zevenenvijftig (57) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

Geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling De William Schrikker Stichting, Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Stelt verder als voorwaarden dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] geleden schade tot een bedrag van € 1500,00 als vergoeding voor de immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 juli 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1500,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 juli 2026 tot aan de dag der algehele voldoening. Indien de schadevergoedingsmaatregel niet of niet volledig wordt voldaan, kan gijzeling worden toegepast met een totale maximumduur van 0 dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Beslissing over vordering tenuitvoerlegging

Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15/257302-25 en gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 62 uren, opgelegd bij vonnis van de kinderrechter d.d. 6 maart 2026.

Beslissing over voorlopige hechtenis

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte in de zaak met parketnummer 15/109183-26.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M. ten Bos, voorzitter, tevens kinderrechter

mr. E.C.M. van Mierlo, rechter, tevens kinderrechter en mr. R. Heemskerk, rechter,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.E. Bos,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 oktober 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. E.M. ten Bos
  • mr. E.C.M. van Mierlo
  • mr. R. Heemskerk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand