RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie & Jeugd
Locatie Alkmaar
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 15/322540-25 en 15/005831-25 (vord. tul) (P)
Uitspraakdatum: 1 oktober 2026
Tegenspraak
Vonnis
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen met gesloten deuren van 11 maart 2026, 3 juni 2026, 26 augustus 2026 en 17 september 2026 in de zaak tegen:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] ,
thans gedetineerd in de Justitiële Jeugdinrichting [JJI] (hierna: de JJI [JJI] ).
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
1. Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 8 november 2025 te Hoorn tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [de benadeelde partij]van het leven te beroven, meermaals op (het bovenlijf van) die [de benadeelde partij] te schieten met een (vuur)wapen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 8 november 2025 te Hoorn tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan een ander, te weten [de benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door meermaals op (het bovenlijf van) die [de benadeelde partij] te schieten met een (vuur)wapen.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Volgens de verdediging kan de verdachte niet worden aangemerkt als de schutter en is er ook geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de schutter, waardoor er geen sprake kan zijn van medeplegen. Bovendien had de verdachte geen opzet op het gronddelict.
Oordeel van de rechtbank
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
Bewijsmotivering
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte samen met anderen opzettelijk heeft gepoogd [de benadeelde partij] (hierna: het slachtoffer) van het leven te beroven. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Inleiding
Op 8 november 2025 vinden kort na elkaar twee schietincidenten plaats in Hoorn. Omstreeks 18.30 uur wordt op de [openbare weg] , nabij het Cruyff Court, het slachtoffer neergeschoten. Er wordt zeven keer op hem geschoten. Het slachtoffer wordt daarbij in zijn rechterzij geraakt. Kort daarna, omstreeks 19.10 uur, vindt ter hoogte van het [openbare weg] opnieuw een schietincident plaats. Daarbij wordt medeverdachte [de medeverdachte 1] (hierna: [de medeverdachte 1] ) in zijn arm geraakt.
De schutter en diens opzet
De rechtbank stelt vast dat de verdachte samen met twee medeverdachten, te weten [de medeverdachte 1] en [de medeverdachte 2] (broer van de verdachte en hierna te noemen: [de medeverdachte 2] ) naar Hoorn is gereisd en dat zij alle drie ten tijde van het eerste schietincident aanwezig waren op het Cruyff Court. Dit volgt onder meer uit de gegevens van de enkelband van de verdachte en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting. De verdachte heeft steeds verklaard, ook ter terechtzitting, dat hij niet de schutter is geweest. De rechtbank gaat er, net als de officier van justitie en de raadsvrouw van de verdachte, ook niet vanuit dat de verdachte de schutter is geweest. Het dossier wijst zeer nadrukkelijk in de richting van [de medeverdachte 1] als de schutter. De rechtbank gaat dan ook daarvan uit. Dat volgt niet alleen uit de tapgesprekken van de verdachte en [de medeverdachte 2] , waarin zij – zij het niet met zoveel woorden – [de medeverdachte 1] aanwijzen als de schutter, maar ook uit het NFI-rapport van 13 maart 2026. Uit dat rapport blijkt dat zeer waarschijnlijk schotresten aanwezig waren op de mouwen van de jas van [de medeverdachte 1] . Bovendien is het ‘iets waarschijnlijker’ dat deze schotresten en de inschotbeschadiging in de trui van het slachtoffer afkomstig zijn van hetzelfde schietincident, dan dat dat niet zo zou zijn.
De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat [de medeverdachte 1] ‘vol’ opzet had op het doden van het slachtoffer. Door met een vuurwapen zevenmaal en vanaf een relatief korte afstand op het slachtoffer te schieten, waarbij het slachtoffer daadwerkelijk in zijn zij is geraakt, heeft hij wel de aanmerkelijke kans op het intreden van de dood van het slachtoffer bewust aanvaard. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat (tenminste) sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer, en daarmee van een poging doodslag.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte kan worden aangemerkt als medepleger van deze poging doodslag.
Medeplegen poging doodslag
Medeplegen – voor het schietincident
Betrokkenheid bij een strafbaar feit kan als ‘medeplegen’ worden bewezenverklaard indien vaststaat dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook wanneer het tenlastegelegde medeplegen niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het delict, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid worden geassocieerd, zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan of helpen bij de vlucht, kan sprake zijn van medeplegen. In dat geval moet de materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit van voldoende gewicht zijn.
Bij de beoordeling daarvan kunnen onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, uitvoering en afhandeling van het delict, het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip, een rol spelen.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde feit, het volgende af.
Op 8 november 2025 reizen de drie (mede)verdachten gezamenlijk af naar Hoorn, wijk [wijk] . Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij met de medeverdachten enkele dagen eerder al had afgesproken om naar Hoorn te gaan, waar zij een afspraak hadden. Daarbij heeft de verdachte verklaard dat zij met verkeerde bedoelingen naar Hoorn gingen en dat het plan dat zij hadden niet deugde. Meer gedetailleerd heeft de verdachte niet willen verklaren over het plan. Aannemelijk is dat de drie verdachten een afspraak hadden met een onbekend gebleven groep uit Hoorn. Kennelijk was [de medeverdachte 2] eerder die maand betrokken geraakt bij een incident met een jongen uit Hoorn. Het lijkt erop dat er nog een rekening te vereffenen was.
De rechtbank verwijst in dat verband naar het Snapchatgesprek van 2 november 2025 tussen onder meer de verdachte en [de medeverdachte 1] , dat op de telefoon van [de medeverdachte 1] is aangetroffen. Daarin wordt besproken dat [de medeverdachte 2] door een paar jongens uit Hoorn is gevraagd of hij ‘ [snapchatnaam] ’ was, dat de beveiliging ze uiteindelijk uit elkaar had gehaald en dat die gast in Hoorn [wijk] woont. In dat gesprek zegt de verdachte verder dat zij die jongens wel aankunnen. Er is alleen nog een ‘whoopty’ nodig en dan heeft de verdachte ook gewoon zijn eigen team. Verdachte wil dit “quick and easy” doen want “dan is t klaar ook direct”. Ook [de medeverdachte 2] bevestigt in een tapgesprek dat het om hem ging en dat het zijn ‘torie’ was waarbij [de medeverdachte 1] hem hielp.
Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat was afgesproken een vuurwapen mee te nemen. Ook was afgesproken dat het niet gebruikt zou worden om mee te schieten. Het was bedoeld om mee te dreigen.
De verdachte stuurde enkele uren voor het schietincident audioberichten naar [de medeverdachte 1] : “als hij dan niet (…) dan moet hij mij die klapper geven”. En “Siiii, si si si si si, alles is geregeld bro”. [de medeverdachte 1] was kennelijk nogal opgewonden en stuurde vervolgens een spraakmemo naar de verdachte met de inhoud: “als ik geen van die ratten daar zie broer, gaat mijn hoofd zomaar kanker heet worden”.
Medeplegen – het schietincident
De rechtbank stelt vast dat de drie verdachten, met een plan en in ieder geval één vuurwapen, gezamenlijk richting het Cruyff Court in Hoorn vertrekken. [de medeverdachte 2] navigeert hen in die richting. Daar aangekomen nemen zij plaats op een bankje bij het basketbalveld. Op enig moment en nog voordat het latere slachtoffer aanwezig was, wordt dan al een wapen (mogelijk zelfs meer wapens) getrokken, zo volgt uit later een tapgesprek waarin de verdachte zegt: “Maar wij hadden al die wapens getrokken, want je weet toch wij waren bezig met die heist (…) nu hij begint gelijk te bokken”.
Na ongeveer een half uur komt het slachtoffer samen met zijn broer in de auto en met hoge snelheid via het fietspad richting het Cruyff Court gereden. Hij parkeert zijn auto op enkele meters afstand van de verdachten en stapt uit. De drie verdachten lopen aanvankelijk weg, waarna één van hen, [de medeverdachte 1] , zich omdraait en zevenmaal in de richting van het slachtoffer schiet. Het slachtoffer wordt daarbij in zijn zij geraakt. Vervolgens vluchten de drie verdachten gezamenlijk weg.
Medeplegen – na het schietincident Ongeveer dertig minuten later komen de drie verdachten weer in beeld, ditmaal in de buurt van [openbare weg] , waar een tweede schietincident plaatsvindt waarbij [de medeverdachte 1] in zijn arm wordt geraakt. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij en [de medeverdachte 2] na dit tweede schietincident nog even bij [de medeverdachte 1] zijn gebleven terwijl [de medeverdachte 1] 112 belde, maar dat zij daarna samen zijn weggegaan en [de medeverdachte 1] hebben achtergelaten. De verdachte heeft daarbij op verzoek van [de medeverdachte 1] de tas van [de medeverdachte 1] meegenomen. Die tas is enkele dagen later in de buurt van de woning van de verdachte aangetroffen. In die tas zaten onder meer zeven kogelhulzen en drie munitiepatronen.
Medeplegen – tussenconclusie: nauwe en bewuste samenwerking
De rechtbank concludeert dat sprake was van een gezamenlijk plan om een confrontatie aan te gaan met een onbekend gebleven groep. De drie verdachten hadden daarbij afgesproken een vuurwapen mee te nemen en ook afspraken gemaakt over het gebruik daarvan. De medeverdachte [de medeverdachte 1] , die door de rechtbank als schutter wordt aangemerkt, was al opgewonden en het wapen (of de wapens) was/waren al tevoorschijn gehaald op het moment dat het slachtoffer arriveerde. Het was aldus voor de verdachte voorzienbaar dat het wapen daadwerkelijk gebruikt zou worden. Ook na het schietincident, en dus na overschrijding van het oorspronkelijke plan, heeft de verdachte zich niet gedistantieerd, maar de samenwerking voortgezet.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. Hoewel geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering, is de bijdrage van de verdachte aan het tenlastegelegde van zodanig gewicht dat deze als medeplegen kan worden aangemerkt. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
Medeplegen – dubbel opzet: voorwaardelijk opzet op de poging doodslag
Voor medeplegen is vereist dat het opzet van de verdachte is gericht op zowel die nauwe en bewuste samenwerking als op het gronddelict. De vraag is daarom of de verdachte ook (voorwaardelijk) opzet had op de dood van het slachtoffer, in die zin dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer van het leven zou worden beroofd.
De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Volgens vaste jurisprudentie is sprake van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg als de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Of een gedraging die aanmerkelijke kans in het leven roept, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder die gedraging is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Uit de bewijsmiddelen in het dossier en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting volgt dat het niet de bedoeling was om dit slachtoffer te beschieten. Het slachtoffer was, naar de woorden van de verdachten, een willekeurige “civilian” die zich op het verkeerde moment op de verkeerde plaats bevond. Maar de confrontatie waarin is geschoten, vond plaats binnen de risicosfeer die door de verdachte en zijn medeverdachten zelf was gecreëerd. De drie verdachten zijn gewapend met een vuurwapen met munitie op weg gegaan naar een confrontatie. De wijze waarop het slachtoffer zich aandiende, paste binnen het scenario waarop de verdachten wachtten: zij bevonden zich in de buurt van de plek waar die avond de confrontatie zou plaatsvinden. Het slachtoffer kwam met hoge snelheid over het fietspad aangereden, stapte uit zijn auto en liep direct in de richting van de drie verdachten, waarna [de medeverdachte 1] het vuur opende. Dat daarbij een toevallig aanwezige derde is beschoten en niet iemand uit de groep waarmee was afgesproken, is onder deze omstandigheden (juridisch) niet relevant.
De rechtbank neemt daarbij tevens in aanmerking dat de verdachte wist dat [de medeverdachte 1] “heet” was. De verdachte zegt daarover in een tapgesprek: “Ja, als hij niet zo teeh was had hij waarschijnlijk eerst gekeken wat die mo (ntv) was met die gasten, maar die man was al heel de kanker avond teeh. Ewa die sama civilian komt die heist in lopen en hij begint gelijk te..(…).” In samenhang bezien, met de wetenschap van de verdachte dat [de medeverdachte 1] een vuurwapen bij zich droeg, heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [de medeverdachte 1] bij een confrontatie daadwerkelijk op een slachtoffer zou schieten en dat dit slachtoffer daarbij dodelijk zou kunnen worden getroffen.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 8 november 2025 te Hoorn tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [de benadeelde partij] van het leven te beroven, meermaals op het bovenlijf van die [de benadeelde partij] heeft geschoten met een vuurwapen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging
4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
Medeplegen poging doodslag
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6. Motivering van de straf en maatregel
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot twaalf maanden jeugddetentie, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige (GBM) wordt opgelegd, onder de voorwaarden die de Raad heeft geadviseerd, met uitzondering van de voorwaarden die via de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafvordering (Sv) (38v-maatregel) moeten worden opgelegd. De officier van justitie heeft gevorderd om een 38v-maatregel op te leggen, inhoudende een contactverbod met het slachtoffer en [de medeverdachte 1] en een locatieverbod voor de gemeente Hoorn, met per overtreding twee weken vervangende jeugddetentie, tot een maximum van zes maanden en met een proeftijd van twee jaren. Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd dat zowel de GBM als de 38v-maatregel dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft (subsidiair) bepleit de verdachte te veroordelen tot een jeugddetentie die gelijk is aan het voorarrest in combinatie met de voorgestelde GBM.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf en maatregelen die aan de verdachte dienen te worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, en door de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
De aard en ernst van het feit
De verdachte heeft zich op 8 november 2025 schuldig gemaakt aan medeplegen van poging tot doodslag. De verdachte en zijn medeverdachten zijn met een doordacht plan en bewapend met een vuurwapen naar Hoon gereisd om een gewelddadige confrontatie aan te gaan met een onbekende groep jongeren, kennelijk naar aanleiding van een incident eerder die week tussen een medeverdachte en een jongen uit Hoorn. Terwijl de drie verdachten wachtten op de confrontatie met de groep met wie zij een afspraak hadden, diende zich onverhoeds het slachtoffer aan, dat op zoek was naar de gestolen fatbike van zijn zoon. Vervolgens heeft een medeverdachte het slachtoffer vrijwel direct zevenmaal in de richting van het bovenlichaam beschoten, waarbij het slachtoffer in zijn rechterzij is geraakt.
Het slachtoffer is daarbij ernstig gewond geraakt. Uit de medische verklaring blijkt dat de kogel leverletsel, een klaplong en letsel aan het middenrif heeft veroorzaakt. Het slachtoffer moest in het ziekenhuis worden opgenomen en de kogel bevindt zich tot op heden nog in zijn lichaam, omdat verwijdering daarvan te gevaarlijk wordt geacht. Dat het slachtoffer het incident heeft overleefd, is een gelukkige omstandigheid die niet aan de verdachte en de medeverdachten is te danken. Door zijn handelen heeft de verdachte samen met zijn medeverdachten het leven van het slachtoffer op ernstige en onaanvaardbare wijze in gevaar gebracht en hem pijn en letsel toegebracht. Daarnaast staat vast dat het slachtoffer ook in zijn geestelijk welbevinden is geschaad, zoals blijkt uit de door hem ingediende vordering tot schadevergoeding.
Het voorhanden hebben en gebruiken van een vuurwapen brengt een groot risico met zich mee dat het wapen daadwerkelijk wordt ingezet en tot ernstig letsel of erger leidt. Dat risico heeft zich in dit geval ook verwezenlijkt.
De rechtbank weegt verder mee dat de schietpartij op straat, in een woonwijk, heeft plaatsgevonden en dat omstanders onverwacht met dit geweld zijn geconfronteerd, in een omgeving waarin zij zich veilig mochten achten. Een dergelijk gewelddadig feit heeft niet alleen ingrijpende gevolgen voor het slachtoffer, maar vergroot ook de onrust en het gevoel van onveiligheid in de samenleving. De rechtbank rekent de verdachte dit ook zwaar aan.
Bovendien maakt de rechtbank zich ernstige zorgen over de kennelijke fascinatie van de verdachte voor vuurwapens. Uit het dossier blijkt dat de verdachte veelvuldig in verband wordt gebracht met het voorhanden hebben en gebruiken van vuurwapens. Ongeveer een half jaar vóór de schietpartij van 8 november 2025 is de verdachte door de meervoudige kamer van deze rechtbank reeds veroordeeld voor het voorhanden hebben van een vuurwapen en in een getapt gesprek enkele weken ná 8 november 2025 antwoordt de verdachte op de vraag of er een ‘ombouw’ geregeld moet worden, dat hij ‘een echte’ heeft geregeld. Ook zijn in de telefoon van de verdachte tal van foto’s aangetroffen waarop hij met een vuurwapen in zijn hand is afgebeeld.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:
het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 29 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte al eerder voor gewelds- en vermogensdelicten is veroordeeld;
het over de verdachte uitgebrachte Pro Justitia-rapport van 25 februari 2026, door [GZ-psycholoog] , GZ-psycholoog. De rechtbank kan zich verenigen met de conclusies van dit rapport voor zover deze betrekking hebben op de diagnoses van de verdachte en maakt deze in zoverre tot de hare;
het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 10 september 2026 door [raadsonderzoeker] , als raadsonderzoeker verbonden aan de Raad. De Raad adviseert de rechtbank aan de verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen die gelijk is aan het voorarrest en daarnaast een GBM.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank verder nog het volgende overwogen.
In de Pro Justitia-rapportage is vastgesteld dat bij de verdachte sprake is van een andere gespecificeerde disruptieve, impulsbeheersings- of andere gedragsstoornis en een ongespecificeerde psychotrauma of stressorgerelateerde stoornis. Aangezien de verdachte zijn aandeel en rol ontkent, kan de doorwerking van de stoornissen op het onderhavige tenlastegelegde feit onvoldoende duidelijk worden bepaald. In de Pro Justitia-rapportage worden wel de nodige zorgen over de verdachte beschreven. Het recidiverisico wordt op matig ingeschat. Het risico zit met name in de beperkte weerbaarheid van de verdachte, in het zich staande houden tegenover sociale contacten en groepsdruk, zijn beperkte mentaliserend vermogen, zijn beperkt overzicht en inzicht in de gevolgen van zijn gedrag en keuzes, zijn behoefte aan aandacht en status bij andere jongeren, zijn beïnvloedbaarheid, zijn beperkte copingvaardigheden in het omgaan met stress en emoties en zijn moeite met het stellen van doelen en het vormgeven hiervan. Het is voorstelbaar dat de verdachte tot recidive zou komen als hij, zonder interventies, onder druk wordt gezet door antisociale en delinquente jongeren. Ter voorkoming van recidive is belangrijk dat er voldoende toezicht, dichtbijheid en structuur wordt geboden. Overige risicofactoren die een rol spelenzijn de sterke schuld- en schaamtegevoelens die hij ervaart naar zijn ouders waarbij hij vermijdend gedrag laat zien, in combinatie met de moeite die de verdachte heeft om zich te uiten over de gevoelens die hij ervaart.
De Raad heeft zowel in haar rapport als op de zitting aangegeven de zorgen over de verdachte, zoals deze zijn genoemd in de Pro Justitia-rapportage, grotendeels te onderschrijven en het recidiverisico in te schatten als hoog/midden. De Raad ziet vooral het domein gezin als beschermend voor de verdachte. De ouders van de verdachte stellen regels op, stellen grenzen en verbinden consequenties aan gedrag van de verdachte als hij zich niet aan regels houdt. Het is ook positief dat de verdachte een duidelijk toekomstperspectief heeft. Hij wil graag een carrière in de muziek en heeft veel motivatie om dit waar te maken. Binnen de JJI [JJI] werkt de verdachte al aan en met muziek en als hij vrijkomt kan hij starten met een dagbesteding gericht op muziek. De Raad schat in dat de meeste risicofactoren voor de verdachte zich bevinden binnen de domeinen relaties en houding. De verdachte bevindt zich al lange tijd in een netwerk dat zich bezighoudt met criminele activiteiten. De verdachte twijfelt of hij hier afstand van wil nemen of dat hij in het criminele circuit wil blijven. Op het moment dat de verdachte vrijkomt en opnieuw in contact komt met de jongeren die eerder een negatieve invloed op hem hebben gehad, weet de Raad niet of de verdachte voldoende weerstand kan bieden tegen druk en antisociaal gedrag. De Raad is van mening dat er voor de verdachte een strak kader nodig is, met duidelijke consequenties bij het overtreden van voorwaarden, om zo de kans op herhaling van delictgedrag te verkleinen. De verdachte heeft zelf aangegeven enkel mee te kunnen werken aan een plan als de consequenties voor hem duidelijk zijn. Dit kan binnen een GBM worden vormgegeven. De verdachte verblijft al langere tijd in voorlopige hechtenis. De Raad adviseert om ook een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, gelijk aan de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.
Op de zitting heeft de Raad aanvullend naar voren gebracht dat naast de voorwaarden zoals beschreven in het adviesrapport van 10 september 2026 ook een avondklok van 19.00 tot 07.00 voor de maximale duur van drie maanden of zolang de jeugdreclassering dat nodig acht, noodzakelijk wordt geacht.
De jeugdreclassering is vanwege een eerdere veroordeling bij de verdachte betrokken geraakt. Op de zitting is door de jeugdreclassering verklaard dat zij de bevindingen en conclusies in de Pro Justitia-rapportage en het rapport van de Raad onderschrijft. Volgens de jeugdreclassering lukt het de verdachte steeds beter om in gesprek te komen en lijkt hij bewustere keuzes te maken. De verdachte is inmiddels gestart met muziektherapie en ook dat verloopt voorspoedig.
Conclusie van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf en de maatregelen heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder het feit is begaan, en de straf die in soortgelijke zaken wordt opgelegd. Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met verdachtes persoonlijkheid en persoonlijke omstandigheden, die sterk medebepalend zijn in het risico op recidive.
Straf - jeugddetentie
De rechtbank acht al met al oplegging van jeugddetentie voor de duur van 302 dagen passend en geboden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank gaat daarbij uit van 301 dagen voorarrest op de dag van de uitspraak. De rechtbank legt een lagere straf op dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte nu gemotiveerd is om mee te werken aan het voorgestelde begeleidings- en behandeltraject, zoals vormgegeven in de GBM. De rechtbank acht het van belang dat deze bereidheid tot behandeling en begeleiding niet wordt doorkruist door een langere vrijheidsbeneming dan op dit moment nodig is.
Gedragsbeïnvloedende maatregel
De rechtbank is van oordeel dat aan de vereisten voor het opleggen van een GBM is voldaan. De verdachte heeft een ernstig strafbaar feit gepleegd en de rechtbank acht oplegging van deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte. De rechtbank sluit hiermee aan bij het Pro Justitia advies, het advies van de Raad en de toelichting daarop ter terechtzitting door de Raad en het advies van de jeugdreclassering. De rechtbank zal overeenkomstig deze adviezen de GBM opleggen voor de duur van een jaar en daaraan de hierna te noemen voorwaarden verbinden.
Bij de keuze tot het opleggen van een GBM en bij de vaststelling van de duur ervan heeft de rechtbank in het bijzonder laten meewegen dat het voorgestelde begeleidings- en behandeltraject tijd nodig heeft en de verdachte zal helpen om begeleiding te accepteren en behandeling aan te gaan en hem ervoor zal behoeden terug te vallen in zijn oude gedrag.
De rechtbank acht het hierbij van belang dat binnen de GBM de mogelijkheid bestaat om de verdachte, in het kader van een tijdelijke time out, de consequenties te laten ervaren wanneer hij zich niet aan de gestelde voorwaarden houdt.
Dadelijke uitvoerbaarheid gedragsbeïnvloedende maatregel
De rechtbank zal bevelen dat de GBM en het daarbij behorende programma dadelijk uitvoerbaar is, nu er gelet op de over de verdachte uitgebrachte rapportages ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen, en de dadelijke uitvoerbaarheid (mede) in het belang van de verdachte is.
Vrijheidsbeperkende maatregel (38v Sr)
Om strafbare feiten te voorkomen wordt daarnaast een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd voor de duur van twee (2) jaren. Deze maatregel houdt in een contactverbod met het slachtoffer en medeverdachte [de medeverdachte 1] en een locatieverbod voor de gemeente Hoorn. Voor iedere keer dat de verdachte niet aan deze maatregel voldoet, kan vervangende jeugddetentie worden toegepast van twee (2) weken, met een totale duur van maximaal zes (6) maanden. De jeugddetentie heft de verplichtingen op grond van deze maatregel niet op.
Dadelijke uitvoerbaarheid vrijheidsbeperkende maatregel
De rechtbank verklaart ook deze maatregel dadelijk uitvoerbaar omdat er, gelet ook op de hiervoor aangehaalde rapporten en adviezen over de verdachte, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen.
7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij]
Door de benadeelde partij [de benadeelde partij] is een vordering tot schadevergoeding van
€ 17.023,26 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de hoofdelijkheidsclausule en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde materiële schade bestaat uit: daggeldvergoeding ziekenhuis (€ 152,00), kleding (€ 399,90), kosten in verband met medische behandeling (€ 385,00), reiskosten in verband met medische behandeling (€ 30,36), inkomstenderving (€ 4.556,00) en toekomstige reis- en parkeerkosten en toekomstige medische kosten (€ 5.000,00). De gestelde immateriële schade bedraagt: € 11,500,00.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, zoals verzocht.
Standpunt van de verdediging
Primair heeft de verdediging, onder verwijzing naar het eerdere vrijspraakverweer, bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Subsidiair heeft de verdediging de hoogte van de gestelde schade aan de kleding betwist. Een aankoop- of betaalbewijs ontbreekt en de overgelegde foto betreft een heel andere trui. De gevorderde materiële schade dient op dit punt te worden gematigd, de rechtbank kan het toe te wijzen bedrag schatten. Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat de vordering tot vergoeding van inkomstenderving geheel moet worden afgewezen, omdat deze onvoldoende is onderbouwd. Meer subsidiair heeft de verdediging bepleit dat het gevorderde bedrag aan inkomstenderving in ieder geval slechts voor de helft moet worden toegewezen.
De verdediging heeft tot slot bepleit dat de immateriële schadevergoeding aanzienlijk moet worden gematigd, waarbij de rechtbank volgens de verdediging aansluiting dient te zoeken bij sub f van paragraaf 4.1 van de Rotterdamse schaal.
Voor het overige heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Onbetwist is dat aan de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank acht een bedrag van in totaal € 3.375,36 voor vergoeding in aanmerking komen en overweegt daartoe als volgt. Voor zover schadeposten onbesproken blijven, worden deze als niet betwist en toewijsbaar aangemerkt.
De gevorderde schade ter zake van kleding vloeit rechtstreeks voort uit het bewezenverklaarde feit, maar is onvoldoende onderbouwd. De rechtbank maakt gebruik van haar schattingsbevoegdheid en begroot deze schade op € 100,-. Het overige deel van deze schadepost zal niet-ontvankelijk worden verklaard.
De vordering ter zake van inkomensderving is toegelicht en onderbouwd met aangiftes inkomstenbelasting over 2023, 2024 en 2025 en met BTW aangiftes van 4 kwartalen 2025. De rechtbank acht aannemelijk dat de benadeelde partij in de periode na het schietincident niet heeft kunnen werken en daardoor inkomsten heeft misgelopen. Bij de vaststelling van de hoogte van deze schade neemt de rechtbank de overgelegde aangiftes inkomstenbelasting 2023 en 2024 als uitgangspunt. Het gemiddelde netto-inkomen van de benadeelde partij in 2023 en 2024 bedroeg € 28.948,-. Het netto-inkomen in 2025 bedroeg € 26.240,-. Het verschil tussen beide bedragen, zijnde € 2.708,-, zal de rechtbank toewijzen als materiële schade ter zake van inkomensderving. Het overige deel van deze vordering zal niet-ontvankelijk worden verklaard.
De gevorderde toekomstige materiële schade van € 5.000,- zal, overeenkomstig de vordering, niet-ontvankelijk worden verklaard.
De overige – niet betwiste en voldoende onderbouwde – materiële schadeposten zullen worden toegewezen zoals verzocht.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft, op grond van artikel 6:106, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek, recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade. De verdediging betwist niet het bestaan van immateriële schade als gevolg van het strafbare feit maar wel de hoogte van het gevorderde bedrag. De rechtbank zal de gevorderde immateriële schadevergoeding begroten aan de hand van de Rotterdamse Schaal.
In het onderhavige geval sluit de rechtbank aan bij categorie 4.1 onder d van de A-categorie, te weten minder ernstig borstletsel. Vaststaat immers dat de benadeelde letsel heeft opgelopen aan de lever, long en het middenrif en dat hij daarvan nog steeds de gevolgen ondervindt. Gelet op de aard en de ernst van het letsel acht de rechtbank een bedrag van € 10.000,- billijk.
De rechtbank ziet daarnaast aanleiding om dit bedrag te verhogen met 15%, nu sprake is van ernstig verwijtbaar handelen. De benadeelde is, als toevallige voorbijganger, neergeschoten en heeft als gevolg daarvan ernstig letsel opgelopen. Dit leidt tot een toewijsbare immateriële schadevergoeding van € 11.500,-.
Conclusie
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij daarom toewijzen tot een bedrag van € 14.875,36, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
Daarbij zal de rechtbank bepalen dat als een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd (hoofdelijkheid).
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
8. Vordering tot tenuitvoerlegging (15/005831-25)
Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd
Bij vonnis van 28 mei 2025 van de meervoudige jeugdstrafkamer van deze rechtbank, in de zaak met parketnummer 15/005831-25, is de verdachte onder meer veroordeeld tot een jeugddetentie van 120 dagen met aftrek, waarvan 100 dagen voorwaardelijk. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De mededeling als bedoeld in artikel 366a Sv is op 17 juni 2025 aan de verdachte toegezonden.
De proeftijd is ingegaan op 12 juni 2025 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 9 december 2025 gevorderd dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd. Op de zitting van 17 september 2026 heeft de officier van justitie deze vordering gehandhaafd.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf moet worden afgewezen, omdat de verdachte na negen maanden in detentie de gelegenheid moet krijgen zijn leven weer op te pakken. De verdediging heeft aangevoerd dat de proeftijd niet dient te worden verlengd, nu deze nog tot medio 2028 loopt.
Advies van de Raad
De Raad heeft geadviseerd om de proeftijd behorende bij de voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde jeugddetentie te verlengen.
Oordeel van de rechtbank
Uit de genoemde stukken en hetgeen ter zitting door de jeugdreclassering naar voren is gebracht, is gebleken dat de verdachte meerdere bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd en ook de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte voldoende kansen heeft gehad om zich aan de gestelde voorwaarden te houden. Op zichzelf bestaat er dan ook alle aanleiding om de vordering tot tenuitvoerlegging geheel of gedeeltelijk toe te wijzen. Het is van belang dat de verdachte de consequenties van zijn gedrag ondervindt. Daar staat tegenover dat het ook van belang is dat de verdachte zich in de komende periode kan richten op zijn terugkeer in de maatschappij. De rechtbank acht daarbij van belang dat de verdachte kan profiteren van het kader van de GBM die aan hem wordt opgelegd, maar de rechtbank acht het ook van belang dat de verdachte (na die tijd) de eerder opgelegde bijzondere voorwaarden behoudt.
Gelet hierop zal de rechtbank de vordering van de officier van justitie afwijzen en de proeftijd met één jaar verlengen. De rechtbank bepaalt dat de daarbij gestelde voorwaarden ongewijzigd blijven.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
36f, 47, 77a, 77g, 77i, 77w, 77wa, 77wc, 77aa, 77gg en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
10. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het onder 3.4. bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Jeugddetentie
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 302 (driehonderdtwee) dagen.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te stellen op 301 dagen, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gedragsbeïnvloedende maatregel
Legt aan de verdachte op de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat deze maatregel zal bestaan uit:
• het meewerken aan de leerstraf Tools4U Verlengd;• het meewerken aan behandeling vanuit de Waag, of een soortgelijke instelling, waarbij de individuele behandeling dient te zijn gericht op het verbeteren van het zelfbeeld, de individualiteit en de weerbaarheid van de verdachte en op het stimuleren van het mentaliserend vermogen, het leren nadenken over (morele) keuzes en het verbeteren van de emotieregulatie door te oefenen met het adequaat leren uiten van zijn wensen en grenzen. En waarbij gezinsbehandeling dient te zijn gericht op het maken van afspraken en het in kaart brengen van de afstemming en de posities in het gezin, zodat verder antisociaal en grensoverschrijdend gedrag van de verdachte wordt voorkomen en de band tussen de verdachte en ouders wordt hersteld;
• het meewerken aan diagnostiek vanuit de Waag, of een soortgelijke instelling, om te beoordelen of er sprake is van een aandachtstekortstoornis;• het meewerken aan de hulpverlening door een coach vanuit de Hoofdtrainer, of een soortgelijke coach of organisatie, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;• het meewerken aan het vinden en behouden van een passende dagbesteding;
• het houden aan het locatiegebod van 19.00 uur tot 07.00 uur op het adres van de ouders van de verdachte ( [adres] ), met een maximale duur van zes maanden, waarbij de jeugdreclassering de ruimte heeft om dit te verruimen;
• het zich ter controle van de avondklok onder elektronische monitoring stellen van de jeugdreclassering voor de maximale duur van 6 maanden, waarbij de jeugdreclassering de ruimte heeft om dit te verruimen.
De gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd te Alkmaar, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, heeft tot taak de ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de maatregel.
Beveelt, voor het geval dat de verdachte niet naar behoren aan de tenuitvoerlegging van de maatregel heeft meegewerkt, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Beveelt dat het programma waaruit de maatregel bestaat, dadelijk uitvoerbaar is.
Vrijheidsbeperkende maatregel
Legt op de maatregel dat de verdachte voor de duur van twee jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
tenzij het contact met toestemming van het Openbaar Ministerie plaatsvindt.
Legt op de maatregel dat de verdachte voor de duur van twee jaar zich niet zal ophouden in de gemeente Hoorn, tenzij met toestemming van het Openbaar Ministerie.
Beveelt dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende jeugddetentie bedraagt 14 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 maanden.
Toepassing van de vervangende jeugddetentie heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de maatregel, gelet op artikel 77we, tweede lid, j° 38v, vierde lid, Sr, dadelijk uitvoerbaar is.
Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [de benadeelde partij] geleden schade tot een bedrag van € 14.875,36 (veertienduizend achthonderdvijfenzeventig euro en zesendertig cent) bestaande uit € 3.375,36 als vergoeding voor de materiële en € 11.500,00 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 14.875,36 (veertienduizend achthonderdvijfenzeventig euro en zesendertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen gijzeling.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Beslissing over vordering tenuitvoerlegging
Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 28 mei 2025 van de meervoudige jeugdstrafkamer in de zaak met parketnummer 15/005831-25 opgelegde voorwaardelijke straf.
Verlengt de bij vonnis van 28 mei 2025 van de meervoudige jeugdstrafkamer in de zaak met parketnummer 15/005831-25 opgelegde proeftijd met één jaar.
Beslissing over voorlopige hechtenis
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte in de zaak met parketnummer 15-322540- 25 met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van de opgelegde jeugddetentie.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. E.C.M. van Mierlo, voorzitter, tevens kinderrechter
mr. E.M. ten Bos, rechter, tevens kinderrechter en mr. R. Heemskerk, rechter,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.E. Bos,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 oktober 2026.