ECLI:NL:RBNHO:2026:13420

ECLI:NL:RBNHO:2026:13420

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 07-10-2026
Datum publicatie 02-10-2026
Zaaknummer C/15/381531
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Kort geding tot nakoming zorgregeling. Voldoende aannemelijk dat de man de zorgregeling niet stipt nakomt. Vordering tot veroordeling tot stipte nakoming op straffe van een dwangsom wijst de voorzieningenrechter toe.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: C/15/381531 / KG ZA 26-496

Vonnis in kort geding van 7 oktober 2026

in de zaak van

[de vrouw] ,

te [plaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.J.M. Kleiweg,

tegen

[de man] ,

te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. E. El-Sharkawi.

De zaak in het kort

Tussen partijen speelt een geschil over de zorgregeling ten aanzien van de dochter van partijen. De vrouw stelt dat de man de zorgregeling niet stipt nakomt, omdat de man de dochter niet op de in de zorgregeling aangegeven tijdstippen ophaalt en terugbrengt. Ook houdt hij de omgangsmomenten met de dochter kort. De vrouw vordert daarom dat de voorzieningenrechter de man veroordeelt tot stipte nakoming van de zorgregeling op straffe van een dwangsom. De man betwist dat hij de zorgregeling niet stipt nakomt.

De man heeft tegenover het betoog van de vrouw onvoldoende toegelicht en daarmee onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij de zorgregeling wel stipt nakomt. Omdat de man de zorgregeling niet stipt nakomt, komt hij zijn verzorgings- en opvoedingsplicht tegenover de dochter niet na en dit is niet in haar belang. Daarnaast heeft ook de vrouw belang bij stipte nakoming van de zorgregeling, omdat zij haar werktijden daarop moet kunnen afstemmen. De voorzieningenrechter wijst daarom de vordering van de vrouw toe. De aan de vordering verbonden dwangsom matigt en maximeert de voorzieningenrechter.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 5- de mondelinge behandeling van 23 september 2026, waarvan door de griffier zittingsaantekeningen zijn gemaakt.

2. De feiten

Partijen hebben vanaf 2016 tot en met 2023 een affectieve relatie met elkaar gehad.

Uit deze relatie is op [geboortedatum] in [plaats] , [land] , [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ) geboren. De man heeft [de minderjarige] erkend en partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over haar.

Partijen zijn afkomstig uit [land] en wonen in Nederland. De man heeft de

Syrische nationaliteit en de vrouw en [de minderjarige] hebben de Oekraïense nationaliteit. De vrouw

woont met [de minderjarige] in een opvanglocatie in [plaats] . De man heeft een woning in [plaats] .

Partijen hebben in overleg een zorgregeling afgesproken.

De vrouw heeft op 3 april 2024 bij deze rechtbank een verzoekschrift ingediend

onder meer om de overeengekomen zorgregeling vast te laten leggen. In die zaak heeft op

13 augustus 2024 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Tijdens die mondelinge

behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt over een voorlopige zorgregeling. De

rechtbank heeft deze zorgregeling in haar beschikking van 27 augustus 2024 als volgt

vastgelegd:

“- [de minderjarige] verblijft op zaterdag bij de moeder:

- [de minderjarige] wordt op zondagochtend om 9:00 uur door de vader bij de moeder opgehaald

en blijft tot maandag 19:30 uur bij hem. De vader brengt [de minderjarige] op maandag naar school;

- [de minderjarige] verblijft op dinsdag en woensdag bij de moeder;

- de vader haalt [de minderjarige] op donderdag na zijn werk – om 15:00 uur – bij de moeder op

en brengt haar om 19:30 uur weer terug bij de moeder. [de minderjarige] is vervolgens tot en

met zaterdag bij de moeder.”

Omdat de man de zorgregeling niet stipt nakwam, is de vrouw een kort geding tegen de man gestart. Ter zitting op 7 mei 2025 hebben partijen afgesproken dat partijen de voorlopige zorgregeling van 27 augustus 2024 moesten nakomen. De zaak werd verder pro forma voor drie maanden aangehouden.

Na het einde van de termijn tot aanhouding van de zaak heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij vonnis in kort geding van 15 augustus 2025 de man veroordeeld tot stipte nakoming van de voorlopige zorgregeling van 27 augustus 2024 op straffe van een dwangsom van € 100,00 met een maximum van € 2.500,00.

In haar eindbeschikking van 23 april 2026 heeft deze rechtbank de voorlopige zorgregeling van 27 augustus 2024 definitief vastgesteld.

3. Het geschil

De vrouw vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

I. de man veroordeelt tot stipte nakoming van de in de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 23 april 2026 opgenomen zorgregeling en de genoemde tijdstippen, op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere keer dat de man [de minderjarige] niet op tijd haalt of terugbrengt bij de vrouw;

II. de man op straffe van een dwangsom van € 250,00 verbiedt om [de minderjarige] bij de vrouw op te halen op een ander moment dan in de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 23 april 2026 opgenomen zorgregeling staat omschreven, op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere keer dat de man dit wel zal doen;

III. de proceskosten tussen partijen compenseert.

De vrouw legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. De man komt de zorgregeling zoals door deze rechtbank is vastgelegd in haar beschikking van 23 april 2026, niet na. Zo haalt de man [de minderjarige] pas maandagmiddag in plaats van zondagochtend bij de vrouw op, brengt hij slechts een uur met haar door en brengt hij haar daarna weer terug naar de vrouw. Hetzelfde gebeurt op de donderdag. Dit geeft de vrouw en [de minderjarige] veel onrust, want zij weten niet waar zij met de man aan toe zijn. De vrouw kan immers door het handelen van de man niet meer uren werken en daardoor niet meer geld verdienen om in haar en [de minderjarige] ’s levensonderhoud te voorzien. Daarnaast hebben er incidenten tijdens vorige omgangsmomenten plaatsgevonden. De man heeft bijvoorbeeld [de minderjarige] urenlang alleen in zijn auto achtergelaten. Een andere keer mocht [de minderjarige] van de man niet zwemmen. De vrouw zou deze procedure in kort geding niet zijn gestart, als de man de zorgregeling stipt was nagekomen, aldus steeds de vrouw.

De man heeft ter zitting betwist dat hij de zorgregeling structureel niet nakomt.

Op de stellingen van partijen zal de voorzieningenrechter hierna, voor zover van belang, nader ingaan.

4. De beoordeling

De voorzieningenrechter zal de vordering van de vrouw onder I toewijzen. Hij zal hierna toelichten hoe hij tot dit oordeel is gekomen.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Uit de stukken kan worden afgeleid dat de moeder de Oekraïense nationaliteit bezit, de vader de Syrische nationaliteit en [de minderjarige] de Oekraïense nationaliteit. De zaak heeft daarom een internationaal karakter en zal eerst beoordeeld moeten worden of de Nederlandse rechter bevoegd is om over het geschil te oordelen en zo ja, welk recht van toepassing is.

De bevoegdheid van de Nederlandse rechter volgt uit artikel 7 lid 1 van Verordening (EG) nr. 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019

(Brussel II ter), omdat [de minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Ingevolge artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 dat handelt over de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid, is om diezelfde reden ook Nederlands recht van toepassing.

Spoedeisendheid

De spoedeisendheid volgt uit de aard van de zaak. Tussen de man en de vrouw is een zorgregeling voor [de minderjarige] door deze rechtbank vastgesteld. De man komt de zorgregeling volgens de vrouw niet na. Gelet op het belang van [de minderjarige] bij regelmatig contact met haar vader en het belang van de vrouw bij nakoming van de gemaakte afspraken is het spoedeisend belang gegeven. Daarbij speelt mee dat de vrouw haar werktijden moet kunnen afstemmen op de zorgregeling.

De man moet de zorgregeling nakomen

De voorzieningenrechter stelt voorop dat deze rechtbank bij haar eindbeschikking van 23 april 2026 in het belang van [de minderjarige] de zorgregeling definitief heeft vastgesteld. Partijen hebben immers als de met ouderlijk gezag belaste ouders van [de minderjarige] het recht en de plicht om [de minderjarige] te verzorgen en op te voeden. Met de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling is aan deze plicht invulling gegeven. Partijen zijn daarom (wettelijk) verplicht om [de minderjarige] op de in de zorgregeling afgesproken momenten te verzorgen en op te voeden. Dit betekent ook dat de vader verplicht is om [de minderjarige] op de in de zorgregeling afgesproken tijdstippen bij de vrouw op te halen en weer terug te brengen.

De voorzieningenrechter zal de vordering van de vrouw tot veroordeling van de man tot stipte nakoming van de zorgregeling toewijzen, omdat voldoende aannemelijk is dat de man zijn verplichtingen op grond van de zorgregeling niet voldoende stipt nakomt. Tegenover het betoog van de vrouw dat de man op dit moment slechts twee uur per week met [de minderjarige] contact heeft, heeft de man verklaard dat hij de zorgregeling wel stipt nakomt en dat het slechts sporadisch gebeurt dat hij [de minderjarige] niet op de juiste tijdstippen ophaalt en/of terugbrengt. Dit verweer is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet overtuigend genoeg. Van de man had mogen worden verwacht dat hij ten minste een nadere beschrijving zou geven van zijn contactmomenten met [de minderjarige] , bijvoorbeeld door aan te geven welke activiteiten hij met [de minderjarige] heeft ondernomen. Omdat de man dat niet heeft gedaan, is het betoog van de vrouw dat zij niet weer een kortgedingprocedure tegen de man zou zijn begonnen, als hij de zorgregeling zou zijn nagekomen, voldoende overtuigend om haar vordering toe te wijzen. Daarbij speelt ook mee dat de man daar geen enkele last van ondervindt als hij de regeling voldoende stipt nakomt.

De voorzieningenrechter zal de dwangsom gematigd en gemaximeerd toewijzen

De voorzieningenrechter zal de gevorderde dwangsom wel matigen en maximeren. Ook zal worden bepaald dat de man de dwangsom niet verbeurt, als hij incidenteel iets te laat of te vroeg is; een marge van vijftien minuten acht de voorzieningenrechter, gelet op de woonplaatsen van partijen, redelijk.

De dwangsom wordt alleen verbonden aan de nakoming van de zorgregeling en niet aan andere zaken die betrekking hebben op de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . De vrouw heeft een lijst overgelegd met incidenten die tijdens de contactmomenten tussen de man en [de minderjarige] zouden hebben plaatsgevonden, maar een aantal van deze incidenten, zoals het verbieden van [de minderjarige] om te zwemmen, ziet niet op de nakoming van de zorgregeling.

De vrouw heeft ter zitting erkend dat zij geen zelfstandig belang heeft bij haar vordering onder II als de vordering onder I wordt toegewezen. De vordering onder II zal daarom worden afgewezen.

De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad

De voorzieningenrechter zal dit vonnis in kort geding voor wat betreft de veroordeling tot stipte nakoming van de zorgregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat de beslissing van de voorzieningenrechter op dit punt moet worden gevolgd, ook als een van de partijen daartegen in hoger beroep gaat. De beslissing van de voorzieningenrechter geldt in dat geval in beginsel totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd

Gelet op de relatie tussen partijen zal de voorzieningenrechter de proceskosten tussen hen zo compenseren dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

veroordeelt de man tot stipte nakoming van de in de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 23 april 2026 opgenomen zorgregeling en de genoemde tijdstippen, op straffe van een dwangsom van € 100,00 voor iedere keer dat de man [de minderjarige] niet op tijd haalt of terugbrengt bij de vrouw, tot een maximum van € 2.500,00,

bepaalt dat de man geen dwangsom verbeurt als hij incidenteel iets te laat of te vroeg is, waarbij een marge geldt van vijftien minuten,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, zo dat iedere partij de eigen kosten draagt,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.

1835

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand