ECLI:NL:RBNHO:2026:13228

ECLI:NL:RBNHO:2026:13228

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 14-09-2026
Datum publicatie 30-09-2026
Zaaknummer C/15/381573
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

De kinderrechter verleent een ondertoezichtstelling voor de twee broers en verleent een machtiging tot uithuisplaatsing voor één minderjarige. De kinderrechter wijst het verzoek tot een machtiging tot uithuisplaatsing van de andere minderjarige af, vanwege de mening van deze minderjarige. De kinderrechter informeert de minderjarigen in de beschikking middels een kindbrief.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Alkmaar

Zaaknummer: C/15/381573 / JU RK 26-1351

Datum uitspraak: 14 september 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de Raad,

gevestigd te Haarlem,

over

[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,

[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

hierna te noemen: [de minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [plaats] , gemeente [gemeente] ,

advocaat: mr. L.N. Hermes uit Noord-Scharwoude.

De kinderrechter merkt als informant aan:

de gecertificeerde instelling Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers,

hierna te noemen: de GI,

gevestigd te Heerhugowaard.

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift van de Raad, ontvangen op 27 augustus 2026.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 september 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door mr. L.N. Hermes;

- [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad;

- [vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI.

De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] (hierna gezamenlijk ook wel te noemen: de kinderen) naar hun mening gevraagd. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben, voorafgaand aan de zitting, hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben verteld. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] waren aanwezig bij de uitspraak.

2. De feiten

De vader is overleden in 2014. De moeder draagt sindsdien alleen het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .

[de minderjarige 1] verblijft sinds februari 2026 in een netwerkpleeggezin. [de minderjarige 2] verblijft sinds maart 2026 in een (ander) netwerkpleeggezin.

3. Het verzoek

De Raad verzoekt [de minderjarige 1] onder toezicht te stellen en uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot zijn meerderjarigheid, te weten tot [datum] . De Raad verzoekt [de minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van negen maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

De Raad brengt naar voren dat de kinderen ernstig worden bedreigd in hun ontwikkeling doordat de relatie tussen de moeder en de kinderen volledig verstoord is geraakt. De moeder kampt mogelijk met eigen problematiek en het lukt haar niet om aan te sluiten bij de behoeften en belangen van de kinderen. Zij is verwijtend, afwijzend en onvoorspelbaar richting de kinderen. De kinderen willen op dit moment geen contact met de moeder en verblijven nu allebei in een netwerkpleeggezin, waar zij zich positief ontwikkelen. De moeder geeft geen toestemming voor dat verblijf. Het lukt haar niet om onder eigen verantwoordelijkheid een positieve verandering teweeg te brengen in de situatie en zij staat niet open voor hulpverlening. Een ondertoezichtstelling is daarom noodzakelijk. De moeder dient hulpverlening te ontvangen en de kinderen dienen hulpverlening te ontvangen voor hun trauma’s en loyaliteitsproblematiek. Een machtiging tot uithuisplaatsing is ook noodzakelijk. De kinderen hebben behoefte aan rust, veiligheid en voorspelbaarheid en het lukt de netwerkpleegouders om dat te bieden aan de kinderen.

In het gesprek van de kinderrechter met [de minderjarige 1] en tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [de minderjarige 1] weer wil verblijven bij de moeder. De raad vindt het positief dat [de minderjarige 1] voorafgaand aan de zitting een week bij de moeder heeft verbleven en dat dat goed is gegaan. Maar de Raad vindt deze positieve ontwikkeling nog pril en kwetsbaar. Een plek bij de netwerkpleegouders moet gewaarborgd worden voor het geval het niet goed gaat bij de moeder en zij geen toestemming geeft voor een verblijf van [de minderjarige 1] bij de netwerkpleegouders. Daarom handhaaft de Raad de verzoeken. Een terugkeer van [de minderjarige 1] bij de moeder dient in elk geval stapsgewijs plaats te vinden.

4. De standpunten

De mening van [de minderjarige 1]

[de minderjarige 1] staat niet achter het verzoek van de Raad om hem uit huis te plaatsen, aangezien hij terug wil naar de moeder. Hij heeft onlangs een week bij de moeder verbleven en dat is hem goed bevallen. De moeder en [de minderjarige 1] ontvangen systeemtherapie, wat hij als helpend ervaart.

[de minderjarige 1] vindt een ondertoezichtstelling wel een goed idee. Op die manier kan worden ingegrepen en hulp worden ingezet wanneer dat nodig is.

De mening van [de minderjarige 2]

[de minderjarige 2] staat achter de verzoeken van de Raad. Er is veel gebeurd bij de moeder thuis en bij het pleeggezin ervaart hij eindelijk rust en voelt hij zich thuis.

[de minderjarige 2] wil liever geen hulpverlening meer ontvangen, aangezien de in het verleden ingezette hulpverlening niet tot een verbetering in de situatie heeft geleid.

[de minderjarige 2] spreekt [de minderjarige 1] regelmatig en zij hebben een goede band.

Het standpunt van de moeder

De moeder staat achter de verzoeken van de Raad, als het gaat om [de minderjarige 2] . Het lukt de moeder niet om [de minderjarige 2] te begrenzen, wat tot spanning en onrust heeft geleid in de thuissituatie. Daar is hulpverlening voor nodig, maar de moeder vraagt zich af of [de minderjarige 2] daarvoor openstaat. De moeder sluit de deur niet voor [de minderjarige 2] , maar vindt het noodzakelijk dat hij te begrenzen is als hij terugkomt naar de moeder. De verhouding met de netwerkpleegmoeder van [de minderjarige 2] is verstoord geraakt. Een herstelgesprek is daarom van belang. De moeder staat niet achter de verzoeken van de Raad voor [de minderjarige 1] . [de minderjarige 1] wil namelijk terug naar de moeder en de moeder staat daarvoor open, aangezien er op dit moment meer rust is in de thuissituatie. De moeder heeft een diepgeworteld conflict met de netwerkpleegmoeder van [de minderjarige 1] , wat maakt dat zij een verblijf van [de minderjarige 1] bij de netwerkpleegouders onwenselijk vindt. Het lijkt de moeder de komende periode passend om systeemtherapie in te zetten. [de minderjarige 1] krijgt ook de 18+ hulpverlening waaraan hij behoefte heeft. De moeder vraagt zich daarom af wat een ondertoezichtstelling kan toevoegen in de situatie van de moeder en [de minderjarige 1] . De moeder verwacht bovendien dat zij zelf sneller hulpverlening kan inzetten dan de GI, aangezien het lang duurt voordat er een vaste jeugdbeschermer is.

De visie van de GI

De GI staat achter de verzoeken van de Raad. Het is goed dat het verblijf van [de minderjarige 1] bij de moeder positief is verlopen, maar het is wel belangrijk om voorzichtig te zijn. Een terugplaatsing van [de minderjarige 1] moet zorgvuldig plaatsvinden. Er moeten afspraken worden gemaakt en er dient bekeken te worden in hoeverre de moeder weet aan te sluiten bij [de minderjarige 1] . De GI kan het 18+ plan voor [de minderjarige 1] oppakken, zodat de hulpverlening kan blijven doorlopen na zijn achttiende verjaardag.

5. De beoordeling

De ondertoezichtstelling

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling van beide kinderen is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

De ontwikkeling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wordt ernstig bedreigd. De kinderen hebben een belast verleden, waarin zij te maken hebben gehad met huiselijk geweld en het overlijden van hun vader. Er waren zorgen over de schoolgang van de kinderen en over het negatieve netwerk van [de minderjarige 2] . De afgelopen periode is de relatie tussen de moeder en de kinderen ernstig verstoord geraakt. De moeder heeft zich op negatieve wijze geuit richting de kinderen en er zijn veel escalaties en incidenten geweest in en rondom te thuissituatie. De kinderen hebben op een gegeven moment het punt bereikt dat zij zich thuis niet langer veilig voelden, niet tot rust kwamen en last hadden van boosheid. Beide kinderen hebben besloten om (afzonderlijk) te verblijven in een netwerkpleeggezin.

Duidelijk is geworden dat de moeder onvoldoende openstaat voor hulpverlening. Zo heeft zij, ondanks de forse zorgen, geen hulpvraag, legt zij het probleem buiten zichzelf, beschikt zij over onvoldoende zelfreflectie en staat zij beperkt open voor gesprekken daarover. Daardoor is de hulpverlening in het vrijwillig kader niet van de grond gekomen. De kinderrechter heeft er daardoor geen vertrouwen in dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging kan worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening.

Het is daarom noodzakelijk dat de kinderen onder toezicht worden gesteld. De komende periode dient hulpverlening ingezet te worden voor de moeder, zodat zij beter leert aan te sluiten bij de (opvoed)behoeften van de kinderen. Ook moet er een herstelgesprek worden georganiseerd voor de moeder en de netwerkpleegmoeder van [de minderjarige 2] . Voor de kinderen dient er in elk geval hulpverlening ingezet te worden voor hun trauma- en loyaliteitsproblematiek. De kinderrechter acht het van belang dat wordt bekeken op welke manier [de minderjarige 2] gemotiveerd kan worden voor hulpverlening. Ook moet bekeken hoe en in welke vorm het contact tussen de moeder en [de minderjarige 2] kan worden hersteld. Voor [de minderjarige 1] dient er een 18+ plan opgesteld te worden. Verder acht de kinderrechter de ondertoezichtstelling noodzakelijk om zicht te krijgen op de (opvoed)situatie bij de moeder en te kunnen bijsturen indien dat nodig is.

De kinderrechter stelt [de minderjarige 1] onder toezicht tot zijn meerderjarigheid, te weten tot [datum] . De kinderrechter stelt [de minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van een jaar.

De uithuisplaatsing

De kinderrechter overweegt over de machtiging tot uithuisplaatsing het volgende.

Gebleken is dat [de minderjarige 2] al langere tijd geen contact heeft met de moeder en daaraan op dit moment ook geen behoefte heeft. In het netwerkpleeggezin komt hij tot rust, voelt hij zich thuis en komt hij toe aan zijn ontwikkeling. Zijn netwerkpleegouders hebben aangegeven dat [de minderjarige 2] bij hen kan blijven zolang als hij wil. Ook mag hij van de netwerkpleegouders altijd terug naar de moeder. De moeder en [de minderjarige 2] stemmen beiden in met de plaatsing van [de minderjarige 2] in het netwerkpleeggezin.

De kinderrechter acht het in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige 2] noodzakelijk dat zijn verblijf in het netwerkpleeggezin wordt voortgezet. De kinderrechter verleent daarom een machtiging om [de minderjarige 2] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van negen maanden, te weten tot 14 juni 2027.

Voor [de minderjarige 1] is naar het oordeel van de kinderrechter sprake van een andere situatie. [de minderjarige 1] is recent een week bij de moeder is geweest en dat verblijf is goed verlopen. [de minderjarige 1] heeft verteld dat er een rustige sfeer was in de thuissituatie van de moeder en dat er geen escalaties hebben plaatsgevonden. [de minderjarige 1] heeft daarom de wens om weer terug te keren naar de moeder. De moeder heeft aangegeven dat [de minderjarige 1] welkom is bij haar. De moeder en [de minderjarige 1] staan allebei open voor systeemtherapie.

De kinderrechter heeft begrip voor de wens van de Raad om de overgang van het verblijf van het netwerkpleeggezin naar de moeder rustig en stapsgewijs vorm te geven, maar laat de wens van [de minderjarige 1] om terug te keren naar de moeder zwaarder wegen. De kinderrechter acht het daarom niet noodzakelijk om [de minderjarige 1] uit huis te plaatsen in het netwerkpleeggezin. De kinderrechter wijst dit verzoek van de Raad daarom af.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

Boodschap voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]

De kinderrechter heeft gelezen dat jullie veel ingrijpende gebeurtenissen hebben meegemaakt in jullie leven en dat de band met jullie moeder de afgelopen periode ingewikkeld is geworden. Jullie zijn allebei in een netwerkpleeggezin gaan wonen omdat er te veel onrust was thuis. Jullie moeder heeft hulp aangeboden gekregen, maar het lukte haar niet om die hulpverlening te accepteren. De kinderrechter vindt het wel belangrijk dat jullie moeder hulpverlening krijgt, zodat de problemen kunnen afnemen. De kinderrechter vindt het ook belangrijk dat jullie zelf hulpverlening krijgen, zodat jullie de gebeurtenissen uit het verleden kunnen verwerken. Jullie moeten alle drie ondersteuning krijgen, zodat de band met jullie moeder kan worden hersteld en/of verbeterd. De kinderrechter heeft jullie om die reden onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling (Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers, ook wel: de GI). [de minderjarige 1] staat tot zijn achttiende verjaardag onder toezicht en [de minderjarige 2] voor een jaar. De GI zal in die periode met jullie en jullie moeder bespreken welke hulpverlening helpend is in jullie situatie en ervoor zorgen dat die ook wordt ingezet.

De kinderrechter heeft ook gekeken of een uithuisplaatsing noodzakelijk is.

[de minderjarige 1] , jij hebt verteld dat je weer bij je moeder wil wonen. De Raad vindt dat een terugkeer naar je moeder stapsgewijs moet gebeuren. De kinderrechter vindt het belangrijk om nu te luisteren naar jouw wens en zal jou daarom niet uit huis plaatsen. Het is dan jouw verantwoordelijkheid om te ervaren hoe het is om weer thuis te wonen en contact te onderhouden met de netwerkpleegouders, zodat je daar terecht kunt wanneer de spanning thuis oploopt en als je daaraan behoefte hebt. De kinderrechter heeft er vertrouwen in dat dat jou lukt.

[de minderjarige 2] , jij hebt verteld dat je geen contact hebt met je moeder en dat je daar nu ook geen behoefte aan hebt. Je hebt het naar je zin en komt tot rust bij jouw netwerkpleegouders. De kinderrechter vindt het daarom in jouw belang om jou uit huis te plaatsen, zodat jij kunt blijven bij de netwerkpleegouders waar je als sinds maart van dit jaar verblijft.

6. De beslissing

De kinderrechter:

stelt [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , onder toezicht van Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers met ingang van 14 september 2026 tot zijn meerderjarigheid, te weten tot [datum] ;

stelt [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , onder toezicht van Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers met ingang van 14 september 2026 tot 14 september 2027;

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 14 september 2026 tot 14 juni 2027;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2026 door mr. W.P. van der Haak, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. E.J. Thomas als griffier, en op schrift gesteld op 25 september 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. E.J. Thomas als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand