RECHTBANK NOORD-HOLLAND
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoeker
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/4094
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 september 2026 in de zaak tussen
en
(gemachtigde: mr. M.P. Hoogewerf).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] , uit [plaats] .
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de aan verzoekster opgelegde last onder dwangsom ter beëindiging van een geconstateerde overtreding. Verzoekster is het hier niet mee eens en heeft de voorzieningenrechter gevraagd het besluit te schorsen.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af omdat verzoekster bij de gevraagde voorlopige voorziening geen spoedeisend belang heeft. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
Op 28 januari 2026 heeft het college verzoekster gevorderd voor 11 februari 2026 een kopie te verstrekken van documenten over alle boekingen via het platform Airbnb en eventuele andere platforms van personen die in de periode van 1 januari 2025 tot en met de verzenddatum van deze brief op het adres [adres] in [plaats] hebben verbleven. Het betreft hierbij in elk geval documenten, waaruit objectief en concreet blijkt:
op welke data de betreffende woning in de hiervoor genoemde periode is verhuurd via het platform Airbnb;
op welke data de betreffende woning in de hiervoor genoemde periode is verhuurd via andere platforms, en;
hoeveel gasten per boeking de woning verbleven.
Bij besluit van 11 augustus 2026 heeft het college verzoekster gelast de overtreding van artikel 5:20, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) te beëindigen.
Aangegeven is dat verzoekster de overtreding kan beëindigen door uiterlijk op 26 augustus 2026 alsnog de volgende gegevens te verstrekken:
- uitdraaien/afschriften (op papier of digitaal) van alle afgeronde boekingen, via het platform Airbnb en eventuele andere platforms, betreffende het verblijf van personen in de periode van 1 januari 2025 tot en met de verzenddatum van deze brief op het adres [adres] in [plaats] . Dit adres is het kadastraal bekend als gemeente Haarlemmermeer, sectie A, nummer [nummer] .
Het gaat hierbij niet om zelf opgestelde overzichten, maar om uitdraaien/afschriften die rechtstreeks afgedrukt, gedownload of geëxporteerd zijn vanuit uw account(s) bij Airbnb en eventuele andere platforms die uw gebruikt. Uit deze uitdraaien/afschriften moet in elk geval objectief en concreet blijken:
op welke data de betreffende woning in de hiervoor genoemde periode is verhuurd via het platform Airbnb;
op welke data de betreffende woning in de hiervoor genoemde periode is verhuurd via andere platforms, en;
hoeveel gasten per boeking de woning verbleven.
Als verzoekster de gevraagde gegevens op 26 augustus 2026 niet of niet volledig verstrekt, dan moet zij € 1.000,- betalen per dag dat zij de gevraagde gegevens niet binnen de gegeven termijn naar het college heeft verstuurd tot een maximum van € 10.000,-.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om het besluit van 11 augustus 2026 te schorsen totdat op het bezwaar is beslist.
Bij besluit van 21 augustus 2026 heeft het college de aan de last verbonden begunstigingstermijn verlengd tot een week na de uitspraak van de voorzieningenrechter.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, de gemachtigde van het college en derde-partij.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank op 24 september 2026 uitspraak gedaan.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, Awb alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist.
4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het risico van verbeurte van dwangsommen voor verzoekster een financieel belang vertegenwoordigt. Een financieel belang zal in de regel op zichzelf onvoldoende reden vormen een voorlopige voorziening te treffen. Het staat verzoekster immers vrij financiële compensatie van het college te vorderen indien het dwangsombesluit achteraf onrechtmatig zou blijken te zijn. Het treffen van een voorlopige voorziening kan niettemin aangewezen zijn naarmate de financiële gevolgen voor verzoekster, gelet op haar financiële positie, ernstiger zijn, en verzoekster bovendien aannemelijk maakt dat zij in een financiële noodsituatie zal komen te verkeren. Dat van een dergelijke situatie sprake is, is gesteld noch gebleken.
5. De conclusie is dat er geen enkel spoedeisend belang is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Jurgens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: