RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/381293 / KG ZA 26-486
Vonnis in kort geding van 29 september 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. P.R. Starink,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. R.B.M. van Poorten.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de uitgebrachte dagvaarding met 6 producties
- de 6 producties van [gedaagde]
- de mondelinge behandeling van 22 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnotities van de advocaat van [eiser]
- de pleitaantekeningen van de advocaat van [gedaagde].
2. De feiten
[eiser] is de dochter van [gedaagde] en diens op 6 april 2024 overleden echtgenote (hierna: moeder). [gedaagde] en moeder waren in gemeenschap van goederen getrouwd. Tot de gemeenschap behoorde het strandhuisje met nummer [nummer] op het strand van [plaats] (hierna: het strandhuisje).
Op 24 april 2024 hebben [gedaagde] (als ‘hoofdlid’) en [eiser] (als ‘mede-eigenaar’) het Formulier Aanmelding mede-eigenaarschap van Strandvereniging [naam] ondertekend. In dat formulier is onder meer het volgende opgenomen:
(…)
Wij hebben de overeenkomst gesloten dat (nieuwe eigenaar) voor 50% mede-eigenaar is geworden van huisje met nummer [nummer], dat tot de datum van het sluiten van deze overeenkomst nog in volledige eigendom was van het hoofdlid.
(…)
Indien een van ons zijn deel in de eigendom van het huisje wenst over te dragen zal dit eerst aan de mede-eigenaar worden aangeboden tegen een marktconforme prijs. Indien bovengenoemd aanbod niet wordt geaccepteerd mag de eigendom worden overgedragen aan
eenieder die bereid is meer te betalen dan het door de mede-eigenaar afgewezen aanbod.
(…)
[gedaagde] heeft de sloten van het strandhuisje vervangen en heeft het strandhuisje te koop gezet zonder deze eerst aan [eiser] aan te bieden tegen marktconforme prijs.
3. Het geschil
[eiser] vordert om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. Gedaagde te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis aan eiseres te verschaffen een sleutel van het strandhuisje met nummer [nummer], staande op het gedeelte van het strand in [plaats] dat wordt geëxploiteerd door Strandvereniging [naam], door afgifte van die sleutel aan het kantoor van de gemachtigde van eiseres ([adres]) op een werkdag tussen 09.00 en 17.30 uur, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel indien gedaagde niet stipt en volledig aan de veroordeling voldoet met een maximum van € 10.000,-;
II. Gedaagde te verbieden om de sloten van het strandhuisje met nummer [nummer], staande op het gedeelte van hat strand in [plaats] dat wordt geëxploiteerd door Strandvereniging [naam], zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van eiseres te veranderen en/of vervangen, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel indien gedaagde niet stipt en volledig aan de veroordeling voldoet met een maximum van € 10.000,-;
III. Gedaagde te verbieden om zonder schriftelijke toestemming van eiseres beschikkingshandelingen te verrichten met betrekking tot het strandhuisje met nummer [nummer], staande op het gedeelte van het strand in [plaats] dat wordt geëxploiteerd door Strandvereniging [naam], waaronder het vervreemden, leveren of bezwaren van het strandhuisje zonder zijn aandeel (50%) in het strandhuisje eerst aan dochter aan te bieden conform de overeenkomst van 24 juli 2024 en een marktconforme prijs, een en ander op straffe van een dwangsom van€ 500,00 per dag of dagdeel indien gedaagde niet stipt en volledig aan de veroordeling voldoet met een maximum van € 10.000,-;
IV. Gedaagde te veroordelen in de kosten van dit geding (inclusief nakosten), alsmede de wettelijke rente over alle onder de kostenveroordeling vallende bedragen, vanaf veertien dagen na de datum van vonniswijzing tot aan de dag der algehele voldoening.
[eiser] legt aan haar vorderingen – samengevat – ten grondslag dat zij mede-eigenaar is van het strandhuisje, zijnde een roerende zaak voor de overdracht waarvan geen notariële akte is vereist. Het door beide partijen ondertekende Formulier Aanmelding mede-eigenaarschap geldt als de verbintenis tot overdracht van de roerende zaak, aldus [eiser].
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van haar vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Spoedeisend belang
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
Aangezien [gedaagde] het strandhuisje te koop heeft aangeboden is de dreiging van verkoop van het strandhuisje aan een derde reëel. Daarmee is het spoedeisend belang gegeven.
Inhoudelijk
[eiser] stelt zich op het stadpunt dat zij mede-eigenaar is geworden van het strandhuisje. Tussen partijen is niet in geschil dat het strandhuisje kwalificeert als een roerende zaak. Voor levering van een roerende zaak is op grond van artikel 90 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 3:84 BW vereist de overdracht daarvan krachtens een voor die levering geldige titel. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voorshands niet voldoende aannemelijk dat een bodemrechter zal oordelen dat sprake is van een geldige titel. De voorzieningenrechter zal dat hieronder uitleggen.
Ter zitting heeft [eiser] verklaard dat [gedaagde] bij de ondertekening van het formulier heeft gezegd: “als je dit tekent, is alles goed geregeld”. Desgevraagd heeft [gedaagde] ter zitting toegelicht dat hij daarmee bedoeld heeft om [eiser] te kunnen laten profiteren van betere verenigingsrechten bij Strandvereniging [naam] en een gunstiger positie op de Voorkeurslijst van die vereniging. Tevens zou het formulier [eiser] wat meer zekerheid (kunnen) geven met betrekking tot haar staplaats op het strand in het geval van het overlijden van [gedaagde]. Dat was in ieder geval naar eigen zeggen de bedoeling van [gedaagde] bij het gezamenlijk invullen van het formulier. Het was volgens hem in elk geval niet bedoeld als (geldige titel voor) eigendomsoverdracht van een aandeel in het strandhuisje.
In bovenstaande context zou de bodemrechter wel eens kunnen oordelen dat er inderdaad geen sprake is van een bij beide partijen aanwezige wil gericht op (eigendoms)overdracht van een aandeel in het strandhuisje. Aangezien het formulier enkel is ondertekend met de mededeling “dat alles goed geregeld is”, heeft [eiser] daaruit niet zonder meer mogen opmaken – laat staan daaruit het gerechtvaardigd vertrouwen kunnen afleiden – dat zij daarmee ook voor de helft (juridisch) eigenaar van het strandhuisje werd. Aan dat oordeel draagt bij dat [gedaagde] ter zitting onweersproken heeft gesteld dat hij altijd alle kosten voor het strandhuisje heeft gedragen en ieder jaar het onderhoud en de opbouw- en afbraakwerkzaamheden op zich nam, terwijl gesteld noch gebleken is dat [eiser] daaraan heeft bijgedragen. Bovendien heeft [eiser] geen andere feiten en omstandigheden gesteld die tot de conclusie zouden kunnen leiden dat partijen de overdracht van het aandeel hebben afgesproken. [eiser] stelt zelf dat zij al vóór het sluiten van de overeenkomst in het bezit was van de sleutels van het strandhuisje en daarin haar persoonlijke eigendommen had staan, zodat ook daaruit niet een afspraak tot overdracht kan worden afgeleid.
Het voorgaande leidt tot het voorlopig oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat sprake is geweest van een (juridische) overdracht van het onverdeelde aandeel in de eigendom van het strandhuisje aan [eiser]. In dit kort geding moet het er dan ook voor worden gehouden dat [gedaagde] voor 100% eigenaar is van het strandhuisje. De enkele ondertekening van het Formulier Aanmelding mede-eigenaarschap door beide partijen creëert immers nog niet een op overdracht en levering gerichte wil van (beide) partijen, terwijl dat voor eigendomsoverdracht wel een vereiste is.
Nu de vorderingen onder I. en II. uitgaan van het (mede-) eigenaarschap van het strandhuisje van [eiser], moeten deze dan ook worden afgewezen.
De vordering onder III. kan wel (gedeeltelijk) worden toegewezen. Met ondertekening van het Formulier Aanmelding mede-eigenaarschap hebben partijen zich immers jegens elkaar én jegens Strandvereniging [naam] verbonden om in het geval van (voorgenomen) verkoop het strandhuisje eerst aan de ‘mede-eigenaar’ aan te bieden. Dit recht van eerste koop is door beide partijen ook erkend. Voorshands is dan ook voldoende aannemelijk geworden dat de bodemrechter tot het oordeel komt dat [gedaagde] op grond van die afspraak gehouden is het strandhuisje eerst aan [eiser] aan te bieden, alvorens hij tot verkoop aan een derde partijen mag overgaan. In zoverre is de vordering dan ook toewijsbaar.
Dwangsom
Omdat [gedaagde] het strandhuisje al te koop heeft gezet zonder deze eerst aan [eiser] aan te bieden, is de voorzieningenrechter van oordeel dat een dwangsom op zijn plaats is. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen zo worden gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
verbiedt [gedaagde] om zonder schriftelijke toestemming van [eiser] beschikkingshandelingen te verrichten met betrekking tot het strandhuisje met nummer [nummer], staande op het gedeelte van het strand in [plaats] dat wordt geëxploiteerd door Strandvereniging [naam], waaronder het vervreemden, leveren of bezwaren van het strandhuisje zonder het strandhuisje eerst aan [eiser] aan te bieden conform de overeenkomst van 24 juli 2024 en tegen een marktconforme prijs,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen zo dat iedere partij de eigen kosten draagt,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.
936
Tegen dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat.
Als het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft het vonnis al wel geldende werking zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist.