RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Vonnis van 12 augustus 2026
in de hoofdzaak met zaaknummer C/16/592119 / HA ZA 25-220 van
[procesdeelnemer 1] ,
te [plaats] (Duitsland),
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [procesdeelnemer 1] ,
advocaat: mr. T.M. Huisman,
tegen
[procesdeelnemer 2] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [procesdeelnemer 2] ,
advocaat: mr. J. Springelkamp.
en in de vrijwaringszaak met zaaknummer C/16/604909 / HA ZA 26-8 van
[procesdeelnemer 2] . te [plaats] ,eisende partij,hierna te noemen: [procesdeelnemer 2] ,advocaat: mr. J. Springelkamp,tegen[procesdeelnemer 3], te [plaats] ,gedaagde partij,hierna te noemen: [procesdeelnemer 3] ,advocaat: mr. G.A. van Gorcom.
en in de vrijwaringszaak met zaaknummer C/16/604912 / HA ZA 26-9 van
[procesdeelnemer 2] , te [plaats] ,eisende partij,hierna te noemen: [procesdeelnemer 2] ,advocaat: mr. J. Springelkamp, tegen[procesdeelnemer 4], te [plaats] ,gedaagde partij,hierna te noemen: [procesdeelnemer 4] ,advocaat: mr. H.T.L. Jansen
1. De procedure
In de hoofdzaak met nummer C/16/592119 / HA ZA 25-220 beschikt de rechtbank over de volgende stukken:
het vonnis in twee incidenten van 10 december 2025 en de daarin genoemde processtukken,
de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 50 van [procesdeelnemer 2] ,
de conclusie van antwoord in reconventie met producties 32 tot en met 37 van [procesdeelnemer 1] ,
de akte houdende eiswijziging en overlegging aanvullende producties met producties 38 tot en met 41 van [procesdeelnemer 1] ,
de akte na conclusie van antwoord in reconventie met producties 51 tot en met 55 van [procesdeelnemer 2] ,
de akte houdende aanvullende producties met producties 42 en 43 van [procesdeelnemer 1] ,
de mondelinge behandeling van 30 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
In de vrijwaringszaak met zaaknummer C/16/604909 / HA ZA 26-8 beschikt de rechtbank over de volgende stukken:
de dagvaarding in vrijwaring van 22 december 2025 met producties 1 tot en met 26, van [procesdeelnemer 2]
de conclusie van antwoord in vrijwaring met producties 1 tot en met 4 van [procesdeelnemer 3] ,
de akte overlegging productie 5 van [procesdeelnemer 3] ,
de akte overlegging producties met producties 27 tot en met 29 van [procesdeelnemer 2] ,
de akte overlegging productie 6 van [procesdeelnemer 3] ,
de mondelinge behandeling van 30 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
de akte uitlating producties 27 tot en met 29 van [procesdeelnemer 3] .
In de vrijwaringszaak met zaaknummer en C/16/604912 / HA ZA 26-9 beschikt de rechtbank over de volgende stukken:
de dagvaarding met producties 1 tot en met 28 van [procesdeelnemer 2] ,
de conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijk verzoek tot niet-ontvankelijkverklaring met producties 1 tot en met 7 van [procesdeelnemer 4] ,
het vonnis in voorwaardelijk incident van 13 mei 2026,
de akte overleggen producties met producties 29 tot en met 33 van [procesdeelnemer 2] ,
de mondelinge behandeling van 30 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
de akte houdende uitlatingen producties van [procesdeelnemer 4] .
Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank in alle zaken bepaald dat vandaag uitspraak wordt gedaan.
2. De kern van de zaak
[procesdeelnemer 2] heeft in opdracht voor [procesdeelnemer 1] een tegelvloer in een winkelcentrum vervangen. Na uitvoering van de werkzaamheden zijn problemen ontstaan aan de tegelvloer, zoals open voegen en losliggende [procesdeelnemer 4] . Volgens [procesdeelnemer 1] komt dit doordat er onvoldoende dilataties in de tegelvloer zijn aangebracht waardoor een te grote spanning in de tegelvloer is ontstaan. De hoofdzaak gaat over de vraag of [procesdeelnemer 2] daarvoor aansprakelijk is en zij daarom een schadevergoeding aan [procesdeelnemer 1] moet betalen of dat [procesdeelnemer 1] juist een vergoeding aan [procesdeelnemer 2] moet betalen voor de herstelwerkzaamheden die zij heeft uitgevoerd en de kosten die zij heeft gemaakt voor het laten opstellen van een deskundigenrapport. [procesdeelnemer 2] heeft [procesdeelnemer 3] en [procesdeelnemer 4] in vrijwaring opgeroepen. [procesdeelnemer 2] heeft de werkzaamheden door hen laten uitvoeren. Wanneer de rechtbank oordeelt dat [procesdeelnemer 2] tegenover [procesdeelnemer 1] aansprakelijk is voor de schade, stelt [procesdeelnemer 2] dat [procesdeelnemer 3] en/of [procesdeelnemer 4] de schade aan haar moet vergoeden. De rechtbank oordeelt dat [procesdeelnemer 2] niet tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. De vordering van [procesdeelnemer 1] in de hoofdzaak wordt daarom afgewezen. De tegenvordering van [procesdeelnemer 2] in de hoofdzaak wordt gedeeltelijk toegewezen. Omdat [procesdeelnemer 2] in de hoofdzaak nergens toe wordt veroordeeld, worden de vorderingen van [procesdeelnemer 2] in de vrijwaringszaken afgewezen.
3. De achtergrond
In de hoofdzaak en de vrijwaringszaken
[procesdeelnemer 1] is eigenaar van het Winkelcentrum [winkelcentrum] (verder: het winkelcentrum). Het winkelcentrum is gebouwd in de jaren 90. In 2015 heeft een grote verbouwing plaatsgevonden.
In 2022 is [procesdeelnemer 1] gestart met een renovatie en modernisatie van het winkelcentrum. Als onderdeel van de modernisatie wenste [procesdeelnemer 1] de tegelvloer van het winkelcentrum te vervangen. De tegelvloer kan worden opgesplitst in vier gangen: twee lange, verticale gangen en twee korte, horizontale gangen. In het midden van de tegelvloer bevindt zich een open, rond plein. De tegelvloer is een zogenoemde hechtende dekvloer: een vloerafwerking die verlijmd is aan de onderliggende constructievloer. De vloerafwerking bestaat uit een cementdekvloer/egalinelaag en een tegelvloer.
[procesdeelnemer 1] heeft (via [bedrijf 1] ) met [procesdeelnemer 2] een overeenkomst van aanneming van werk gesloten voor het vervangen, dat wil zeggen verwijderen en opnieuw aanbrengen, van de tegelvloer. Op de overeenkomst is de UAV 2012 van toepassing. [procesdeelnemer 1] heeft [A] (verder [A] ) als architect ingeschakeld. Hij heeft de werktekeningen gemaakt op basis waarvan [procesdeelnemer 2] de tegelvloer heeft (laten) vervangen. [procesdeelnemer 2] heeft voor de realisatie van de cementdekvloer/egalinelaag een overeenkomst gesloten met [procesdeelnemer 3] . Voor het leveren en aanbrengen van de [procesdeelnemer 4] heeft [procesdeelnemer 2] een overeenkomst gesloten met [procesdeelnemer 4] .
Op 11 augustus 2022 heeft de oplevering van de werkzaamheden plaatsgevonden. Bij de oplevering en ook daarna zijn er diverse gebreken aan de tegelvloer geconstateerd, waaronder open voegen tussen de [procesdeelnemer 4] en vele losliggende [procesdeelnemer 4] .
Vervolgens zijn er twee deskundigenonderzoeken uitgevoerd, door [bedrijf 2] (in opdracht van [procesdeelnemer 2] ) en door [bedrijf 5] (in opdracht van [procesdeelnemer 1] ). De conclusie van beide onderzoeken is dat de (primaire) oorzaak van de problemen is gelegen in het te hoog oplopen van spanningen in de vloeropbouw, doordat er te weinig dilataties zijn aangebracht.
Nadat [procesdeelnemer 1] [procesdeelnemer 2] aansprakelijk heeft gesteld voor de gebreken aan de tegelvloer en de schade die [procesdeelnemer 1] daardoor lijdt, heeft [procesdeelnemer 2] herstelwerkzaamheden uitgevoerd, waaronder het aanbrengen van een omtrekdilatatie. Deze herstelwerkzaamheden hebben de problemen niet opgelost. Op 18 september 2024 heeft [procesdeelnemer 1] haar vordering tot nakoming omgezet in een vervangende schadevergoeding.
Uiteindelijk heeft [bedrijf 3] (verder: [bedrijf 3] ) de tegelvloer hersteld. Zij heeft daarbij delen van de tegelvloer geheel vervangen, waaronder de delen in de korte gangen. Daarbij heeft zij gebruik gemaakt van ontkoppelingsmatten die onder de bovenlaag zijn gelegd, zodat de [procesdeelnemer 4] geen last meer hebben van beweging in de constructievloer.
4. De beoordeling
in de hoofdzaak
In conventie
[procesdeelnemer 1] vordert een verklaring voor recht dat [procesdeelnemer 2] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst en [procesdeelnemer 2] aansprakelijk is voor de gebreken en de als gevolg daarvan door [procesdeelnemer 1] geleden en nog te lijden schade. Zij vordert dat [procesdeelnemer 2] wordt veroordeeld om haar een vervangende schadevergoeding te betalen van € 329.081,67 en een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, alles vermeerderd met de wettelijke rente en met veroordeling van [procesdeelnemer 2] in de proceskosten.
[procesdeelnemer 2] is niet tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst
Volgens [procesdeelnemer 1] was [procesdeelnemer 2] verantwoordelijk voor het aanbrengen van voldoende dilataties in de tegelvloer. [procesdeelnemer 1] stelt dat [procesdeelnemer 2] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst, doordat zij onvoldoende dilataties heeft aangebracht in de tegelvloer. Daardoor is een te grote spanning in de tegelvloer ontstaan. [procesdeelnemer 1] stelt dat [procesdeelnemer 2] een dilatatieplan had moeten opstellen en de dilatatievoegen overeenkomstig de uitkomst daarvan moeten aanbrengen. Dat heeft [procesdeelnemer 2] niet gedaan. Zij heeft één dilatatievoeg aangebracht in de tegelvloer en van tevoren niet een dilatatieplan opgesteld. De rechtbank oordeelt dat [procesdeelnemer 2] niet tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Zij legt dit hierna uit.
[procesdeelnemer 2] hoefde geen dilatatieplan op te stellen
[procesdeelnemer 1] heeft [procesdeelnemer 2] in het kader van de modernisatie van het winkelcentrum opdracht gegeven tot het vervangen van een bestaande tegelvloer. [procesdeelnemer 2] moest daarvoor de oude vloerafwerking verwijderen en een nieuwe vloerafwerking aanbrengen. Het uitvoeren van werkzaamheden in of aan de onderliggende constructievloer was daarbij geen onderdeel van de overeenkomst en het staat vast dat in het kader van de renovatie en modernisatie van het winkelcentrum er ook geen wijzigingen zijn aangebracht aan of in de onderliggende constructievloer. Verder is niet gebleken de nieuwe tegelvloer qua opbouw en materiaalkeuze (wezenlijk) afweek van de oude tegelvloer. Onder deze omstandigheden hoefde [procesdeelnemer 2] in beginsel geen dilatatieplan op te stellen, tenzij partijen zijn overeengekomen dat [procesdeelnemer 2] dit wél zou doen.
Het staat vast dat partijen niet expliciet zijn overeengekomen dat [procesdeelnemer 2] een dilatatieplan zou opstellen. Uit de door partijen overgelegde correspondentie volgt niet dat partijen met elkaar hebben gesproken over een door [procesdeelnemer 2] op te stellen dilatatieplan en [procesdeelnemer 2] heeft daarvoor ook geen (expliciete) post opgenomen in haar offerte. [bedrijf 3] , de partij die de tegelvloer uiteindelijk heeft hersteld en daarvoor wel een dilatatieplan heeft opgesteld, heeft daarentegen wel een expliciete post opgenomen in haar offerte voor het opstellen van een dilatatieplan. Het ligt voor de hand dat wanneer [procesdeelnemer 1] en [procesdeelnemer 2] zouden hebben afgesproken dat [procesdeelnemer 2] een dilatatieplan zou opstellen, [procesdeelnemer 2] daarvoor ook een (expliciete) post zou opnemen in haar offerte, (mede) omdat zij daarvoor een constructieberekening had moeten laten uitvoeren door een constructeur. [procesdeelnemer 2] heeft in haar offerte wel de posten “Aanbrengen dilatatievoegen in de cementdekvloer” en “Leveren en aanbrengen dilatatieprofielen in onze tegelschil 60 m1” opgenomen. Maar daaruit kan niet worden afgeleid dat voor het aanbrengen van dilatatievoegen een dilatatieplan moest worden opgesteld. In dat geval ligt het immers niet voor de hand dat er al een bepaald aantal meters dilatatievoegen wordt geoffreerd. Dan zou voor het aanbrengen van dilatatievoegen een stelpost zijn opgenomen in de offerte, zoals [bedrijf 3] heeft gedaan. Volgens [procesdeelnemer 1] is de post “Aanbrengen dilatatievoegen in de cementdekvloer” wel een stelpost, maar dat volgt niet uit de offerte van [procesdeelnemer 2] . Volgens [procesdeelnemer 2] kwamen de 60 meter in de offerte overeen met de in de oude vloer aanwezige dilatatievoegen.
[procesdeelnemer 1] wijst er verder op dat [procesdeelnemer 2] in de offerte 72 uur aan “Calculatie, opname en facturatie werkvoorbereiding en coördinatie” heeft opgenomen. Volgens [procesdeelnemer 1] mag van een professionele aannemer worden verwacht dat hieronder ook het opstellen van een dilatatieplan valt. Maar [procesdeelnemer 2] heeft erop gewezen dat uit haar offerte volgt dat van die 72 uur slechts 48 uur is gefactureerd voor “werkvoorbereiding en coördinatie”. Dat is voor het werk dat [procesdeelnemer 2] had aangenomen niet substantieel. Daarbij merkt zij op dat [bedrijf 3] , naast 55 uur voor werkvoorbereiding en coördinatie voor het totale werk, 42 uur apart heeft gerekend voor het opstellen van een dilatatieplan. Dat bevestigt dat het opstellen van een dilatatieplan niet in de 48 door [procesdeelnemer 2] geoffreerde uren voor werkvoorbereiding en coördinatie besloten ligt. Dan zou er immers (slechts) 6 uur resteren voor alle overige werkvoorbereiding en coördinatie.
[procesdeelnemer 1] wijst er verder op dat zij [procesdeelnemer 2] uitdrukkelijk heeft verzocht onderzoek te doen naar de dilatatietekeningen. [procesdeelnemer 1] doelt daarbij op de e-mail die [B] (van [bedrijf 1] ) op 16 februari 2022 naar alle betrokken partijen heeft gestuurd naar aanleiding van de kick off meeting met alle betrokken partijen. In die e-mail staat
“De volgende zaken worden nog uitgezet
(…)
[procesdeelnemer 2] (…)
* Check dilatatietekeningen.”
Maar hieruit kan juist worden afgeleid dat [procesdeelnemer 2] niet de partij was die de dilatatie-tekeningen zou opstellen en kan in ieder geval niet de conclusie worden getrokken dat [procesdeelnemer 2] een dilatatieplan moest opstellen.
[procesdeelnemer 2] hoefde niet meer dilatatievoegen aan te brengen
Dat [procesdeelnemer 2] geen dilatatieplan hoefde op te stellen, betekent niet dat [procesdeelnemer 2] in zijn geheel geen dilataties hoefde aan te brengen in de tegelvloer. Het staat namelijk vast dat in de oude tegelvloer wel meerdere dilataties waren aangebracht. Om goed en deugdelijk werk uit te voeren moest [procesdeelnemer 2] in beginsel alle dilataties in de oude tegelvloer weer aanbrengen in de nieuwe tegelvloer. Het staat vast dat [procesdeelnemer 2] dat niet heeft gedaan. [procesdeelnemer 2] heeft één dilatatievoeg aangebracht, terwijl in de oude tegelvloer meer dilataties waren. Dat is te zien op foto’s.
[procesdeelnemer 2] heeft onderbouwd gesteld dat een dilatatievoeg alleen spanningen in de tegelvloer kan wegnemen als op die plek in de onderliggende constructievloer een zogenaamde bewegingsvoeg is aangebracht. Dit volgt uit het door [procesdeelnemer 2] overgelegde rapport van [bedrijf 4] (hierna [bedrijf 4] ). Daarin staat dat het aanbrengen van een dilatatie in de tegelvloer (een hechtend vloersysteem) terwijl daaronder in de constructievloer geen bewegingsvoeg is aangebracht, niet effectief en zelfs onwenselijk is. [bedrijf 4] heeft dit uitgebreid gemotiveerd. Ook uit het deskundigenrapport van [bedrijf 2] is af te leiden dat een dilatatievoeg alleen zin heeft als er in de onderliggende constructie ook een dilatatie aanwezig is. Weliswaar zijn er volgens [bedrijf 5] te weinig veld- en omtrekdilataties aangebracht. Conform het brancheadvies had om de +/- 40 m2 moeten worden gedilateerd en vloerlengtes niet langer gemaakt mogen worden dan 8 meter. [bedrijf 4] vermeldt echter dat dit brancheadvies niet gaat over tegelwerken. Verder is uit dit rapport van [bedrijf 5] niet af te leiden dat met het aanbrengen van veld- en omtrekdilataties de problemen niet waren opgetreden. Ook ter zitting heeft [bedrijf 5] dat niet gesteld, alleen dat alles van invloed kan zijn op het creëren van meer of minder spanning in een tegelvloer. Ten slotte is relevant dat [procesdeelnemer 2] uiteindelijk wel een omtrekdilatatie heeft aangebracht, maar dat heeft de problemen niet verholpen.
Het voorgaande leidt ertoe dat [procesdeelnemer 2] (slechts) dilatatievoegen moest aanbrengen op die plekken waar in de onderliggende constructievloer een bewegingsvoeg aanwezig is. [procesdeelnemer 1] heeft onvoldoende onderbouwd dat [procesdeelnemer 2] dat niet heeft gedaan. Op de foto’s van de oude tegelvloer is op het plein in het midden van het winkelcentrum een dilatatievoeg te zien, die niet is aangebracht in de nieuwe tegelvloer. Ook in de korte gangen zouden in de oude vloer meerdere dilataties aanwezig zijn geweest. [procesdeelnemer 2] heeft echter verwezen naar het tweede rapport van [bedrijf 2] van 8 oktober 2024 waaruit volgt “Uit de uitgevoerde onderzoeken en de ontvangen informatie en stukken blijkt niet dat er ergens sprake is van bewegingsvoegen in de constructieve draagvloeren anders dan de locaties waar [procesdeelnemer 2] dilatatieprofielen heeft aangebracht. Tijdens de inspectie werd door medewerkers van [bedrijf 3] bevestigd dat er in de constructieve ondergrond geen bewegingsvoegen aanwezig zijn.” [procesdeelnemer 1] betwist de juistheid van deze opmerking, maar het had op de weg van [procesdeelnemer 1] gelegen om dan een verklaring van [bedrijf 3] te overleggen waaruit blijkt dat de opmerking niet juist is. Dat heeft zij niet gedaan. [procesdeelnemer 2] heeft ook gewezen op het feit dat [A] een tekening heeft aangeleverd hoe de tegelvloer moest worden gelegd en dat op die tekening maar één dilatatie is ingetekend. Die dilatatie heeft [procesdeelnemer 2] gemaakt. Van de dilatatie(s) in het middengebied heeft [A] aangegeven dat die niet moesten worden gemaakt. [procesdeelnemer 2] verwijst naar een email van [A] waaruit ook is af te leiden dat die dilataties geen dilataties waren op een onderliggende constructiedilatatie. [A] spreekt over een “tegel profiel”.Het is niet gebleken dat er meer dilataties waren dan in het middengebied en de door [procesdeelnemer 2] gemaakte dilatatie. Ook het feit dat [bedrijf 3] de problemen met de tegelvloer uiteindelijk heeft opgelost door een ontkoppelingsmat aan te brengen, wijst erop dat er niet meer bewegingsvoegen aanwezig waren in de onderliggende constructievloer die konden worden doorgezet in de tegelvloer(afwerking). [procesdeelnemer 1] had meer feiten en omstandigheden moeten stellen waaruit blijkt dat [procesdeelnemer 2] geen dilatatievoegen heeft aangebracht op plekken waar in de constructievloer wel een bewegingsvoeg aanwezig is. Dat heeft [procesdeelnemer 1] niet gedaan. Dat betekent dat [procesdeelnemer 1] , in het licht van de gemotiveerde betwisting van [procesdeelnemer 2] , onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat [procesdeelnemer 2] op de plekken waar in de onderliggende constructievloer een bewegingsvoeg aanwezig is, in de tegelvloer(afwerking) geen dilatatievoeg heeft aangebracht.
[procesdeelnemer 2] heeft haar waarschuwingsplicht niet geschonden
Op grond van de algemene voorwaarden die op de overeenkomst tussen partijen van toepassing zijn en op grond van de wet heeft [procesdeelnemer 2] een waarschuwingsplicht. Volgens [procesdeelnemer 1] heeft [procesdeelnemer 2] haar waarschuwingsplicht geschonden als het opstellen van een dilatatieplan geen onderdeel was van de overeenkomst en het aanbrengen van meer dilataties geen zin zou hebben gehad. [procesdeelnemer 2] had volgens [procesdeelnemer 1] dan moeten waarschuwen voor een onjuistheid in de opdracht of gebreken in de bestaande constructie en bijvoorbeeld kunnen voorstellen om een ontkoppelingsmat aan te brengen, zoals [bedrijf 3] uiteindelijk ook heeft gedaan. De rechtbank oordeelt dat [procesdeelnemer 2] geen waarschuwingsplicht heeft geschonden. Zij legt dit hierna uit.
[procesdeelnemer 2] heeft opdracht gekregen om een tegelvloer(afwerking) die er al sinds 1990 lag te vervangen, volgens [procesdeelnemer 1] in het kader van de “modernisatie” van het winkelcentrum “om het winkelcentrum te vernieuwen en een moderne uitstraling te geven”. [procesdeelnemer 2] is daarbij niet geïnformeerd over problemen met de tegelvloer, in die zin dat dit voor haar aanleiding zou moeten zijn dat er problemen waren met de onderliggende constructievloer. Weliswaar waren er problemen met een dilatatievoeg op het middenplein, maar daarnaar heeft [procesdeelnemer 1] onderzoek laten doen met als uitkomst dat “Vermoedelijk (…) bij schoonmaak van de vloer het water langs het dilatatieprofiel loopt en hiermee de zandcementdekvloer aantast(…)”. Hieruit volgde dus niet dat er een te grote spanning op de oude tegelvloer was, die problemen veroorzaakte. Verder is niet gebleken dat de nieuw te leggen tegelvloer (wezenlijk) anders is dan de oude tegelvloer. [procesdeelnemer 2] mocht er daarom van uitgaan dat de onderliggende constructievloer geschikt was voor het aanbrengen van de tegelvloer, wanneer zij – zoals hiervoor overwogen – dilatatievoegen zou aanbrengen op de locaties waar in de onderliggende constructievloer een bewegingsvoeg aanwezig was. Zij hoefde niet te adviseren om een dilatatieplan op te stellen of een ontkoppelingsmat te adviseren zoals Meerveld uiteindelijk heeft gedaan. Aan een ontkoppelingsmat zijn substantiële extra kosten verbonden.
[procesdeelnemer 2] hoefde ook niet te waarschuwen voor fouten in het ontwerp. Volgens [procesdeelnemer 1] had het feit dat op de tekening van [A] ‘slechts’ één dilatatievoeg werd weergegeven op zijn minst tot grote waakzaamheid bij [procesdeelnemer 2] moeten leiden. Tijdens de mondelinge behandeling is echter gemotiveerd gesteld dat de omvang van een tegelvloer niet bepalend is voor de vraag of en zo ja hoeveel dilatatievoegen moeten worden aangebracht in de vloer. Het enkele feit dat er ‘slechts’ één dilatatievoeg op de tekening van [A] stond weergegeven, leidt er dan ook niet toe dat [procesdeelnemer 2] had moeten waarschuwen voor een fout in het ontwerp. Het staat ook niet vast dat het ontwerp van [A] fout was. [procesdeelnemer 2] mocht ervan uitgaan dat het voldoende was om dilatatievoegen aan te brengen op de plek(ken) waar in de oude vloer bewegingsvoegen aanwezig waren. De dilatatievoeg in het definitieve ontwerp van [A] heeft [procesdeelnemer 2] aangebracht. Het is niet gebleken dat er in de onderliggende constructievloer (meer) bewegingsvoegen waren, die konden worden doorgezet in de tegelvloer.
D e vorderingen van [procesdeelnemer 1] in conventie worden afgewezen
Omdat [procesdeelnemer 2] niet tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst en geen waarschuwingsplicht heeft geschonden, worden de vorderingen van [procesdeelnemer 1] in conventie afgewezen.
[procesdeelnemer 1] moet de proceskosten betalen
[procesdeelnemer 1] is in de hoofdzaak in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [procesdeelnemer 2] worden begroot op:
- griffierecht
€
6.861,00
- salaris advocaat
€
7.212,50
(2,5 punten × € 2.885,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
14.262,50
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
In reconventie
[procesdeelnemer 2] wil dat [procesdeelnemer 1] wordt veroordeeld om haar een vergoeding van € 29.344,21 inclusief btw te betalen voor de herstelwerkzaamheden die zij heeft uitgevoerd. Zij wil daarnaast een vergoeding voor de kosten die zij heeft gemaakt voor het inschakelen van een deskundige, alles vermeerderd met de wettelijke rente en met veroordeling van [procesdeelnemer 1] in de kosten van deze procedure.
[procesdeelnemer 1] hoeft geen vergoeding te betalen voor de door [procesdeelnemer 2] uitgevoerde herstelwerkzaamheden
[procesdeelnemer 2] heeft herstelwerkzaamheden uitgevoerd, nadat zij door [procesdeelnemer 1] aansprakelijk is gesteld voor de gebreken aan de tegelvloer. [procesdeelnemer 2] heeft onder meer kapotte [procesdeelnemer 4] vervangen en een omtrekdilatatie aangebracht. [procesdeelnemer 2] heeft daarbij kenbaar gemaakt dat zij die werkzaamheden slechts uit coulance wilde uitvoeren, omdat zij van mening was dat de gebreken niet voor haar risico kwamen. Partijen hebben echter niet afgesproken dat [procesdeelnemer 1] een vergoeding aan [procesdeelnemer 2] moet betalen, als achteraf zou blijken dat [procesdeelnemer 2] (inderdaad) niet aansprakelijk is voor de gebreken aan de tegelvloer. [procesdeelnemer 2] heeft geen prijs genoemd en geen voorbehoud van kostenverhaal gemaakt. Onder deze omstandigheden kan [procesdeelnemer 2] niet nu alsnog een vergoeding voor de door haar uitgevoerde herstelwerkzaamheden vragen. Temeer nu vaststaat dat de herstelwerkzaamheden uiteindelijk niet hebben geleid tot herstel in die zin dat het de oorzaak van de gebreken niet heeft weggenomen. Verder dienen gebreken als losliggende en kapotte [procesdeelnemer 4] in beginsel gewoon te worden opgelost door [procesdeelnemer 2] .
[procesdeelnemer 1] moet een vergoeding betalen voor de kosten van het deskundigenrapport
[procesdeelnemer 2] vordert een vergoeding ter hoogte van € 4.974,61 inclusief btw voor de kosten van het rapport van [bedrijf 2] . Uit de wet volgt dat de kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid voor een vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank vindt dat het redelijk was dat [procesdeelnemer 2] [bedrijf 2] heeft ingeschakeld. Ook de omvang van de kosten vindt de rechtbank redelijk. De onweersproken wettelijke rente zal hierover worden toegewezen vanaf 19 februari 2026, dat is de dag waarop deze reconventionele eis door de rechtbank is ontvangen.
De proceskosten worden gecompenseerd
Omdat beide partijen in reconventie in de hoofdzaak gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
in de beide vrijwaringszaken
Omdat de vordering van [procesdeelnemer 1] in de hoofdzaak wordt afgewezen, worden de vorderingen van [procesdeelnemer 2] in de vrijwaringszaken afgewezen. Er is immers niets waar [procesdeelnemer 2] in de hoofdzaak toe wordt veroordeeld.
[procesdeelnemer 2] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld in beide vrijwaringszaken.
De kosten aan de zijde van [procesdeelnemer 3] en [procesdeelnemer 4] worden voor ieder als eiser in vrijwaring begroot op:
- griffierecht
€
6.861,00
- salaris advocaat
€
7.212,50
(2,5 punten × € 2.885,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
14.262,50
in alle zaken
De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
5. De beslissing
De rechtbank
in de hoofdzaak met zaaknummer C/16/592119 / HA ZA 25-220
in conventie
wijst de vordering af,
veroordeelt [procesdeelnemer 1] in de proceskosten van € 14.262,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [procesdeelnemer 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [procesdeelnemer 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart de veroordelingen onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
veroordeelt [procesdeelnemer 1] om aan [procesdeelnemer 2] te betalen een bedrag van € 4.974,61 inclusief 21% btw, te vermeerderen met de wettelijk rente ex artikel 6:119 BW vanaf 19 februari 2026 tot de dag van betaling,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
verklaart de veroordeling onder 5.5 uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
in de vrijwaringszaak met zaaknummer C/16/604909 / HA ZA 26-8
wijst de vordering af,
veroordeelt [procesdeelnemer 2] in de proceskosten van € 14.262,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [procesdeelnemer 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart de veroordeling onder 5.10 uitvoerbaar bij voorraad.
in de vrijwaringszaak met zaaknummer C/16/604912 / HA ZA 26-9
wijst de vordering af,
veroordeelt [procesdeelnemer 2] in de proceskosten van € 14.262,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [procesdeelnemer 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart de veroordeling onder 5.13 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.