RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/604022 / HA ZA 25-609
Vonnis van 23 september 2026
in de zaak van
[eiseres] ,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. S.T. van Gestel,
tegen
DE MAATSCHAP TEAM ADVOCATEN,
te Utrecht,
gedaagde partij,
hierna te noemen: TEAM,
advocaat: mr. M.J.G. Boender-Lamers.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 25;- de conclusie van antwoord met producties 1 en 2;
- de mondelinge behandeling van 7 juli 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
Daarna is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.
2. De kern van de zaak
Deze zaak gaat in de kern over de vraag of TEAM haar zorgplicht heeft geschonden door [eiseres] niet goed te adviseren tijdens de onderhandelingen over een vaststellingsovereenkomst (hierna: vso) in verband met het beëindigen van het dienstverband tussen haar en haar voormalige werkgever [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ). De rechtbank oordeelt dat TEAM haar zorgplicht heeft geschonden, maar stelt vast dat [eiseres] het causaal verband tussen de gestelde geleden schade en de zorgplichtschending onvoldoende heeft onderbouwd. Daarom wordt de gevorderde verklaring voor recht dat TEAM toerekenbaar is tekortgeschoten toegewezen en de gevorderde schadevergoeding afgewezen.
3. De beoordeling
[eiseres] werkte sinds 13 januari 2000 als [functie] bij [bedrijf] . [eiseres] heeft niet-aangeboren hersenletsel (NAH) sinds haar derde levensjaar, met blijvende epilepsie en concentratie- en geheugenproblemen. Zij is langdurig arbeidsongeschikt geweest in de periode 2017-2019, deels door een voetfractuur en deels door een burn-out. [eiseres] heeft zich daarnaast tijdens haar dienstverband regelmatig ziekgemeld. Uit de medische rapportages van 5 juni 2018, 16 oktober 2019 en 15 januari 2020 volgt dat er bij [eiseres] sprake is van structurele, medisch objectiveerbare klachten van chronische aard. De bedrijfsarts heeft op 17 maart 2019 geconcludeerd dat [eiseres] haar eigen werk niet kon uitvoeren en dat geen alternatieve passende functie beschikbaar was. Op 9 december 2019 liet [eiseres] zich bij het UWV door [bedrijf] beter melden.
Op 8 januari 2020 vond een gesprek plaats tussen [eiseres] , [bedrijf] en de advocaat van [bedrijf] . Los van haar medische situatie is [eiseres] na dit gesprek op non-actief gesteld vanwege een gebrek aan vertrouwen in haar functioneren. Vervolgens zijn [bedrijf] en [eiseres] met elkaar in gesprek gegaan over beëindiging van het dienstverband door middel van een vso. [eiseres] werd tijdens de onderhandelingen over de vso bijgestaan door mr. Cornelissen van TEAM. Begin februari 2020 is tussen [bedrijf] en [eiseres] een vaststellingsovereenkomst (hierna: vso) tot stand gekomen. [eiseres] verwijt TEAM dat mr. Cornelissen zijn zorgplicht heeft geschonden. Hij had haar moeten waarschuwen voor de gevolgen van de bepaling in de vso dat [eiseres] zich tot vier weken na uitdiensttreding niet kon ziekmelden. Als gevolg van die bepaling in de vso bleek zij geen recht op een premievrije pensioenopbouw te hebben, als zij zich ziekmeldde ná het einde van haar dienstverband. [eiseres] vordert te verklaren voor recht dat TEAM toerekenbaar is tekortgeschoten. Daarnaast vordert [eiseres] betaling van € 74.174,- aan schadevergoeding, € 798,60 aan kosten van deskundigenonderzoek en € 1.516,74 aan buitengerechtelijke incassokosten.
TEAM betwist dat zij haar zorgplicht heeft geschonden en betwist dat er causaal verband bestaat tussen de gestelde tekortkomingen en de door [eiseres] gevorderde schade.
De zorgplicht van een advocaat
Tussen TEAM en [eiseres] is in de eerste helft van januari 2020 een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen. Bij de beantwoording van de vraag of TEAM in de nakoming van haar verplichtingen tegenover [eiseres] is tekortgeschoten, geldt als maatstaf dat TEAM bij de uitvoering van de opdracht de zorg van een goed opdrachtnemer in acht moet nemen (artikel 7:401 BW). Daarbij is het de vraag of de opdrachtnemer, in dit geval een advocaat, heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot te werk zou zijn gegaan. Die zorgplicht brengt met zich mee dat een advocaat zijn cliënt in staat stelt goed geïnformeerd te beslissen. Het antwoord op de vraag of en in welke mate een advocaat de cliënt daarbij behoort te informeren over en te waarschuwen voor een bepaald risico, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In dat kader kan onder meer betekenis toekomen aan de ernst en omvang van het desbetreffende risico, de mate van waarschijnlijkheid dat dit risico zich zal realiseren en de mate waarin de cliënt ervan heeft blijk gegeven zich al van dat risico bewust te zijn. Een advocaat mag zich daarbij niet beperken tot de verrichtingen waarom zijn cliënt uitdrukkelijk heeft gevraagd, maar dient zelfstandig te beoordelen wat voor de zaak van nut kan zijn en daarnaar te handelen.
TEAM is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht door haar zorgplicht te schenden
In de vso is bepaald dat het dienstverband tussen [bedrijf] en [eiseres] eindigt op 1 juli 2020. Artikel 2.6 van de vso bepaalt dat [eiseres] zich tot vier weken na beëindiging van het dienstverband niet ziek zal melden op aan het werk of de werkgever gerelateerde gronden. Op 3 augustus 2020 meldde [eiseres] zich opnieuw ziek bij het UWV, waarna haar per 1 augustus 2022 een Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA-uitkering) is toegekend.
Het pensioenfonds heeft vastgesteld dat zij geen recht heeft op premievrije voortzetting van haar pensioenopbouw, omdat haar eerste ziektedag na de beëindiging van haar dienstverband per 1 juli 2020 viel. Op grond van de pensioenregeling van het Bedrijfstakpensioenfonds voor het Levensmiddelenbedrijf (hierna: BPFL) waarbij [eiseres] was aangesloten, blijft de pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid premievrij doorlopen. Voorwaarde is dat de eerste ziektedag valt op een moment waarop de werknemer nog actief deelnemer bij BPFL was, dus tijdens het dienstverband. Omdat [eiseres] zich pas op 3 augustus 2020 opnieuw heeft ziekgemeld, viel haar eerste ziektedag buiten deze periode.
De rechtbank komt tot het oordeel dat TEAM is tekortgeschoten door [eiseres] niet te waarschuwen voor het risico dat artikel 2.6 van de vso gevolgen kon hebben voor haar premievrije pensioenopbouw als zij weer ziek zou worden. TEAM, middels mr. Cornelissen, had op basis van haar dossier en medische voorgeschiedenis namelijk kunnen weten dat er een groot risico was dat [eiseres] zich opnieuw zou moeten ziekmelden. TEAM was als advocaat betrokken bij het verzoek van [bedrijf] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De grondslag voor deze procedure was een verstoorde arbeidsverhouding, disfunctioneren en de combinatiegrond. Bij dit verzoekschrift waren onder meer het verzuimoverzicht en het medisch rapport van de bedrijfsarts als producties gevoegd. TEAM heeft dus inzage gehad in deze aan het verzoekschrift gehechte stukken, waaruit blijkt dat [eiseres] zich in 2017, 2018 en 2019 vaak en voor lange perioden heeft ziekgemeld, dat bij haar sprake was van structurele, chronische medische aandoeningen en dat de bedrijfsarts haar volledig arbeidsongeschikt had geoordeeld voor haar functie.
Voor een schending van de zorgplicht is niet alleen de kenbaarheid van het risico bepalend, maar ook de ernst en omvang ervan. Het verlies van premievrije pensioenopbouw is een ingrijpend en moeilijk herstelbaar financieel gevolg. Bovendien is van belang dat de familie van [eiseres] tijdens de behandeling door TEAM herhaaldelijk vragen heeft gesteld over de gevolgen voor het WIA-traject en over mogelijke complicaties bij het UWV. Die vragen hadden voor TEAM aanleiding moeten zijn om nader te onderzoeken of de beëindigingsregeling en in het bijzonder artikel 2.6 van de vso risico’s met zich meebrachten voor de pensioenopbouw van [eiseres] bij hernieuwde arbeidsongeschiktheid na het einde van het dienstverband. Door die vragen niet te beantwoorden en dit risico niet in haar advisering te betrekken, heeft TEAM [eiseres] niet in staat gesteld goed geïnformeerd te beslissen.
TEAM voert aan dat [eiseres] zelf weloverwogen om de herstelmelding heeft verzocht, actief aanstuurde op doorwerken en solliciteren en twintig jaar lang heeft gewerkt, ondanks haar hersenletsel. Die omstandigheden doen naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de waarschuwingsplicht. De vraag is niet of [eiseres] zichzelf op dat moment in staat achtte te werken, maar of een redelijk handelend advocaat, gelet op het dossier en de gestelde vragen, had moeten signaleren dat artikel 2.6 betekende dat [eiseres] zich niet ziek kon melden tijdens (de laatste maanden van) het dienstverband en bij hernieuwde uitval na het einde van het dienstverband geen aanspraak meer zou hebben op premievrije pensioenopbouw. Die vraag moet bevestigend worden beantwoord. TEAM had [eiseres] ten minste moeten waarschuwen voor dit risico, zodat [eiseres] een weloverwogen keuze had kunnen maken over het al dan niet tekenen van de vso in deze vorm en onder deze voorwaarden. De conclusie is dat TEAM haar zorgplicht als advocaat heeft geschonden door [eiseres] niet te informeren over het risico dat artikel 2.6 van de vso in combinatie met haar medische achtergrond meebracht voor haar premievrije pensioenopbouw. TEAM is daarmee toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht.
Omdat vaststaat dat TEAM toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht, is zij in beginsel gehouden de schade te vergoeden die [eiseres] als gevolg daarvan heeft geleden. Zoals hierna wordt toegelicht, kan echter niet worden vastgesteld dat een causaal verband bestaat tussen deze tekortkoming en de door [eiseres] gestelde pensioenschade, omdat [eiseres] onvoldoende heeft onderbouwd welk alternatief scenario zich zonder de tekortkoming van TEAM zou hebben voorgedaan.
[eiseres] heeft het causaal verband onvoldoende onderbouwd
Op grond van artikel 150 Rv rusten de stelplicht en de bewijslast van het causaal verband op [eiseres] als eisende partij. Dit geldt ook in beroepsaansprakelijkheidszaken. Het betoog van TEAM dat de schade ook zonder de beroepsfout zou zijn ontstaan, is een betwisting van het causaal verband en geen bevrijdend verweer met eigen bewijslast.
Voor de beoordeling van het causaal verband dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de feitelijke situatie en de hypothetische situatie die zich zou hebben voorgedaan als de beroepsfout achterwege was gebleven. De partij die stelt schade te hebben geleden als gevolg van een beroepsfout, dient gemotiveerd een scenario te schetsen dat zich zou hebben voorgedaan als die fout achterwege was gebleven.
De kern van het causale verband is de vraag wat er zou zijn gebeurd als TEAM [eiseres] had gewaarschuwd voor de gevolgen van artikel 2.6 van de vso, namelijk dat zij zich gedurende het dienstverband niet ziek kon melden en bij hernieuwde ziekte na uitdiensttreding geen recht meer zou hebben op premievrije pensioenopbouw. [eiseres] stelt dat zij de vso in dat geval niet zou hebben ondertekend. Dat uitganspunt is op zichzelf niet onbegrijpelijk, maar het is onvoldoende om het causaal verband te dragen. De vraag die daarna beantwoord moet worden is welk alternatief scenario zich dan had voorgedaan, en of [eiseres] in dat scenario haar premievrije pensioenopbouw wel zou hebben behouden.
TEAM heeft gemotiveerd aangevoerd dat artikel 2.6 een standaardbepaling is die werkgevers vrijwel altijd bedingen ter voorkoming van herlevende re-integratieverplichtingen, en dat [bedrijf] niet bereid zou zijn geweest een vso te sluiten zonder die bepaling. [eiseres] heeft dit betoog niet weerlegd. Zij heeft niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat [bedrijf] in de hypothetische situatie bereid zou zijn geweest afstand te doen van artikel 2.6, dan wel een vso te sluiten met een uitdrukkelijk voorbehoud voor pensioenrechten bij hernieuwde arbeidsongeschiktheid na uitdiensttreding. Zonder die stelling en onderbouwing kan niet worden aangenomen dat het alternatieve scenario van een vso zonder artikel 2.6 of met beschermende pensioenclausule, een reële optie was.
[eiseres] stelt daarnaast, in algemene termen, dat bij het uitblijven van een vso een ontbindingsprocedure bij de kantonrechter zou hebben gevolgd en dat zij in dat geval haar premievrije pensioenopbouw zou hebben behouden. Ook dit scenario is onvoldoende concreet gemaakt. [eiseres] heeft niet gesteld op welke grond de kantonrechter zou hebben beslist en per welke datum het dienstverband in een ontbindingsprocedure zou zijn geëindigd. [eiseres] heeft ook niet toegelicht of zij in het geval van een ontbinding zou hebben voldaan aan de voorwaarden voor premievrije voortzetting van haar pensioenopbouw conform het BPFL-reglement.
Ter zitting heeft de broer van [eiseres] verklaard dat in het geval van ontslag via de kantonrechter het UWV het recht op premievrije pensioenopbouw zou overnemen. Die enkele stelling, voor het eerst ter zitting geuit en zonder enige schriftelijke onderbouwing of verwijzing naar het BPFL-pensioenreglement of beleid van het UWV, is onvoldoende om aan de stelplicht te voldoen. Een stelling over het causale scenario behoort in de processtukken te worden onderbouwd, zodat de wederpartij daarop kan reageren. Omdat TEAM niet in de gelegenheid is geweest schriftelijk op deze stelling te reageren, en de rechtbank de juistheid daarvan bovendien niet kan verifiëren, kan zij niet bijdragen aan de vaststelling van het causaal verband. Het is niet aan de rechtbank om op basis van een niet-onderbouwde mondelinge opmerking ambtshalve te onderzoeken of het BPFL-reglement in het geval van ontbinding via de kantonrechter voortzetting van premievrije pensioenopbouw toelaat.
De conclusie is dat [eiseres] niet heeft voldaan aan haar stelplicht met betrekking tot het causaal verband tussen de zorgplichtschending van TEAM en de gestelde pensioenschade. De enkele stelling dat er schade is geleden en dat die schade het gevolg is van de tekortkoming van TEAM, is daartoe onvoldoende. Aan bewijslevering wordt dan ook niet toegekomen.
Omdat het causaal verband niet is komen vast te staan, wordt de gevorderde schadevergoeding van € 74.174,- afgewezen. De overige bezwaren tegen de schadeberekening (de discrepantie met het eerder aan (de verzekeraar van) TEAM verstrekte rapport van € 38.378,-, de betwiste salarisindexatie van 3% per jaar en de fiscale behandeling van de schadevergoeding) behoeven bij deze stand van zaken geen bespreking.
Omdat de gevorderde schadevergoeding wordt afgewezen, behoeft het beroep van TEAM op eigen schuld van [eiseres] geen bespreking meer.
De overige verwijten leveren geen schending van de zorgplicht op
[eiseres] verwijt TEAM nog drie andere beroepsfouten. De rechtbank stelt echter vast dat die verwijten geen schending van de zorgplicht opleveren. De gevorderde schade kan ook op grond van deze verwijten daarom niet worden toegewezen. De rechtbank zal hierna per verwijt uitleggen dat er geen sprake is van een zorgplichtschending.
[eiseres] verwijt TEAM allereerst dat zij had moeten adviseren bezwaar te maken tegen de herstelmelding van 9 december 2019 en dat zij had moeten wijzen op de mogelijkheid van een deskundigenoordeel bij het UWV. Dit verwijt stuit af op de vaststelling dat TEAM pas na die herstelmelding bij de zaak betrokken is geraakt. Mr. Cornelissen trad op namens [eiseres] vanaf omstreeks 8 januari 2020, ruim na de datum waarop de herstelmelding plaatsvond. TEAM kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor het uitblijven van advies over een maatregel die vóór haar betrokkenheid had moeten worden getroffen. Bovendien heeft [eiseres] zelf aan het UWV verzocht om beter te worden gemeld en is niet aannemelijk gemaakt dat [eiseres] op enig moment aan mr. Cornelissen heeft meegedeeld dat zij het niet eens was met de herstelmelding. Zonder die wetenschap bestond voor TEAM geen aanleiding om de juistheid van de herstelmelding in twijfel te trekken of actie te ondernemen.
[eiseres] verwijt TEAM daarnaast dat zij geen contact heeft opgenomen met het pensioenfonds om de gevolgen van de uitdiensttreding voor de pensioenopbouw te verifiëren. Hoewel vaststaat dat TEAM zich op enig moment met achterstanden in de premiebetaling heeft beziggehouden, strekt dit verwijt te ver. De zorgplicht van een advocaat reikt niet zo ver dat hij bij iedere beëindigingsovereenkomst ambtshalve alle mogelijke toekomstige scenario’s met een pensioenfonds dient te verifiëren. Een dergelijke plicht zou een onevenredig zware last op de advocaat leggen die niet in overeenstemming is met de maatstaf van de redelijk bekwame en redelijk handelende vakgenoot.
De omstandigheid dat geen schriftelijk advies is opgesteld en de communicatie grotendeels mondeling verliep via de vader en broer van [eiseres] , is geen zelfstandige tekortkoming die tot schadevergoeding kan leiden. Het ontbreken van schriftelijke vastlegging bemoeilijkt weliswaar de bewijspositie van [eiseres] over wat er mondeling is besproken, maar kan zonder een onderliggende inhoudelijke tekortkoming niet tot aansprakelijkheid leiden. De rechtbank heeft dit gegeven wel betrokken bij de hiervoor besproken beoordeling van de vraag of TEAM haar zorgplicht inhoudelijk heeft geschonden.
De nevenvorderingen worden afgewezen
[eiseres] vordert vergoeding van de kosten van het deskundigenonderzoek door Ecclesia van € 798,60 en buitengerechtelijke incassokosten van € 1.516,74. Voor beide geldt dat onduidelijk is of deze kosten daadwerkelijk ten laste zijn gekomen van [eiseres] dan wel van DAS. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de facturen op de naam van DAS zijn gesteld. Omdat [eiseres] niet heeft gesteld of aangetoond dat zij ter zake van deze kosten een betalingsverplichting heeft gekregen of voldaan, is zij voor deze posten niet de partij die schade heeft geleden in de zin van artikel 6:96 lid 2 BW. Ook deze vorderingen worden afgewezen.
[eiseres] moet de proceskosten betalen
[eiseres] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van TEAM worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
- griffierecht
€
€
148,04
2.995,00
- salaris advocaat
€
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
€
189,00
( [bedrijf] de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
5.912,04
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4. De beslissing
De rechtbank
verklaart voor recht dat TEAM toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht door [eiseres] niet te informeren over de gevolgen van artikel 2.6 van de vaststellingsovereenkomst en het verlies van haar aanspraak op premievrije pensioenopbouw,
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 5.912,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 [bedrijf] de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskosten- en nakostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Schuman en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.
5996