RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 12357163 \ LV EXPL 26-38
Vonnis in kort geding van 22 september 2026
in de zaak van
WOONSTICHTING CENTRADA,
gevestigd te Lelystad,
eisende partij,
hierna te noemen: Centrada,
gemachtigde: mr. L. Wanders,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. P. de Haan,
toevoegingsnummer: 4RI0796.
1. De procedure
Centrada heeft [gedaagde] op 26 augustus 2026 in kort geding gedagvaard om op 8 september 2026 voor de kantonrechter te verschijnen. Daarbij heeft Centrada 42 producties meegestuurd. Voorafgaand aan de zitting heeft [gedaagde] een conclusie van antwoord ingediend en heeft Centrada de aanvullende producties 43 tot en met 47 toegezonden.
De zaak is op 8 september 2026 bij de kantonrechter besproken. Namens Centrada zijn de heer [A] en mevrouw [B] – beiden woonconsulent – verschenen, bijgestaan door mr. Wanders. [gedaagde] – vergezeld door zijn partner mevrouw [C] – is verschenen, bijgestaan door mr. De Haan. De gemachtigde van Centrada heeft een pleitnota overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting is besproken.
De kantonrechter heeft besloten dat vandaag de uitspraak is.
2. De kern van de zaak
[gedaagde] huurt sinds 8 augustus 2022 de studio aan [adres 1] in [postcode] ) [woonplaats] (hierna: het gehuurde) van Centrada. In deze procedure eist Centrada ontruiming van het gehuurde. De reden daarvan is dat [gedaagde] volgens Centrada niet zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft (gehad), terwijl hij daartoe op grond van de huurovereenkomst en algemene huurvoorwaarden woningen (hierna: de algemene huurvoorwaarden) wel gehouden is. [gedaagde] gedraagt zich daardoor niet als een goed huurder. [gedaagde] is het niet eens met Centrada. Volgens [gedaagde] heeft Centrada geen spoedeisend belang bij haar vordering. Daarnaast is de zaak niet geschikt voor behandeling in kort geding. Ook heeft Centrada haar stelling voorafgaand de procedure niet onderbouwd. Daarbij heeft Centrada geweigerd de onderzoeksresultaten, bevindingen en getuigenverklaringen aan hem te verstrekken, zodat er sprake is van rauwelijks dagvaarden. Tot slot betwist [gedaagde] dat hij niet zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft. Hij heeft een groot belang bij het behoud van zijn woning.
De kantonrechter geeft Centrada gelijk. [gedaagde] moet de woning verlaten. Ook moet [gedaagde] de proceskosten betalen.
3. De beoordeling
Het toetsingskader in kort geding
Het gaat in deze zaak om een kort geding waarbij ontruiming van woonruimte wordt gevorderd. Dat is een vergaande maatregel, die diep ingrijpt in het woonrecht van [gedaagde] en die in de praktijk vaak onomkeerbare gevolgen heeft. Gezien de (mogelijk) ernstige gevolgen kan een ontruiming in kort geding slechts dan worden uitgesproken, als geoordeeld wordt dat ontruiming op korte termijn noodzakelijk is en de uitkomst van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Daarnaast zal aannemelijk moeten zijn dat de bodemrechter met een grote mate van waarschijnlijkheid de huurovereenkomst zal ontbinden wegens de gestelde tekortkomingen, en tot ontruiming zal veroordelen. Op grond van artikel 6:265 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) geeft iedere tekortkoming van de huurder de verhuurder de bevoegdheid om de huurovereenkomst te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Slechts een tekortkoming van voldoende gewicht geeft recht op ontbinding van de overeenkomst. Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. In het bijzonder moet rekening worden gehouden met het woonbelang van [gedaagde] . Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in kort geding geen plaats. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
Het spoedeisend belang
De vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als Centrada daarbij voldoende spoedeisend belang heeft. Dit is onder deze omstandigheden het geval. Centrada heeft voldoende toegelicht dat zij een spoedeisend belang heeft om in kort geding de ontruiming van het gehuurde te vorderen. Centrada heeft gesteld dat zij als woningcorporatie belast is met de taak om schaarse huurwoningen op rechtmatige wijze toe te wijzen en beschikbaar te houden voor woningzoekenden die daarop zijn aangewezen. In dit geval gaat het bovendien om een woning binnen het project ‘ [locatie] ’, dat specifiek bedoeld is voor woningenzoekenden uit [plaats] die met spoed een woonruimte nodig hebben. Als een huurder de woning niet zelf bewoont, wordt deze schaarse woning onttrokken aan de doelgroep waarvoor het bestemd is. Centrada heeft gelet op de specifieke doelgroep waarvoor het gehuurde is bedoeld, dan ook een zwaarwegend belang bij spoedige duidelijkheid over de beschikbaarheid van het gehuurde. Dat kennelijk sinds begin 2026 het vermoeden voor woonfraude bestaat en Centrada daarop ruimschoots de tijd heeft genomen voor het onderzoek, staat niet aan het aannemen van een spoedeisend belang in de weg. Uit de toelichting van Centrada ter zitting begrijpt de kantonrechter dat het tijdsverloop te maken heeft met het zorgvuldig onderzoeken van een kwestie waarin woonfraude wordt vermoed en het onderzoek is geïntensiveerd. De onderzoeksbevindingen wijzen namelijk op een bestendig patroon waarbij [gedaagde] nauwelijks bij het gehuurde ( [adres 1] ) wordt gezien en het gehuurde gedurende langere perioden niet betreedt, terwijl [gedaagde] op uiteenlopende dagen en tijdstippen bij de woning van zijn vriendin aan de [adres 2] in [plaats] (hierna: [adres 2] ) wordt waargenomen. Hoewel Centrada [gedaagde] in de gelegenheid heeft gesteld om gegevens aan te leveren waaruit zou blijken dat hij zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft, heeft [gedaagde] daar onvoldoende gehoor aan gegeven en is de situatie ongewijzigd gebleven. Dit heeft ertoe geleid dat Centrada deze kortgedingprocedure is gestart, omdat [gedaagde] zich volgens haar niet aan de huurovereenkomst houdt.
De zaak is niet geschikt voor behandeling in kort geding
Het verweer dat de zaak niet geschikt is om in kort geding te worden beslist, kan [gedaagde] niet baten. De feiten en omstandigheden, zoals hierna in de beoordeling zal blijken, zijn voldoende duidelijk en ook de gevolgen van een beslissing zijn voor de kantonrechter voldoende te overzien.
Conclusie
Centrada kan ontvangen worden in haar vordering. De zaak kan dus inhoudelijk worden behandeld.
Tekortkoming van [gedaagde] : geen hoofdverblijf in het gehuurde
Centrada stelt dat [gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichting door niet zijn hoofdverblijf in de woning te hebben. Deze verplichting volgt uit artikel 6.3 van de algemene huurvoorwaarden. In dat artikel staat:
‘U heeft uw exclusieve hoofdverblijf in de woning. U laat zich op het betreffende adres inschrijven bij de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente Lelystad. U mag de woning niet alleen als postadres gebruiken of de woning als tweede woning gebruiken met ook een hoofverblijf ergens anders.’
Verder staat in de bijzondere bepalingen van de huurovereenkomst het volgende:
‘Bijzondere bepalingen
a. (…) Daarnaast is de studio bedoeld voor het alleen bewonen en wordt samenwonen niet geaccepteerd en zal bij overtreding het huurcontract ontbonden worden.’
Volgens Centrada volgt uit de feitelijke toestand van het gehuurde, de waarnemingen van de bouwkundige opzichter en de complexbeheerder, de objectieve tagregistraties, camerabeelden, de langdurige onaangeroerde deurmarkeringen, ophopende post, herhaalde voertuigwaarnemingen, aflevergegevens en de verklaringen van meerdere omwonenden van [adres 1] en [adres 2] – het adres van de woning van de vriendin van [gedaagde] – dat [gedaagde] niet zijn hoofdverblijf in de woning heeft. [gedaagde] heeft dit gemotiveerd betwist.
Toetsingskader van het hebben van een hoofdverblijf in het gehuurde
Het hebben van het hoofdverblijf in het gehuurde is voor een huurder één van de essentiële verplichtingen uit de huurovereenkomst. Dat geldt zeker voor een sociale huurwoning als het gehuurde, die een bijzondere tijdelijke woonvoorziening betreft voor aan [plaats] gebonden spoedzoekers die snel woonruimte nodig hebben en niet op basis van reguliere inschrijfduur aan bod komen. Als uitgangspunt voor de beoordeling geldt daarom dat het niet hebben van het hoofdverblijf in het gehuurde ernstig genoeg is om tot ontbinding en ontruiming over te gaan. De bewijslast ter zake rust bij de verhuurder. Bij de beoordeling moet verder rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval en de belangen van verhuurder en huurder.
Hoofdverblijf is volgens vaste rechtspraak de plaats waar iemand werkelijk woont, waar hij de zetel van zijn fortuin heeft, zijn zaken behartigt en waar de eigendommen staan, de plek waar het leven van iemand zich in hoofdzaak afspeelt. Het gaat erom waar zich het middelpunt van zijn persoonlijke belangen bevindt en waar hij ’s avonds (meestal) weer naar terugkeert.
Als de verhuurder gemotiveerd stelt dat de huurder geen hoofdverblijf heeft in het gehuurde, mag van de huurder worden verlangd dat hij feitelijke gegevens verstrekt ter motivering van zijn betwisting van de stellingen van de verhuurder om deze aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering te verschaffen. Als de huurder niet voldoet aan deze verzwaarde motiveringsplicht kan de kantonrechter de stellingen van de verhuurder als onvoldoende betwist voor waar aannemen, al of niet met de mogelijkheid van tegenbewijs.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] niet zijn hoofdverblijf in de woning heeft en wel om het volgende.
Niet ter discussie staat dat [gedaagde] op grond van artikel 6.3 van de algemene huurvoorwaarden de verplichting heeft om de woning feitelijk te bewonen en om daar gedurende de huurtijd zijn (exclusieve) hoofdverblijf te hebben.
Centrada heeft ter onderbouwing van haar stelling dat [gedaagde] niet zijn hoofdverblijf in de woning heeft het volgende aangevoerd.
De huisbezoeken
Centrada heeft onderbouwd gesteld – en [gedaagde] heeft niet weersproken – dat tijdens het huisbezoek van de bouwkundig opzichter op 6 februari 2026 het binnen ijskoud was en dat de woning volgestouwd was met spullen (zie productie 6 van Centrada). De bouwkundige opzichter was bij [gedaagde] langsgekomen naar aanleiding van een melding over schimmel. De conclusie van de bouwkundige opzichter was dat er geen daadwerkelijke schimmelproblematiek was die niet door bewoning, verwarming en ventilatie kon worden verholpen. Op 24 maart 2026 lijkt de situatie niet anders dan op 6 februari 2026. Centrada had op die dag [gedaagde] uitgenodigd bij haar op kantoor voor een gesprek over de bewoning van het gehuurde. [gedaagde] was toen met zijn partner verschenen. Tijdens het gesprek had [gedaagde] verklaard dat hij wegens de schimmel, gezondheidsklachten en overlast niet altijd in het gehuurde verblijft. Aanvankelijk verklaarde [gedaagde] dat hij slechts af en toe thuis zou zijn. Vervolgens gaf [gedaagde] aan dat hij twee weken in het gehuurde heeft geslapen en alleen in de weekenden bij zijn vriendin zou verblijven en dagelijks tweemaal in het gehuurde zou douchen. Nadat het gesprek op kantoor bij Centrada had plaatsgevonden, heeft Centrada samen met [gedaagde] en zijn partner het gehuurde bezocht. Bij binnenkomst heeft Centrada geconstateerd dat het gehuurde muf rook. Het gehuurde stond vol met spullen. Op het aanrecht lagen verschillende spullen waaronder een beschimmelde tas. Ook de doucheruimte stond vol met spullen en kon niet zonder het telkens te verplaatsen normaal worden gebruikt. In de koelkast bevonden zich nauwelijks levensmiddelen. De levensmiddelen die wel aanwezig waren, waren grotendeels over de houdbaarheidsdatum heen (onder andere van februari 2025, juni 2025 en december 2025, zie productie 14 van Centrada). Ook elders in het gehuurde waren voedingsmiddelen aangetroffen waarvan de houdbaarheidsdatum ruim was verstreken (onder andere van juni 2023, juli 2024 en februari 2025, zie productie 14 van Centrada). Deze bevindingen zijn dan ook volgens Centrada moeilijk verenigbaar met de eerdere door [gedaagde] gedane verklaring dat hij (bijna) dagelijks in het gehuurde verblijft, daar iedere nacht zou slapen en tweemaal per dag doucht. De algehele toestand van het gehuurde duidt niet op een normaal duurzaam gebruik als woning, maar op gebruik als opslag-, post- en incidenteel verblijfadres, aldus Centrada.
Tegenover deze gemotiveerde onderbouwing van Centrada heeft [gedaagde] onvoldoende tegen ingebracht. [gedaagde] heeft gesteld dat de reden, dat het gehuurde vol met spullen stond, kwam doordat hij de huur van zijn opslag had opgezegd. De spullen uit de opslag stonden daarom in het gehuurde. De spullen stonden slechts een paar dagen in het gehuurde, want daarna heeft hij de spullen weggehaald. De kantonrechter gaat daar niet in mee. Nog daargelaten dat Centrada dit heeft betwist, heeft [gedaagde] zijn standpunt op geen enkele manier onderbouwd. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om zijn standpunt nader te onderbouwen met bijvoorbeeld foto’s van hoe zijn woning er nu uit ziet en de opzegging van de huur van de opslag. Bovendien valt het standpunt van [gedaagde] , dat de vele spullen in het gehuurde slechts een paar dagen zouden staan, niet te rijmen met de door Centrada overlegde foto’s van de spullen in het gehuurde. Op zowel de foto’s van 6 februari 2026 als de foto’s van 24 maart 2026 zijn veel spullen in het gehuurde waar te nemen. Dat Centrada alleen de kruidenpotjes, die over datum waren, heeft gefotografeerd, is betwist door Centrada en volgt ook niet uit de foto’s die Centrada heeft ingebracht. De levensmiddelen die ver over de houdbaarheidsdatum waren betroffen niet alleen kruidenpotjes, maar ook boter, sap en sauzen. Dat Centrada zonder toestemming de foto’s in de woning heeft gemaakt, kan [gedaagde] eveneens niet baten. Centrada had een gerechtvaardigd belang bij het maken van de foto’s, immers het doel van de foto’s was om het beeld van het gebruik van het gehuurde vast te leggen. Verder is bovendien niet gesteld en/of gebleken dat [gedaagde] , toen Centrada de foto’s maakte, daartegen direct bezwaar heeft gemaakt, terwijl hij daartoe wel de gelegenheid had. Ook voor zover ten tijde van het maken van de foto’s [gedaagde] wel bezwaar had gemaakt, heeft [gedaagde] geen gevolgen verbonden aan zijn bezwaar. [gedaagde] heeft namelijk niet verzocht om de door Centrada gemaakte foto’s in deze procedure buiten beschouwing te laten.
De verklaringen van omwonenden van [adres 1] en [adres 2]
Centrada heeft verklaringen van de complexbeheerder van [adres 1] en anonieme verklaringen van omwonenden/bewoners van [adres 1] en [adres 2] in het geding gebracht (zie producties 8, 10, 15,17, 21, 31, 36 en 38 van Centrada). Volgens Centrada volgt uit de verklaringen van de complexbeheerder en omwonenden van [adres 1] hetzelfde beeld: [gedaagde] wordt weinig tot niet gezien bij [adres 1] / het gehuurde. Voor zover [gedaagde] er is, is het enkel voor het ophalen van de post. Verder hebben verschillende omwonenden/bewoners van [adres 2] – waar de partner van [gedaagde] woont – onafhankelijk van elkaar verklaard dat daar een vrouw (= de partner van [gedaagde] ) met haar vriend woont, herkenden zij [gedaagde] aan zijn signalement en zagen zij [gedaagde] dagelijks of zeer vaak. Centrada meent dat uit die verklaringen van de omwonenden van [adres 2] volgt dat [gedaagde] niet slechts zijn vriendin bezoekt. De frequentie, de tijdstippen en de wijze waarop de omwonenden van [adres 2] [gedaagde] als vaste mannelijke bewoner van de [adres 2] (de woning van de partner van [gedaagde] ) zien, wijzen erop dat [gedaagde] daar zijn dagelijkse woon- en leefcentrum heeft, aldus Centrada.
[gedaagde] meent dat de anonieme verklaringen niet als bewijs kunnen dienen, omdat die anoniem zijn en dus niet controleerbaar zijn. De kantonrechter gaat aan dit deel van het verweer voorbij. De verklaringen van de verschillende omwonenden van [adres 1] en [adres 2] hebben allen dezelfde strekking, namelijk dat [gedaagde] weinig tot niet wordt gezien bij [adres 1] en juist veel bij [adres 2] . Daar komt bij dat Centrada heeft toegelicht dat de verklaringen anoniem zijn, omdat zij dit aan de omwonenden, die de verklaring hebben afgelegd, heeft beloofd. Zo werkt Centrada altijd. Voor zover [gedaagde] de meldingen zonder anonimisering wil inzien, kan dat. [gedaagde] kan zich in dat geval wenden tot het kantoor van de gemachtigde van Centrada. Tijdens de zitting heeft Centrada aanvullend toegelicht dat [gedaagde] uit de verklaringen kan afleiden om welke omwonenden het gaat, waarop [gedaagde] aangaf dat één verklaring van de bewoner van nummer [nummer] is. Volgens [gedaagde] heeft die melder een hekel aan hem. Daaruit maakt de kantonrechter op dat [gedaagde] , ondanks dat de verklaringen zijn geanonimiseerd, wel kan herleiden wie de melding/verklaring heeft afgelegd.
De deurtagregistratie, de tandenstokers bij de deur, het plakband aan de deur en de voertuigwaarnemingen
Centrada heeft onderbouwd gesteld dat uit de tagregistratie van het gebruik van de toegangsdeur van het complex aan [adres 1] volgt dat in de periodes van 7 september 2025 tot 8 februari 2026, 25 april 2026 tot en met 24 mei 2026 en 19 juli 2026 tot en met 29 augustus 2026 de deurtag zeer beperkt is gebruikt (zie producties 9, 31 en 45 van Centrada). In de periode van 22 april 2026 tot en met 29 april 2026 was met de tag slechts één toegang op 25 april 2026 geregistreerd. Op 13 mei 2026 bleek de laatste tagbeweging van 25 april te dateren. Vanaf 20 juni 2026 volgden opnieuw weken zonder taggebruik. Tegelijk bleven tandenstokers bij de deur en later stukjes plakband op de deur van het gehuurde langdurig ongeroerd en hoopte post zich op (zie productie 18, 21, 23, 24, 27, 31, 32, 36, 40, 41, 43 en 44 van Centrada). Daarentegen werden [gedaagde] en zijn auto juist veelvuldig bij [adres 2] waargenomen op uiteenlopende dagen en tijdstippen (zie producties 16, 18, 21, 24, 25, 29, 32, 31, 33, 36, 40, 41, 43 en 44 van Centrada). Volgens Centrada moeten deze bevindingen in onderling samenhang worden bezien. De constatering van Centrada dat [gedaagde] zijn hoofdverblijf niet in het gehuurde zou hebben is dus niet enkel gebaseerd op het ongeroerd laten van de geplaatste tandenstoker, maar moet worden bezien in combinatie met het gebruik van de tag en de plaats waar het voertuig van [gedaagde] zich op het moment van de controle bevond.
Tegen deze gemotiveerde onderbouwing heeft [gedaagde] onvoldoende ingebracht. Volgens [gedaagde] zeggen de deurmarkeringen met de tandenstokers en plakband niet zoveel, maar daarover heeft Centrada gesteld dat zij haar constatering niet enkel heeft gebaseerd op alleen maar de deurmarkeringen maar dat die moeten worden bezien in combinatie met het gebruik van de deurtag en de voertuigregistratie van [gedaagde] bij [adres 2] . Dat de toegangsdeur vaak open zou staan en/of niet in het slot zou zitten waardoor [gedaagde] het complex binnen zou kunnen lopen zonder gebruik van de tag te maken, is de kantonrechter niet gebleken. Centrada heeft dit verweer van [gedaagde] gemotiveerd betwist met de verklaring van de complexbeheerder (zie productie 47 van Centrada). De complexbeheerder heeft verklaard dat de voordeur enkel open te maken is met de saltotag en die werkt al langere tijd goed. Anders is de slotenmaker er snel bij om de deur te maken mocht die onverhoopt stuk zijn. Overdag is er een sociaal complexbeheerder die de deur sluit als die openstaat. Ditzelfde geldt voor het weekend, want dan sluit de beveiliger de deur die openstaat. Gelet op de betwisting van Centrada had het op de weg van [gedaagde] gelegen om zijn betwisting(en) ten minste op enigerlei wijze te onderbouwen, bijvoorbeeld door middel van verklaringen derden (bijvoorbeeld van de buren die hem naar eigen zeggen binnen laten zodat hij geen tag hoeft te gebruiken) of andere bewijsstukken. Dit heeft [gedaagde] nagelaten.
Dat er sprake zou zijn van tunnelvisie door Centrada, is de kantonrechter eveneens niet gebleken en is verder door [gedaagde] ook niet onderbouwd. Uit de door Centrada in het geding gebrachte stukken en wat zij naar voren heeft gebracht in de dagvaarding en op zitting, is niet aannemelijk geworden dat Centrada slechts gegevens heeft overgelegd die haar standpunt onderbouwen of dat verklaringen van de complexbeheerder en de buurtbewoners van [adres 1] en [adres 2] niet in overeenstemming zijn met de waarheid. Dat de gegevens zijn verzameld door één specifieke medewerker van Centrada, heeft te maken met het feit dat die betreffende medewerker verantwoordelijk is voor het gebied waar het gehuurde zich bevindt. Bovendien heeft Centrada gesteld – en [gedaagde] niet betwist – dat zij geen enkel gewin hierbij heeft.
De door [gedaagde] aangeleverde gegevens
Centrada heeft gesteld dat zij [gedaagde] meerdere malen de kans heeft gegeven om aan te tonen dat [gedaagde] in het gehuurde zijn hoofdverblijf heeft. Weliswaar heeft [gedaagde] gegevens aangeleverd (zoals bankafschriften met daarop onder andere betalingen aan Flink en Temu, de facturen van Ziggo, de verwijzing naar de huisarts- en apotheekbezoeken en diverse bonnetjes, zie productie 34 van Centrada), maar deze gegevens bewijzen volgens Centrada hooguit een band met [plaats] . Deze gegevens zeggen niets over de vraag waar [gedaagde] feitelijk zijn duurzame woon- en leefcentrum heeft. Daarbij is van belang dat [adres 1] en [adres 2] beide in [plaats] liggen en zich op zeer korte afstand (1,7 kilometer) van elkaar bevinden. Dat [gedaagde] in [plaats] boodschappen doet en daar zijn huisarts en apotheek bezoekt, kan daarom evengoed verband houden met zijn verblijf aan [adres 2] . Volgens Centrada heeft zij juist gevraagd naar de afleveradressen van de vele Flink- en Temu bestellingen, omdat die adresgegevens concreet inzicht heeft kunnen geven in het adres waar [gedaagde] zijn dagelijkse huishouding voert. [gedaagde] heeft deze gegevens ondanks herhaalde verzoeken en de mogelijkheid om niet relevante informatie af te schermen, niet verstrekt, aldus Centrada.
Het had, gelet op wat Centrada heeft ingebracht over de door [gedaagde] aangeleverde stukken en wat hiervoor onder 3.9. is overwogen, op de weg van [gedaagde] gelegen om nadere feitelijke gegevens te verstrekken waaruit blijkt dat hij wél zijn hoofdverblijf in de woning heeft, zoals gegevens over het verbruik van gas, water en elektra. Weliswaar heeft [gedaagde] in zijn e-mail van 27 april 2026 gesteld dat hij die gegevens eerder heeft toegezonden (zie productie 26 van [gedaagde] ), maar Centrada heeft de ontvangst daarvan betwist. Daar komt bij dat uit de e-mail van 27 april 2026 niet volgt dat er bijlagen door [gedaagde] waren bijgevoegd. Dat [gedaagde] eerder de gegevens ten aanzien van zijn stroom-/gasverbruik aan Centrada heeft verstrekt, is de kantonrechter dan ook niet gebleken. Dat Centrada de voornoemde gegevens bij de energieleveranciers van [gedaagde] zelf kan opvragen, is door Centrada betwist en is verder door [gedaagde] ook niet onderbouwd. [gedaagde] heeft dan ook niet voldaan aan zijn verzwaarde motiveringsplicht.
Conclusie ten aanzien van het hoofdverblijf
De slotsom is daarom dat Centrada voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [gedaagde] zijn hoofdverblijf niet in het gehuurde heeft. [gedaagde] heeft hiermee in strijd met de huurovereenkomst en de algemene huurvoorwaarden gehandeld.
De ontruiming
Er is sprake van een ernstige tekortkoming aan de zijde van [gedaagde] , omdat hij zijn hoofdverblijf niet in het gehuurde heeft. De verwachting is dat de bodemrechter met een grote mate van waarschijnlijkheid zal oordelen dat deze tekortkoming van [gedaagde] in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst de ontbinding daarvan rechtvaardigt, zodat vooruitlopend daarop de gevorderde ontruiming daarom kan worden toegewezen.
De belangenafweging
Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. Centrada heeft een zwaarwegend belang om het gehuurde zo spoedig mogelijk weer ter beschikking te kunnen krijgen boven het belang van [gedaagde] . Het gaat hier om een sociale huurwoning, die een bijzondere tijdelijke woonvoorziening betreft voor aan Lelystad gebonden spoedzoekers die snel woonruimte nodig hebben en niet op basis van reguliere inschrijfduur aan bod komen. Dat belang weegt zwaarder dan het woonbelang van [gedaagde] (veronderstellenderwijs dat hij zijn hoofdverblijf wel in het gehuurde heeft). [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij een groot belang heeft bij behoud van zijn woning. Immers als hij het gehuurde moet verlaten kan hij nergens heen en komt hij op straat te staan. Ook zouden de omgangsregelingen met zijn kinderen, althans de mogelijkheden daartoe, in gevaar komen. Deze gestelde omstandigheden zijn onvoldoende om af te zien van de ontruiming van het gehuurde. Het dakloos raken is inherent aan een ontruiming en maakt niet dat om die reden afgezien moet worden van de ontruiming van het gehuurde. Dat [gedaagde] het gehuurde nodig heeft voor de omgangsregelingen met zijn kinderen, is de kantonrechter niet gebleken en is verder ook door [gedaagde] niet onderbouwd. Hierbij is verder van belang dat Centrada [gedaagde] meerdere malen de kans heeft gegeven om aan te tonen dat hij wél zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft. [gedaagde] heeft van die mogelijkheden onvoldoende gebruik gemaakt, althans weigerde nadere verdere informatie (over de Flink- en Temu bestellingen) aan Centrada te verstrekken. Ook heeft [gedaagde] zijn woongedrag sinds 18 maart 2026 – het moment waarop Centrada [gedaagde] heeft geconfronteerd met de meldingen over het niet bewonen van het gehuurde door [gedaagde] – niet aangepast. Hoewel de gevorderde ontruiming van het gehuurde voor [gedaagde] ingrijpend is, is het verder niet aannemelijk geworden dat [gedaagde] daardoor in een noodsituatie terecht komt.
De ontruimingstermijn
[gedaagde] heeft verzocht om een ontruimingstermijn van zes maanden. De kantonrechter wijst dit verzoek van [gedaagde] af. [gedaagde] heeft geen omstandigheden gesteld op grond waarvan een langere ontruimingstermijn dan normaal moet worden toegewezen. [gedaagde] krijgt een termijn van veertien dagen om het gehuurde te ontruimen en te verlaten. Die termijn van veertien dagen begint te lopen nadat dit vonnis door de deurwaarder aan [gedaagde] is uitgereikt.
De ontruimingskosten
Centrada heeft ook een vergoeding gevorderd voor de kosten van een eventuele gedwongen ontruiming van het gehuurde. Deze vordering is niet toewijsbaar. Op grond van de wet (artikel 237 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) kan de partij die ongelijk krijgt alleen worden veroordeeld tot betaling van kosten die vóór de uitspraak zijn gemaakt, dan wel kosten die nog niet zijn gemaakt maar zich al wel laten begroten. Dat is niet het geval bij ontruimingskosten. Deze kosten worden namelijk (mogelijk) na het ontruimingsvonnis gemaakt en laten zich niet op voorhand begroten. Op de datum van het ontruimingsvonnis staat nog niet vast of deze kosten gemaakt zullen worden en hoe hoog deze kosten mogelijk zullen zijn.
De gebruiksvergoeding
Centrada heeft op de zitting de vordering tot betaling van een gebruiksvergoeding met ingang van de datum van dit vonnis ingetrokken, zodat deze vordering geen bespreking meer behoeft.
De proceskosten en de wettelijke rente daarover
[gedaagde] heeft aangevoerd dat er sprake is van rauwelijks dagvaarden, omdat Centrada haar stelling van woonfraude voorafgaand aan deze procedure niet heeft onderbouwd met voldoende feiten en omstandigheden en geweigerd heeft de onderzoeksresultaten, de bevindingen en de verklaringen van getuigen aan [gedaagde] te verstrekken. Als dit verweer van [gedaagde] slaagt, dan kan dit gevolgen hebben voor de proceskostenveroordeling.
De kantonrechter gaat echter voorbij aan het verweer. Centrada heeft geen verplichting om voorafgaand aan deze procedure de voornoemde stukken te verstrekken. Daar komt bij dat de gemachtigde van Centrada in zijn brief van 26 juni 2026 al uiteen heeft gezet op grond waarvan Centrada meent dat [gedaagde] geen hoofverblijf in het gehuurde heeft (zie productie 39 bij dagvaarding). Verder is bovendien niet gebleken dat [gedaagde] eerder om de voornoemde stukken heeft gevraagd. Van rauwelijks dagvaarden is dan ook geen sprake.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Centrada worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,02
- griffierecht
€
139,00
- salaris gemachtigde
€
865,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.301,02
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat Centrada het vonnis direct kan (laten) uitvoeren, als [gedaagde] niet aan het vonnis (waaronder de veroordeling tot ontruiming) voldoet. [gedaagde] kan dus niet wachten met voldoen aan het vonnis in de periode dat tegen het vonnis nog hoger beroep mogelijk is of als hij hoger beroep heeft ingesteld en nog niet op dat hoger beroep is beslist. Het uitgangspunt is dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als de belangen van [gedaagde] om de uitkomst van een eventueel hoger beroep af te wachten zwaarder wegen dan de belangen van Centrada om direct over te kunnen gaan tot uitvoering van het vonnis. De belangen die hierbij worden meegewogen, zijn genoemd onder 3.23. De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval de belangen van Centrada zwaarder wegen dan de belangen van [gedaagde] . Daarom wordt het vonnis volgens het uitgangspunt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4. De beslissing
De kantonrechter, rechtdoende in kort geding,
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde aan [adres 1] te [postcode] ) [woonplaats] , met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Centrada zijn, te verlaten en volledig te ontruimen, in oorspronkelijke, onbeschadigde, schone en lege staat aan Centrada op te leveren en alle sleutels en overige toegangsmiddelen aan Centrada af te geven, met het verbod het gehuurde na de ontruiming opnieuw te betrekken of anderszins te gebruiken,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.301,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.W. Nederveen en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.
HHt/37278