RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12366758 \ UV EXPL 26-225 MS/1270
Vonnis in kort geding van 22 september 2026
in de zaak van
STICHTING NABIJWONEN,
gevestigd te Doorn,
eisende partij,
hierna te noemen: NabijWonen,
gemachtigde: mr. T. de Nijs,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. K.D.C. Schemkes.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 36;- de aanvullende productie 37 van NabijWonen;
- de productie 1 van [gedaagde] .
Op 8 september 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waar namens NabijWonen zijn verschenen mevrouw [A] , consulent sociaal en strategie, mevrouw [B] , adviseur wonen, met de gemachtigde van NabijWonen. [gedaagde] is zelf niet verschenen en heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten mondeling toegelicht, waarbij de gemachtigde van [gedaagde] gebruik heeft gemaakt van een pleitnota. Zij hebben op elkaar kunnen reageren en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat is besproken. Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bepaald dat op 22 september 2026 vonnis wordt gewezen.
2. De kern van de zaak
[gedaagde] huurt sinds 8 augustus 2024 een woning van NabijWonen aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning) op basis van een tijdelijke huurovereenkomst voor de duur van twee jaren als bedoeld in artikel 7:271 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). NabijWonen heeft [gedaagde] laten weten dat de huurovereenkomst na 7 augustus 2026 niet wordt voortgezet. [gedaagde] heeft de woning niet verlaten. NabijWonen vordert ontruiming van de woning, betaling van achterstallige huur en een gebruiksvergoeding voor de periode vanaf 8 augustus 2026 tot aan de ontruiming van de woning. De kantonrechter oordeelt dat NabijWonen het einde van de huurovereenkomst tijdig heeft aangezegd en dat [gedaagde] de woning zonder recht of titel onder zich houdt. [gedaagde] betwist niet dat hij een huurachterstand heeft en aan NabijWonen een gebruiksvergoeding verschuldigd is. De vorderingen van NabijWonen worden daarom toegewezen.
3. De beoordeling
Toetsingskader
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing van een vordering in kort geding moet aan twee voorwaarden worden voldaan. Er moet sprake zijn van een spoedeisend belang én het moet zeer waarschijnlijk zijn dat de vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen.
NabijWonen heeft een spoedeisend belang bij haar vordering
NabijWonen stelt dat [gedaagde] de woning sinds 8 augustus 2026 zonder recht of titel onder zich houdt en daarmee onrechtmatig tegenover haar handelt. Daarnaast is sprake van overlast met een grote impact op omwonenden en staat er een nieuwe huurder voor de woning klaar. De kantonrechter is van oordeel dat NabijWonen daarmee voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vordering tot ontruiming van de woning en dat van haar niet verwacht kan worden dat zij de uitkomst van een normale, uitgebreide procedure (bodemprocedure) afwacht.
Er is sprake van een huurovereenkomst voor bepaalde tijd
Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een huurovereenkomst voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 7:271 lid 2 BW voor personen die vallen onder het Besluit specifieke groepen tijdelijke huurovereenkomst. De reden hiervoor is dat [gedaagde] op zijn vorige adres veel overlast heeft veroorzaakt en ernstig onbegrepen gedrag heeft vertoond. De woning in [woonplaats] is daarom in het kader van de persoonsgerichte aanpak binnen de gemeente Utrechtse Heuvelrug met verplichte begeleiding en bij wijze van tweede kans aan hem toegewezen. In de huurovereenkomst staat dat deze eindigt op 7 augustus 2026. Verder is bepaald dat [gedaagde] op geen enkele manier overlast mag veroorzaken.
Een huurovereenkomst voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 7:271 lid 2 BW eindigt wanneer die tijd is verstreken zonder dat daartoe een opzegging is vereist. Er geldt wel een aanvullende voorwaarde: de verhuurder moet niet eerder dan drie maanden maar uiterlijk een maand voordat die bepaalde tijd is verstreken, de huurder over de dag waarop die huur verstrijkt schriftelijk informeren. Als de verhuurder deze verplichting niet nakomt, wordt de huurovereenkomst na het verstrijken van de bepaalde tijd voor onbepaalde tijd verlengd.
Er is tijdig een kennisgeving van het einde van de huurovereenkomst uitgebracht
NabijWonen heeft met een brief van 20 april 2026 het einde van de huurovereenkomst aangezegd. [gedaagde] heeft er terecht op gewezen dat deze kennisgeving eerder dan drie maanden voor het aflopen van de huurovereenkomst is uitgebracht en dus te vroeg was. Hij stelt dat hierdoor een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. De kantonrechter volgt hem niet in dit standpunt. Nadat [gedaagde] bezwaar had gemaakt tegen het einde van de huurovereenkomst, heeft NabijWonen namelijk in een brief van 28 mei 2026 herhaald dat de huurovereenkomst op 7 augustus 2026 zou eindigen. Deze brief, die wel binnen de juiste termijn aan [gedaagde] is verstuurd en door hem is ontvangen, kan naar het oordeel van de kantonrechter ook worden aangemerkt als een kennisgeving als bedoeld in artikel 7:271 lid 2 BW. NabijWonen heeft er terecht op gewezen dat de kennisgeving vormvrij is. Uit artikel 7:271 lid 2 BW blijkt niet dat, als een kennisgeving te vroeg is gedaan, het dan niet meer mogelijk zou zijn om dit te herstellen. Het valt ook niet in te zien welk belang van de huurder daarmee geschonden zou worden. Bij een te late kennisgeving is dit belang wel evident, omdat de huurder dan niet tijdig weet dat hij de woning moet verlaten.
De conclusie luidt daarom dat NabijWonen [gedaagde] tijdig schriftelijk heeft geïnformeerd over de dag waarop de huurovereenkomst eindigt.
NabijWonen maakt geen misbruik van haar recht om het einde van de huurovereenkomst aan te zeggen
Niet is gebleken dat NabijWonen misbruik heeft gemaakt van haar recht om het einde van de tijdelijke huurovereenkomst aan te zeggen. De kantonrechter neemt daarbij in aanmerking dat NabijWonen voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [gedaagde] zich - ondanks verschillende waarschuwingen - tijdens de looptijd van de huurovereenkomst niet aan de gemaakte afspraken heeft gehouden door overlast te veroorzaken en onvoldoende medewerking te verlenen aan de geboden begeleiding. [gedaagde] heeft een e-mail van zijn begeleider [C] van 7 september 2026 in het geding gebracht waarin deze schrijft dat hij [gedaagde] begeleidt en hem momenteel minimaal één keer per week en vaak twee keer per week ziet. Hij spreekt [gedaagde] dan vóór de woning en niet in de woning zelf. Ook is er meerdere malen telefonisch of sms-contact. Deze e-mail zegt echter niets over de inhoud van de begeleiding en het effect ervan op de overlast die [gedaagde] veroorzaakt. Niet is gebleken dat de overlast inmiddels definitief is gestopt en dat NabijWonen daarom in redelijkheid geen belang meer zou hebben bij de ontruiming.
De gevolgen van de beëindiging van de huurovereenkomst zijn mogelijk ingrijpend omdat [gedaagde] daardoor het risico loopt dakloos te worden. Daar staat echter tegenover dat NabijWonen heeft gesteld dat in het kader van de persoonsgebonden aanpak met [gedaagde] de mogelijkheid van begeleid wonen is besproken, dat hij daarvoor is gaan kijken bij een locatie van [instelling] en dat medewerkers van [instelling] ook twee keer bij hem zijn langs geweest. De gemachtigde van [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat de begeleider van [gedaagde] begeleid wonen ook een passende oplossing voor [gedaagde] vindt. [gedaagde] heeft echter aangegeven dit niet te willen. Dit is zijn goed recht, maar hij neemt daardoor zelf het risico om dakloos te raken. NabijWonen heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij bereid is zich in te zetten om dit te voorkomen, maar daarvoor is wel de medewerking van [gedaagde] nodig.
De vordering tot ontruiming wordt toegewezen
Dit betekent dat de huurovereenkomst van rechtswege op 7 augustus 2026 is geëindigd. [gedaagde] heeft de woning sindsdien niet ontruimd en verblijft daarom vanaf 8 augustus 2026 zonder recht of titel in de woning. Omdat de woning het eigendom is van NabijWonen, is dit aan te merken als een inbreuk op haar eigendomsrecht. [gedaagde] handelt hiermee onrechtmatig tegenover NabijWonen. Het is daarom voldoende aannemelijk dat de ontruimingsvordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Om die reden zal de gevorderde ontruiming in dit kort geding worden toegewezen.
NabijWonen heeft ook nog een subsidiaire grondslag voor ontruiming genoemd, namelijk een te verwachten ontbinding van de huurovereenkomst in de bodemprocedure vanwege overlast en een huurachterstand. Die grondslag hoeft nu niet meer te worden beoordeeld omdat de ontruiming al vanwege de inbreuk van [gedaagde] op het eigendomsrecht van NabijWonen wordt toegewezen.
[gedaagde] moet de woning binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis ontruimen
De ontruimingstermijn wordt vastgesteld op de gevorderde veertien dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter vindt deze termijn lang genoeg, omdat [gedaagde] al sinds april 2026 weet dat hij de woning na 7 augustus 2026 moest verlaten.
[gedaagde] moet de huurachterstand en een gebruiksvergoeding betalen
[gedaagde] betwist niet dat sprake is van een huurachterstand over de maanden september 2025 en juli 2026 en dat hij voor de periode dat hij de woning onder zich houdt een gebruiksvergoeding verschuldigd is. Ook de vorderingen tot betaling van deze bedragen worden toegewezen. Deze huurachterstand bedraagt in totaal € 1.387,02. Verder is [gedaagde] de gebruiksvergoeding van € 706,02 per maand verschuldigd tot hij de woning heeft ontruimd.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
NabijWonen vordert dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat NabijWonen het vonnis direct kan (laten) uitvoeren als [gedaagde] niet aan het vonnis (waaronder de veroordeling tot ontruiming) voldoet. [gedaagde] kan dus niet wachten met voldoen aan het vonnis in de periode dat tegen het vonnis nog hoger beroep mogelijk is of als hij hoger beroep heeft ingesteld en nog niet op dat hoger beroep is beslist. Of het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard, moet worden beoordeeld door een afweging van de belangen van partijen. De belangen die hierbij worden meegewogen, zijn genoemd onder rechtsoverwegingen 3.2 en 3.8. De kantonrechter is van oordeel dat de belangen van NabijWonen om over veertien dagen na betekening van dit vonnis direct over te kunnen gaan tot uitvoering van het vonnis zwaarder wegen dan de belangen van [gedaagde] om de uitkomst van een eventueel hoger beroep af te wachten. Daarom zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van NabijWonen worden begroot op:
- dagvaarding
€
151,94
- griffierecht
€
350,00
- salaris gemachtigde
€
865,00
- nakosten
€
144,00
Totaal
€
1.510,94
4. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan het adres [adres] in [woonplaats] te ontruimen en te verlaten, onder afgifte van de sleutels, met alle goederen en al de personen die zijdens hem in deze woning aanwezig zijn en de woning ter vrije beschikking van NabijWonen te stellen;
veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan NabijWonen:
a. a) € 1.387,02 aan achterstallige huur over de maanden september 2025 en juli 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de verschuldigde huurtermijnen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van algehele voldoening,
b) € 706,02 per maand, of een evenredig gedeelte van dit bedrag als sprake is van een gedeelte van een maand, vanaf 8 augustus 2026 tot aan het tijdstip van de daadwerkelijke ontruiming van de woning, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de verschuldigde termijnen vanaf de vervaldag van elke termijn tot de dag van algehele voldoening;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.510,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. Creutzberg en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.