RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/614942 / JE RK 26-1105
Datum uitspraak: 3 september 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat mr. H. Brokers-van Dijk,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 2] ,
advocaat mr. F.P. Slijkhuis,
hierna samen te noemen de ouders.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter heeft bij beschikking van 19 augustus 2026 de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg van [minderjarige] kort verlengd, te weten tot 7 september 2026, en de behandeling van het verzoek tot het overige aangehouden.
De kinderrechter heeft daarna de volgende stukken ontvangen:
de brief met verslaglegging van de doelen van de GI van 25 augustus 2026;
de brief met bijlagen van de moeder, van 2 september 2026.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 september 2026. Daarbij waren aanwezig: - de vader, bijgestaan door zijn advocaat;- de moeder, bijgestaan door haar advocaat; - [A.] namens de GI;
- [B.] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan [C.] , trajectmanager van de gezinshuisafdeling.
Gelijktijdig met het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlengen is het verzoek van de vader om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem vast te stellen en een zorgregeling vast te leggen, behandeld. Daarover is een aparte beschikking gewezen (onder zaaknummer: C/16/575177 / FO RK 24-583).
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 augustus 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 21 augustus 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 maart 2026 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleegezin verleend, met ingang van 16 maart 2026 tot 30 maart 2026, en de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 maart 2026 de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 21 augustus 2026.2.5. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 augustus 2026 de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg van [minderjarige] kort verlengd tot 7 september 2026, omdat het niet mogelijk bleek om een nieuwe zitting te plannen voor afloop van de termijn.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de kinderrechter om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar, waarbij het eerste half jaar wordt uitgesproken en het tweede half jaar wordt aangehouden, met een tussentijds toetsmoment. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De beoordeling
De ondertoezichtstelling 4.1. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling verlengen voor de duur van een jaar. De kinderrechter legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
Op basis van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat de gronden voor de ondertoezichtstelling nog steeds aanwezig zijn.
In het recente verleden bestonden er grote zorgen over [minderjarige] . Zo verbleef zij bij de moeder op veel verschillende plekken en werd zij herhaaldelijk blootgesteld aan onvoorspelbaar gedrag en hoogoplopende emoties van de moeder. [minderjarige] liet daarbij ernstige tekenen van spanning zien. Er waren eveneens zorgen over de spanningen tussen de ouders waarbij de moeder veel angst voor de vader had, hetgeen effect had op de relatie tussen de vader en [minderjarige] . Er is sprake geweest van diverse contactbreuken tussen [minderjarige] en de vader. Op de zitting van 24 maart 2026 heeft de vader bevestigd dat hij in het verleden seksueel misbruik heeft gemaakt van de moeder door haar in haar slaap te verkrachten en zonder toestemming naaktfoto’s van haar te maken.
Inmiddels is de situatie van [minderjarige] verbeterd. [minderjarige] is uit huis geplaatst en woont bij een pleeggezin. Daar gaat het goed met haar. Ook gaat het goed op school. Zij heeft contact met beide ouders. De vader ziet zij een dagdeel per week bij hem thuis (onder begeleiding) en de moeder ziet [minderjarige] twee uur per week op een openbare locatie (onder begeleiding). Tegelijkertijd worden er bij haar nog signalen van spanning gezien. Zij zoekt in het pleeggezin veel nabijheid en bevestiging. De GI heeft tijdens het contact met haar gezien dat zij gespannen is en stress lijkt te ervaren. Het is nog onvoldoende duidelijk wat aan deze spanning ten grondslag ligt en wat [minderjarige] nodig heeft om zich verder onbelast te kunnen ontwikkelen.
Ook zijn er nog steeds zorgen over de ouders. Zij zijn nog onvoldoende in staat gebleken om de voor [minderjarige] noodzakelijke rust en voorspelbaarheid gezamenlijk te waarborgen. De kinderrechter ziet wel dat beide ouders gemotiveerd zijn en dat zij de afgelopen periode belangrijke stappen hebben gezet. De moeder laat duidelijke vooruitgang zien in haar behandeling, heeft inkomen, is bezig met haar huisvesting en werk en het contact met [minderjarige] loopt positief. Zij is rustiger, heeft inzicht in haar handelen en lijkt ook in staat te zijn om haar gedrag positief te veranderen. Meer dan eerder staat zij open voor een rol van de vader in het leven van [minderjarige] . Ook de vader beschikt over passende huisvesting en werk. Het contact dat hij met [minderjarige] heeft verloopt goed. Hij is betrokken bij [minderjarige] en toont zich bereid om aan zichzelf te werken. Deze positieve ontwikkelingen nemen echter niet weg dat de hiervoor genoemde zorgen nog onvoldoende zijn weggenomen.
Op dit moment is er nog veel onduidelijk over de ontwikkeling van [minderjarige] en de ouders. Ook moet er zicht komen of [minderjarige] terug naar de moeder kan en of de ouders kunnen samenwerken. Om dit zicht te verkrijgen volgen beide ouders een Simba-traject. De kinderrechter vindt het belangrijk dat de GI de komende tijd betrokken blijft om dit traject te monitoren, de ontwikkeling van [minderjarige] en de ouders te bewaken en om afspraken te maken over de omgang tussen [minderjarige] en de ouders. De regie vanuit de GI is, gelet op de nog bestaande zorgen en de kwetsbaarheid van de positieve ontwikkelingen, nog noodzakelijk in het belang van [minderjarige] .
Gelet op de zorgen, de vele stappen die gezet moeten worden en het recent gestarte Simba-traject zal de rechtbank de ondertoezichtstelling daarom voor de duur van een jaar verlengen, tot 21 augustus 2027.
De uithuisplaatsing
De kinderrechter is daarnaast van oordeel dat ook de gronden voor de machtiging tot uithuisplaatsing nog aanwezig zijn. Een uithuisplaatsing kan worden verlengd als dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Naar het oordeel van de kinderrechter is dat op dit moment nog het geval.
[minderjarige] verblijft sinds maart 2026 in een pleeggezin. Zij heeft daar een positieve ontwikkeling doorgemaakt en gaat inmiddels naar school. Beide ouders zijn van mening dat [minderjarige] niet langer in het pleeggezin moet blijven, maar terug naar de moeder moet dan wel bij de vader moet gaan wonen. Beide ouders stellen daar ook klaar voor te zijn. Hoewel de kinderrechter constateert dat er sprake is van een positieve ontwikkeling bij beide ouders, heeft zij niet de overtuiging gekregen dat één van de ouders (of zij samen) [minderjarige] op dit moment de stabiliteit en rust kan bieden die zij zo nodig heeft. De kinderrechter zal dat in het navolgende uitleggen. Daarbij staat voor de kinderrechter voorop dat [minderjarige] in haar jonge leven al heel veel nare dingen heeft meegemaakt. Zij heeft op veel verschillende plekken gewoond en heeft in twee pleeggezinnen verbleven. Een terugkeer naar de moeder, of een verhuizing naar de vader, kan alleen als zeker is dat [minderjarige] daar stabiel en veilig kan opgroeien.
Ten aanzien van moeder geldt dat zij grote stappen heeft gezet. Haar huidige woonvoorziening is geschikt om [minderjarige] te ontvangen en ook haar financiële situatie lijkt inmiddels voldoende op orde te zijn. Wel is deze woonvoorziening tijdelijk en moet de moeder nog verdere stappen zetten richting zelfstandige huisvesting. Daarnaast is haar traumabehandeling nog niet afgerond. Ook heeft de moeder nu nog zeer beperkt omgang met [minderjarige] , waardoor er nog onvoldoende zicht is of zij [minderjarige] kan bieden wat zij nodig heeft. De kinderrechter acht het daarom van belang dat de positieve ontwikkelingen van de moeder verder worden bestendigd. Ook moet de moeder tijdens de inmiddels geplande, langere omgangsmomenten – waaronder omgang bij haar thuis –laten zien dat zij [minderjarige] op een stabiele en emotioneel veilige manier kan verzorgen en opvoeden.
Ten aanzien van de vader geldt dat de omgang met [minderjarige] goed verloopt en dat de vader inmiddels over een stabiele woon- en werksituatie beschikt. De kinderrechter heeft, net als de GI, wél zorgen over de ernstige misdragingen van de vader jegens de moeder. Hoewel er geen aanwijzingen zijn dat de vader [minderjarige] iets heeft aangedaan, heeft hij het vertrouwen van de moeder in hem ernstig beschadigd. De kinderrechter maakt zich daarbij ook zorgen over de oninvoelbare houding van de vader in reactie op het trauma van de moeder dat voorkomt uit zijn handelen. Exemplarisch daarvoor is de brief die de vader (in de procedure over het hoofdverblijf en de zorgregeling) aan de jeugdbeschermer heeft geschreven. Daaruit volgt dat de vader zichzelf vooral ook als slachtoffer ziet, zo schrijft hij: “Ik hoor eigenlijk niemand over hoe het toen met mij ging (...) Het terugkijken naar het verleden vreet energie. Ik wil vooruitkijken met [minderjarige]”. De vader lijkt de ernst en impact van zijn gedrag te onderschatten, waardoor bij de kinderrechter de vrees op herhaling van soortgelijk gedrag blijft bestaan. Dat maakt dat de kinderrechter de vader nu niet betrouwbaar acht om (langdurig) voor [minderjarige] te kunnen zorgen. Nu de vader wil dat [minderjarige] bij hem komt wonen, acht de kinderrechter het noodzakelijk dat er meer zicht komt op het (voormalige) gedrag van de vader en zijn belevingswereld daarin. Hoewel de vader stelt dat zijn praktijkondersteuner verdere hulpverlening niet noodzakelijk vindt, is onduidelijk of de praktijkondersteuner wetenschap heeft van voornoemde gebeurtenissen en dit in haar ‘advies’ heeft meegewogen. De kinderrechter vindt het belangrijk dat de vader opnieuw contact zoekt met deze hulpverlener waarbij hij met haar bespreekt wat er is gebeurd. Daarbij moet worden bezien of verdere behandeling of begeleiding noodzakelijk is. De kinderrechter wil dat hetgeen de vader met de praktijkondersteuner gaat bespreken, wordt opgenomen in een verslag dat met de GI en de kinderrechter moet worden gedeeld. De kinderrechter verwacht ook dat de vader deze beschikking aan de praktijkondersteuner laat lezen.
De kinderrechter acht het verder van belang dat het Simba-traject wordt voortgezet. Dit traject moet meer duidelijkheid geven over de wijze waarop beide ouders een rol kunnen spelen in het leven van [minderjarige] , over de samenwerking tussen de ouders en uiteindelijk over de vraag waar het perspectief ten aanzien van de verblijfsplek van [minderjarige] het beste kan worden gerealiseerd. Het is op dit moment nog te vroeg om op basis van de beschikbare informatie te bepalen of dat perspectief bij de moeder, bij de vader of op een andere wijze moet worden vormgegeven. Het is belangrijk dat beide ouders hieraan blijven meewerken.
De kinderrechter acht het daarom niet in het belang van [minderjarige] om haar op dit moment terug te plaatsen bij één van de ouders. Het belang van [minderjarige] bij stabiliteit en continuïteit weegt op dit moment zwaarder, zeker gelet op de vele verhuizingen die zij al heeft meegemaakt. De kinderrechter acht onvoldoende gewaarborgd dat een terugplaatsing op dit moment duurzaam en zonder risico op nieuwe instabiliteit kan plaatsvinden. De uithuisplaatsing wordt daarom vooralsnog voortgezet.
De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing niet, zoals door de GI verzocht, voor zes maanden verlengen. De kinderrechter acht het van belang om de vinger aan de pols te houden, mede gelet op de positieve ontwikkelingen die bij beide ouders zichtbaar zijn en de uitbreiding van de omgang met moeder die op korte termijn zal plaatsvinden. Ook heeft de kinderrechter grote zorgen over de (onverklaarbare) stress en gespannenheid die bij [minderjarige] wordt gezien. Een verlenging voor de duur van zes maanden past hier niet bij. Daarom zal de machtiging tot uithuisplaatsing worden verlengd voor de duur van vier maanden, dus tot 21 december 2026. De beslissing op het resterende deel van het verzoek zal worden aangehouden.
De komende periode dient te worden benut om de omgang tussen de moeder en [minderjarige] verder uit te breiden en daarbij ook omgang bij de moeder thuis te laten plaatsvinden. Daarnaast dient de vader de door hem aangekondigde gesprekken met zijn praktijkondersteuner te voeren en moet duidelijk worden welke eventuele verdere hulpverlening voor hem nodig is. De vader dient deze bevindingen met de GI en met de kinderrechter te delen. Het Simba-traject dient te worden voortgezet, waarbij aandacht moet zijn voor de samenwerking tussen de ouders en voor de vraag welke rol beide ouders in het leven van [minderjarige] kunnen vervullen.
De regie over de omgang ligt bij de GI. De GI dient daarbij te beoordelen welke frequentie, duur en mate van begeleiding in het belang van [minderjarige] is waarbij de GI de omgang waar nodig kan aanpassen aan de draagkracht van [minderjarige] . De kinderrechter acht het van belang dat daarbij de reactie van [minderjarige] op de uitbreiding van de omgang zorgvuldig wordt gevolgd.
De kinderrechter wil vóór 4 december 2026 , van alle betrokkenen een actuele stand van zaken over het verloop van het Simba-traject, de omgang tussen [minderjarige] en beide ouders, de ontwikkeling van de moeder ten aanzien van haar behandeling en huisvesting en de stappen die de vader heeft gezet in het kader van de begeleiding door zijn praktijkondersteuner, inclusief een weergave van hetgeen daar is besproken, ontvangen. Op basis daarvan kan de kinderrechter verder beoordelen of de uithuisplaatsing nog noodzakelijk is en welke stappen ten aanzien van het perspectief van [minderjarige] nodig zijn.4.18. De kinderrechter zal het aangehouden deel van het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing verder behandelen op de zitting van 7 december 2026 om 13.30 uur. De kinderrechter roept hierbij de GI, de moeder, de vader, en hun advocaten op, om op die zitting te verschijnen. Uitvoerbaar bij voorraad4.19. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is
verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 21 augustus 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van 4 maanden, dus tot 21 december 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het verzoek ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing voor het overige aan tot de nieuwe zittingsdatum van 7 december 2026 om 13:30 uur;
verwacht dat partijen uiterlijk vóór 4 december 2026 de kinderrechter informeren zoals in rechtsoverweging 4.17. is overwogen; 5.6. bepaalt dat een afschrift van deze beschikkinggeldt als oproep van de GI, de moeder, de vader en hun advocaten om op voornoemde datum en tijdstip ter zitting te verschijnen.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.W.V. van Duursen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 september 206, in aanwezigheid van mr. C.A. Lammertink als griffier. De beslissing is uitgewerkt en op schrift gesteld op 18 september 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.