RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12376073 \ MV EXPL 26-130
Vonnis in kort geding van 21 september 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiseres] ,
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. J.B. de Jong,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
OLYMPIA SERVICES B.V.,
gevestigd in Amsterdam, kantoorhoudend in Hoofddorp,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Olympia,
niet verschenen.
1. De procedure
De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen:
een dagvaarding van [eiseres] met 9 producties van 4 september 2026;
een aanvullende productie van [eiseres] op 9 september 2026;
een e-mail van mr. De Jong met twee bijlagen van 11 september 2026.
Op 11 september 2026 heeft er een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eiseres] is verschenen, bijgestaan door mr. De Jong. Olympia is niet verschenen. Van wat er tijdens de zitting is besproken, heeft de griffier aantekeningen gemaakt. Mr. De Jong heeft het standpunt van [eiseres] toegelicht met behulp van spreekaantekeningen. Deze zijn aan het dossier toegevoegd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] haar eis verminderd.
De kantonrechter heeft bepaald dat zij uiterlijk 25 september 2026 uitspraak doet.
2. De zaak in het kort
[eiseres] is op 25 juli 2025 als uitzendkracht in dienst getreden van Olympia. Nadat [eiseres] zich op 7 mei 2026 had ziekgemeld betaalde Olympia [eiseres] geen loon meer.
De kantonrechter is in dit kort geding van oordeel dat het aannemelijk is dat een bodemrechter zal oordelen dat de uitzendovereenkomst per 28 juli 2026 van rechtswege is geëindigd. Zij beslist dat Olympia tot die datum het loon van [eiseres] moet betalen. Ook moet Olympia een vergoeding betalen omdat zij niet op tijd aan [eiseres] heeft laten weten dat de uitzendovereenkomst eindigde. Tot slot moet Olympia een wettelijke verhoging, wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten betalen.
3. De beoordeling
Verstek Olympia
Uit de dagvaarding blijkt dat Olympia op correcte wijze is opgeroepen voor de mondelinge behandeling. Nu de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht zijn genomen, wordt tegen Olympia verstek verleend.
Toetsingskader
In een kortgedingprocedure wordt gevraagd om een spoedmaatregel te nemen. De wet gaat ervan uit dat er na de kortgedingprocedure een gewone rechtszaak zal komen, dit heet een ‘bodemprocedure’. Een kortgedingprocedure loopt op een bodemprocedure vooruit. De kantonrechter in kort geding probeert in te schatten of een bodemrechter de vordering waarschijnlijk zal toewijzen. Een kortgeding uitspraak is daarom niet meer dan een voorlopige beslissing waar een spoedeisend belang bij is. Daarom moeten belangrijke feiten duidelijk zijn, want tijd voor bewijslevering is er niet. Daarnaast moet een spoedeisend belang bij de gestelde vordering aanwezig zijn.
Spoedeisend belang [eiseres]
Het spoedeisend belang van de vorderingen vloeit voort uit de aard van de vorderingen en de stellingen van [eiseres] .
Beoordeling van de vorderingen
De meeste vorderingen komen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor. Deze zullen daarom worden toegewezen met inachtneming van het navolgende.
Aan achterstallig loon wordt een bedrag van € 1.164,20 bruto toegewezen. [eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld en onderbouwd dat zij over de periode van 11 mei 2026 tot 28 juli 2026 nog recht heeft op dit bedrag. [eiseres] heeft aannemelijk gemaakt dat de arbeidsomvang structureel afweek van de overeengekomen 16 uur per week. Op grond van artikel 29 lid 2 van de toepasselijke CAO voor Uitzendkrachten 2026-2028 (hierna: de cao) moet daarom worden gekeken naar het gemiddeld aantal uren dat [eiseres] in de 13 weken voorafgaand aan haar ziekmelding heeft gewerkt. [eiseres] heeft onweersproken gesteld dat dit 23,26 uur was. Uitgaande van een door Olympia verschuldigd uurloon van € 14,73 bruto in de periode vóór 1 juli 2026 en een uurloon van € 14,99 bruto na 1 juli 2026 en rekening houdende met de betaling van Olympia op 8 september 2026 van € 2.726,78 bruto resteert nog een door Olympia te betalen bedrag van € 1.164,20 bruto.
De kantonrechter is – zo is ook met [eiseres] tijdens de mondelinge behandeling besproken – gelet op het bepaalde in artikel 1 lid 8 van de uitzendovereenkomst en de artikelen 14 lid 2 en 18 lid 1 sub b van de cao, voorshands van oordeel dat de uitzendovereenkomst per 28 juli 2026 van rechtswege is geëindigd. Om die reden wordt het gevorderde loon over de periode vanaf 28 juli 2026 afgewezen.
[eiseres] heeft verder onweersproken gesteld dat zij niet tijdig op de hoogte is gebracht dat haar uitzendovereenkomst zou eindigen. De kantonrechter is daarom voorshands van oordeel [eiseres] op grond van artikel 18 lid 2 van de cao recht heeft op een kennisgevingsvergoeding van € 498,10 bruto. Over dit bedrag is de wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 Burgerlijk Wetboek (BW) niet toewijsbaar. Die wordt daarom afgewezen.
[eiseres] vordert nog dat Olympia wordt veroordeeld om de ziekmelding in behandeling te nemen en alle daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen na te komen.
[eiseres] heeft gesteld dat Olympia eigenrisicodrager is voor de Ziektewet en dat het haar bij deze vordering gaat om de uitkering van het ziekengeld. In die vordering is zij niet-ontvankelijk. Als een ex-werkgever een eigenrisicodrager is voor de Ziektewet (zoals Olympia), dan keert de ex-werkgever namens het UWV het ziekengeld uit. Doet de ex-werkgever die eigenrisicodrager is dit niet, dan keert het UWV het ziekengeld uit aan de werknemer en kan het UWV dit op de ex-werkgever verhalen (artikel 63a lid 3 Ziektewet). Een en ander brengt mee dat [eiseres] het UWV moet aanspreken voor het vaststellen van haar recht op en betaling van het ziekengeld en zo nodig de bestuursrechtelijke rechtsgang moet volgen.
[eiseres] vordert verder dat Olympia wordt veroordeeld om (onder overlegging van stukken) te verklaren of Olympia de arbeidsovereenkomst als geëindigd beschouwt en zo ja, per welke datum en op welke rechtsgrond. Deze vordering wordt afgewezen wegens gebrek aan belang omdat voorshands is geoordeeld dat ervan moet worden uitgegaan dat de overeenkomst per 28 juli 2026 van rechtswege is geëindigd en tot die datum loon is toegewezen.
De vordering ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Er is voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief van € 563,91.
Gelet op de uitkomst van de zaak wordt Olympia in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:
- griffierecht € 93,00
- salaris gemachtigde € 577,00
- nakosten € 144,00
Totaal € 814,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals hieronder staat vermeld onder ‘De beslissing’.
4. De beslissing
De kantonrechter geeft de volgende voorlopige voorzieningen:
verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar vordering om Olympia te veroordelen om de ziekmelding in behandeling te nemen en alle daaruit voortvloeiende betalings-verplichtingen na te komen;
veroordeelt Olympia om aan [eiseres] te betalen € 1.164,20 bruto aan achterstallig loon over de periode van 11 mei 2026 tot 28 juli 2026, vermeerderd met de wettelijke verhoging (met een maximum van 50%), beide bedragen vermeerderd met de wettelijke rente steeds vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag van de volledige betaling;
veroordeelt Olympia om aan [eiseres] te betalen € 498,10 bruto aan kennisgevingsvergoeding ex artikel 18 lid 2 CAO voor Uitzendkrachten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2026 tot aan de dag van de volledige betaling;
veroordeelt Olympia om aan [eiseres] te betalen € 563,91 aan buitengerechtelijke kosten;
veroordeelt Olympia in de proceskosten van [eiseres] van € 814,00;
veroordeelt Olympia in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
verklaart voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Blanke en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2026.
13702