uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , te [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. E.W.J.M. Janssens)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: B.E. de Leng)
Als derde-partij neemt aan de zaak deel de werkgever: [bedrijf] , te [vestigingsplaats] (gemachtigde: F. Bovenberg)
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat eiseres 80-100% maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De rechtbank beoordeelt het besluit van het Uwv aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Voorgeschiedenis en besluitvorming
Eiseres was werkzaam als [functie] bij de werkgever voor gemiddeld 24 uur per week. Op 18 juli 2022 is zij voor haar werk uitgevallen. Op 24 april 2024 heeft eiseres een WIA-uitkering aangevraagd.
Naar aanleiding van de aanvraag heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Het Uwv heeft bij besluit van 14 juli 2025 (het primaire besluit) aan eiseres geen WIA-uitkering toegekend, omdat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is (10,21%). Eiseres heeft op 23 juli 2025 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Bij besluit van 16 januari 2026 (bestreden besluit I) is het Uwv bij zijn beslissing gebleven. Het bezwaar van eiseres is ongegrond verklaard. Eiseres heeft op 26 februari 2026 beroep ingesteld tegen dit besluit.
Naar aanleiding van nadere medische informatie en het verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek in beroep heeft het Uwv op 27 maart 2026 het bestreden besluit I ingetrokken en een nieuw besluit genomen (bestreden besluit II). Het Uwv heeft daarin besloten dat eiseres vanaf 27 juli 2024 volledig (80-100%) arbeidsongeschikt is en wel in aanmerking komt voor een WIA-uitkering (een loongerelateerde WGA-uitkering).
Bij brief van 20 april 2026 heeft eiseres aan de rechtbank kenbaar gemaakt het niet eens te zijn met het gewijzigde besluit van het Uwv ten aanzien van de duurzaamheid van haar klachten en daaruit voortvloeiende arbeidsbeperkingen. Verweerder heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 19 augustus 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar partner [naam 1] , de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Geschil
Ter zitting heeft eiseres het beroep tegen het bestreden besluit I ingetrokken. Ook heeft eiseres het verzoek om wettelijke rente ingetrokken. De rechtbank hoeft daarom hierover geen beslissing meer te nemen.
Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van volledig arbeidsongeschiktheid. Het gaat in deze procedure om de vraag of die arbeidsongeschiktheid per 27 juli 2024 ook moet worden geacht volledig en duurzaam te zijn in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. In dat geval zou eiseres op grond van artikel 47 van de Wet WIA recht hebben op een IVA-uitkering.
Eiseres heeft geen toestemming gegeven om de gedingstukken die medische gegevens bevatten ter kennisname aan werkgever te verstrekken. De rechtbank vermijdt daarom het vermelden van medische gegevens voor zover mogelijk. Op sommige plekken is het noemen van medische gegevens noodzakelijk voor de begrijpelijkheid van de uitspraak.
Toetsingskader
Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.
De Centrale Raad hanteert strenge criteria voor de beoordeling van duurzaamheid door verzekeringsartsen. De verzekeringsarts dient zich een oordeel te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Hierbij moet hij een inschatting maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de medische situatie van de verzekerde op de datum in geding. Als die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.
Wat concludeert de verzekeringsarts over de duurzaamheid?
5. De verzekeringsarts bezwaar en beroep (hierna: vabb) stelt in de rapportage van
24 juni 2026 dat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is, omdat er in het eerstkomende jaar een redelijke tot goede verwachting bestaat dat bij een adequate behandeling de belastbaarheid zal verbeteren. De behandeling moet gericht zijn op het psychisch vlak in combinatie met het herhalen van pacing, wat gaat om het gedoseerd en voorzichtig onderzoeken en langzaam oprekken van de grenzen in fysieke en cognitieve belasting.
De vabb stelt dat daarmee een verbetering te verwachten is van het persoonlijk en sociaal functioneren. Door het aanleren van copingsvaardigheden en daarmee ontstane verminderde cognitieve belasting ten aanzien van omgang met dagelijkse taken, is ook een hogere energetische belastbaarheid te verwachten. Hiermee zal ook de duurbeperking op termijn verminderen.
Wat voert eiseres aan?
6. Eiseres voert aan dat er geen mogelijkheid tot verbetering is van haar klachten. Eiseres stelt dat zij vele soorten behandelingen heeft ondergaan en wijst daarbij op de door haar overgelegde verklaring van dr. [naam 2] van [kliniek] van
31 maart 2026. Hieruit blijkt dat eiseres al diverse interventies heeft ondergaan, waaronder ergotherapie met pacing. Dr. [naam 2] acht het zeer onwaarschijnlijk dat er nog serieuze verbeteringen zijn te verwachten de komende twee jaar, ook niet van (hernieuwde) pacing. Om deze reden meent eiseres dat haar klachten en de daaruit voortvloeiende arbeidsbeperkingen wel duurzaam moeten worden verklaard.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
De rechtbank is van oordeel dat het Uwv niet heeft voldaan aan de vereisten die de Raad stelt aan de door de verzekeringsarts te maken inschatting van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna. Die inschatting berust in dit geval op een medische behandeling, maar het Uwv heeft onvoldoende onderbouwing gegeven van het mogelijke resultaat van die behandeling voor de belastbaarheid van de individuele verzekerde. Daarbij betrekt de rechtbank het volgende. De vabb heeft volstaan met een algemene conclusie dat na behandeling een meer dan geringe kans bestaat op verbetering van de belastbaarheid. De vabb stelt dat er geen consensus bestaat over de behandelingsopties ten aanzien van de vermoeidheidsklachten van eiseres en dat het herhalen van pacing in meerdere fases van GGZ-behandeling de moeite waard blijft. De rechtbank oordeelt dat onvoldoende is onderbouwd wat het mogelijke resultaat van de medische behandeling zal zijn voor eiseres. De vabb is er in zijn beoordeling kennelijk vanuit gegaan dat de behandeling door middel van pacing pas is gestart toen eiseres bij [kliniek] kwam in november 2025. In dit kader concludeert de vabb namelijk dat gezien de termijn tussen de diagnose op
17 november 2025 en het schrijven van dr. [naam 2] op 31 maart 2026, er geen wezenlijke tijd is geweest om behandeling te ondergaan en te evalueren. Eiseres heeft die conclusie naar het oordeel van de rechtbank gemotiveerd weersproken. Dat leidt de rechtbank mede af uit al eerder gevolgde behandelingen, waaronder bij [naam 3] tussen januari tot augustus 2023, waar diezelfde aanpak van pacing (hoewel niet zo benoemd, maar wel zo omgeschreven) is geadviseerd. Naar het oordeel van de rechtbank is de vabb ten onrechte tot de conclusie gekomen dat stap 2a van het beoordelingskader toepassing is, namelijk dat er een redelijke of goede verwachting is op verbetering van de belastbaarheid in het komende jaar (na datum in geding). De beroepsgrond slaagt.
Als in het eerstkomende jaar niet of nauwelijks verbetering van de belastbaarheid kan worden verwacht, moet de verzekeringsarts namelijk beoordelen of en zo ja in hoeverre die na het eerstkomende jaar nog kan worden verwacht (stap 3). Daarbij geldt dat een redelijke of goede verwachting bestaat dat verbetering van de belastbaarheid na het eerstkomende jaar zal optreden, dit alleen het geval is als van een behandeling vaststaat dat die eerst op langere termijn kan zijn gericht op verbetering van de belastbaarheid (stap 3a). De rechtbank is van oordeel dat aan dat vereiste niet is voldaan, nu er geen medische informatie in het dossier zit waaruit de conclusie kan worden getrokken dat vaststaat dat de verbetering van de belastbaarheid na medische behandeling pas op langere termijn optreedt. Dit betekent dat ook niet geconcludeerd kan worden dat de verbetering van de belastbaarheid na het eerstkomende jaar kan worden verwacht.
Het beroep slaagt. Het bestreden besluit is niet voorzien van een deugdelijke motivering, zodat dit besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De overige beroepsgronden behoeven gelet hierop geen bespreking meer.
De gevolgen
Vervolgens moet de rechtbank beslissen hoe het verder gaat met de procedure. Daarbij is het uitgangspunt dat de rechtbank het geschil zo definitief mogelijk beslist.
De rechtbank kan zelf in de zaak voorzien als zij over de relevante feiten en belangen beschikt. De rechtbank heeft zelf niet de medische expertise om vast te stellen dat eiseres duurzaam arbeidsongeschikt is. Toch ziet de rechtbank in deze zaak aanleiding om zelf een beslissing over de uitkering van eiseres te nemen. Voor een deugdelijke motivering moet het Uwv een op het individuele geval van eiseres toegespitste inschatting van de herstelkansen maken, waarbij een onderbouwing is vereist die ziet op het mogelijke resultaat van de medische behandeling voor deze individuele verzekerde. Op basis van alle aanwezige gegevens bestaat volgens de rechtbank geen aanleiding dat het bestreden besluit alsnog van een deugdelijke motivering wordt voorzien. Daarbij betrekt de rechtbank dat er meerdere rapportages van de vabb zijn waarin is nagelaten om een op het individuele geval van eiseres toegespitste inschatting te maken. Het dossier bevat evenmin informatie waaruit de conclusie kan worden getrokken dat vaststaat dat de verbetering van de belastbaarheid na medische behandeling eerst op langere termijn optreedt. Nu er geen aanleiding bestaat dat het bestreden besluit alsnog van een deugdelijke motivering wordt voorzien, moet ervan worden uitgegaan dat de volledige arbeidsongeschiktheid van eiseres ook duurzaam is. Daarom wordt aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank bepaalt dat het primaire besluit van 14 juli 2025 wordt herroepen en dat aan eiseres een IVA-uitkering wordt toegekend met ingang van
27 juli 2024. Het is aan het Uwv om eiseres te informeren over de (financiële) gevolgen van het toekennen van de IVA-uitkering. Deze uitspraak komt in de plaats van het bestreden besluit.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit II wordt vernietigd omdat het niet is voorzien van een deugdelijke motivering.
De rechtbank voorziet zelf in de zaak met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, door het primaire besluit van 14 juli 2025 te herroepen en te bepalen dat eiseres met ingang van 27 juli 2024 recht heeft op een IVA-uitkering en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit II.
Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde geldt een vast bedrag per proceshandeling van € 666,- in bezwaar en € 934,- in beroep. De gemachtigde in bezwaar heeft een bezwaarschrift ingediend (1 punt). De gemachtigde in beroep heeft een beroepschrift ingediend, een reactie (repliek) op het bestreden besluit II (1,5 punten) en de zitting bijgewoond (1 punt). Eiseres heeft daarnaast verzocht om vergoeding van haar reiskosten van € 14,56,-. De rechtbank wijst dit toe. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.015,56. Ook moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht van € 54,- vergoeden.
Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat haar verzoek om immateriële schadevergoeding als een voorwaardelijk verzoek kan worden opgevat. De rechtbank hoeft niet op dit verzoek te beslissen, omdat de redelijke termijn nog niet is overschreden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 27 maart 2026;
- herroept het primaire besluit van 14 juli 2025;
- bepaalt dat aan eiseres een IVA-uitkering voor volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid wordt toegekend met ingang van 27 juli 2024;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- draagt het Uwv op het bepaalde griffierecht van € 54,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.015,56.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Mulder, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.