[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. A. van den Os),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: W.A. Postma).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van het Uwv van 26 mei 2025.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
Het verloop van de procedure
2. Eiser heeft op 10 december 2023 een aanvraag gedaan voor een uitkering in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wia) per 10 maart 2022. Met het besluit van 18 december 2024 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
3. Met het besluit van 26 mei 2025 heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
4. Hangende beroep heeft het Uwv met een (primair) besluit van 19 januari 2026 aan eiser alsnog een Wia-uitkering (loongerelateerde WGA-uitkering) toegekend met ingang van 7 maart 2024. Met een apart besluit van 19 januari 2026 heeft het Uwv besloten dat eiser per 1 november 2025 een WGA-vervolguitkering krijgt.
5. Op 18 februari 2026 heeft eiser de rechtbank laten weten dat hij tegen de besluiten van 19 januari 2026 bezwaar heeft gemaakt. Eiser geeft aan dat hij zijn beroep intrekt onder gelijktijdig verzoek het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Eiser verzoekt de rechtbank het bezwaarschrift als beroepschrift aan te merken als de rechtbank meent dat er tegen de besluiten van 19 januari 2026 geen bezwaar openstaat.
Beoordeling door de rechtbank
6. De rechtbank overweegt allereerst dat eiser geen procesbelang meer heeft bij de beoordeling van het besluit van het Uwv van 26 mei 2025. Het beroep is daarom in zoverre niet-ontvankelijk. Het beroep is wel terecht ingesteld omdat het Uwv ten onrechte een beoordeling heeft verricht per datum eerste ziekte dag (10 maart 2022) in plaats van per einde wachttijd (7 maart 2024).
7. De rechtbank overweegt daarnaast dat het besluit van 19 januari 2026 waarbij aan eiser per 7 maart 2024 een Wia-uitkering is toegekend een besluit is in de zin van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep heeft van rechtswege dan ook mede betrekking op dit besluit.
8. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om op grond van artikel 6:19, vijfde lid, van de Awb, het beroep – voor zover dat betrekking heeft op dit besluit – ter behandeling als bezwaar aan het Uwv te zenden omdat behandeling door het Uwv gewenst is.
9. Het beroep heeft niet van rechtswege mede betrekking op het besluit van 19 januari 2026 waarbij het Uwv heeft besloten dat eiser per 1 november 2025 een
WGA-vervolguitkering krijgt. Tegen dit besluit dient eiser apart bezwaar te maken bij het Uwv. Uit de stukken blijkt dat eiser dat inmiddels heeft gedaan.
10. Omdat eiser zijn beroep terecht heeft ingesteld, moet het Uwv het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het Uwv moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.R. Hoogenberk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.