RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vijfheerenlanden
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/7772
(gemachtigde: mr. C. Lubben),
en
(gemachtigde: mr. H. Janze).
1. Deze uitspraak gaat over het verkeersbesluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vijfheerenlanden (het college) om een parkeerplaats ter hoogte van [adres] in [woonplaats] aan te wijzen als parkeerplaats die als specifiek doel heeft het opladen van elektrische voertuigen en dit kenbaar te maken met het bord E8c en het onderbord OB504. Eiser is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college het verkeersbesluit mocht nemen.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het verkeersbesluit niet mocht nemen zoals zij nu heeft gedaan. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en het beroep dus gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. MRA-Elektrisch, tegenwoordig Laadwerk, heeft een aanvraag gedaan bij het college voor het plaatsen van twee laadpalen ter hoogte van [adres] in [woonplaats] ,
Het college heeft vervolgens besloten deze twee laadpalen te willen gaan realiseren en heeft een verkeersbesluit genomen (het primaire besluit).
Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.
Op 24 november 2025 heeft het college op het bezwaar van eiser beslist (het bestreden besluit). Het college heeft naar aanleiding van eisers bezwaar besloten om in plaats van twee, één laadpaal te plaatsen. Voor de rest heeft het college het primaire besluit in stand gelaten.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Is het besluit genomen in strijd met de beleidsregel van de gemeente Vijfheerenlanden?
3. Het college heeft het primaire besluit genomen op grond van de hardheidsclausule uit de Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vijfheerenlanden houdende regels omtrent de oplaadinfrastructuur van elektrische voertuigen (de Beleidsregel). Op basis van de hardheidsclausule kan het college in bijzondere, specifieke of onvoorziene omstandigheden afwijken van hun beleid. Het college heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat de laadpaal bij [adres] moet komen omdat er in [woonplaats] zuid een zogeheten ‘witte vlek’ is op de laadpalenkaart van de Nationale Agenda Laadinfrastructuur (NAL). De NAL heeft een analyse gemaakt ten behoeve van een landelijk publiek laadnetwerk. Uit die analyse kwamen de witte vlekken naar voren. Dat zijn gebieden waar een publiek laadpunt aanwezig zou moeten zijn, maar waar dat nu nog niet het geval is. De beleidsregel voorzag niet in het plaatsen van een laadpaal op basis van deze maatschappelijke behoefte. Het college heeft daarom toegelicht dat zij is afgeweken van haar eigen beleid op basis van het ‘Coalitieakkoord 2022-2026 Samen zijn wij Vijfheerenlanden’ (het Coalitieakkoord), de (landelijke) klimaatdoelen en de behoefte van de NAL om de witte vlekken op te lossen om zo een landelijk dekkend publiek laadnetwerk te realiseren. Tijdens de zitting heeft het college nog gesteld dat de behoefte om de witte vlek op te lossen een bijzondere omstandigheid is die niet voorzien was bij het maken van de beleidsregel.
Eiser vindt daarentegen dat het college onterecht is afgeweken van haar beleid op grond van de hardheidsclausule. In de Beleidsregel is door het college vastgesteld aan welke voorwaarden moet worden voldaan om een laadpaal ergens in de gemeente te plaatsen. Zo moet bijvoorbeeld worden gekeken naar de behoefte van gebruikers binnen een straal van 200 meter van de aangevraagde locatie om op die locatie een laadpaal te hebben en moet worden gekeken of er al laadpalen binnen die straal van 200 meter staan. Het college heeft niet naar deze voorwaarden gekeken, maar heeft het primaire besluit genomen op grond van de hardheidsclausule. Volgens eiser kan dat niet. Het feit dat het college op de aangevraagde locatie een laadpaal wil plaatsen omdat dat een ‘witte vlek’ is, is geen specifieke, bijzonder of onvoorziene omstandigheid en dus kon het college niet afwijken van haar eigen beleid.
De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van een bijzondere, specifieke of onvoorziene omstandigheid. Dat betekent dat het college dus onterecht is afgeweken van haar eigen beleid op basis van de hardheidsclausule. Daarvoor is het volgende van belang.
Tijdens de zitting is vastgesteld dat het college het primaire besluit heeft genomen op grond van artikel 19 van de Beleidsregel. Dat artikel regelt dat het college met de Beleidsregel duidelijkheid wil verschaffen over de voorwaarden, criteria en condities die van toepassing zijn op het realiseren van oplaadpalen en/of andere oplaadinfrastructuur in de gemeente en dat in specifieke, bijzondere of onvoorziene omstandigheden het college kan besluiten van de Beleidsregel af te wijken.
De rechtbank stelt vast dat het college is afgeweken van de voorwaarden omdat het college op aanvraag van de NAL de witte vlek in [woonplaats] zuid wil oplossen. In [woonplaats] zuid is volgens de laadpalenkaart van de NAL nog geen laadpaal gerealiseerd en uit hun analyse bleek dat dat voor het realiseren van een landelijk dekkende laadinfrastructuur wel nodig is. Deze witte vlek moet volgens het college worden opgelost omdat er een zwaarwegend maatschappelijk belang bestaat voor een landelijke dekkende laadinfrastructuur. De achtergrond daarvan is volgens het college gelegen in het belang om de CO2 uitstoot te verlagen, wat is neergelegd in de Klimaatwet en het Klimaatakkoord.
De rechtbank oordeelt dat dit belang niet bijzonder, specifiek of onvoorzien was. Zowel de Klimaatwet als het Klimaatakkoord bestonden al ruim voordat het college de Beleidsregel maakte op 22 juli 2021. Daarnaast is tijdens de zitting besproken dat de laadpalenkaart van de NAL ook al bekend was bij het college. De behoefte om een landelijk dekkend laadnetwerk te realiseren op grond van de klimaatdoelen, was dus al bekend voordat de Beleidsregel van het college in werking trad. Ook de klimaatdoelen en het verlagen van de CO2 uitstoot waren belangen die meegenomen hadden kunnen worden in de Beleidsregel aangezien deze al bekend waren. Als het college in het kader van dat maatschappelijk belang de mogelijkheid had willen hebben om laadpalen te plaatsen, dan had het college dat dus als voorwaarden in de Beleidsregel kunnen stellen. Daar heeft het college klaarblijkelijk niet voor gekozen. Daarmee waren dit omstandigheden waar het college bij het maken van de Beleidsregel rekening had kunnen houden. Dat het college later op basis van die belangen alsnog een laadpaal wil plaatsen, kan niet worden gezien als een specifieke, bijzondere of onvoorziene omstandigheid. Het college heeft namelijk in de Beleidsregel duidelijke criteria en voorwaarden gesteld waaraan het plaatsen van een laadpaal moet voldoen in haar gemeente en daar kan het college niet zomaar van afwijken.
Daarnaast heeft het college verwezen naar het Coalitieakkoord. Daarin is beschreven dat de gemeente Vijfheerenlanden duurzame vormen van mobiliteit wil stimuleren en daarom het aantal laadpalen in hun wijken en dorpen wil gaan uitbreiden door samen te werken met Laadwerk bij het opstellen van een laadpalenplan. Zo wil het college een bijdrage leveren aan het actief verminderen van de CO2 uitstoot. Het Coalitieakkoord is van 2022. Met deze doelstelling is het college feitelijk een ander beleid gaan voeren dan in de Beleidsregel is neergelegd. De Beleidsregel heeft als uitgangspunt namelijk dat moet worden gekeken naar de behoefte van gebruikers, dat zijn inwoners van de gemeente of mensen die in de gemeente werken, binnen een straal van 200 meter van de beoogde locatie om een laadpaal te plaatsen. De nieuwe beleidskoers uit het Coalitieakkoord en de feitelijke handelingen die het college vervolgens heeft gedaan, hebben vooral als uitgangspunt om meer laadpalen te plaatsen ten behoeve van het maatschappelijke belang bij een (landelijk) dekkende laadinfrastructuur om zo de CO2 uitstoot te verminderen. Met deze nieuwe beleidskoers heeft het college het nastreven van die klimaatdoelen gesteld boven het naleven van haar de voorwaarden uit haar eigen Beleidsregel. Als het college dit nieuwe beleid had willen voeren, had het op haar weg gelegen om de Beleidsregel in te trekken en een nieuwe beleidsregel te maken waarin de mogelijkheid wordt gecreëerd om laadpalen te plaatsen ten behoeve van deze maatschappelijke belangen. Maar dat heeft het college niet gedaan.
Ten slotte benadrukt de rechtbank dat het college ook niet heeft gekeken of de aanvraag om de witte vlek in [woonplaats] zuid op te lossen, kan worden gerealiseerd binnen het kader van de Beleidsregel. Het college heeft het verkeersbesluit genomen op grond van de hardheidsclausule, zonder na te gaan of de aanvraag voor de laadpaal om de witte vlek op te lossen past binnen de voorwaarden uit de Beleidsregel. Zo heeft het college niet onderzocht of er ook behoefte onder gebruikers was en of er al een laadpaal binnen een straal van 200 meter stond. Om af te wijken van het beleid, in dit geval door middel van toepassing van de hardheidsclausule, ligt het op de weg van het college om eerst te kijken of de aanvraag binnen de kaders van de Beleidsregel past. Pas als dat niet mogelijk blijkt te zijn, kan het college concluderen dat er sprake is van een bijzondere, specifieke of onvoorziene omstandigheid die reden geeft om af te weken van de regels. Als het college niet eerst de gebruikelijke voorwaarden doorloopt, kan het college namelijk ook niet inschatten of er sprake is van een bijzondere, specifieke of onvoorziene omstandigheid waardoor afwijken van de gebruikelijke voorwaarden noodzakelijk is.
Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat het college in strijd met haar de Beleidsregel heeft gehandeld door de hardheidsclausule toe te passen terwijl er geen sprake is van een bijzondere, specifieke of onvoorziene omstandigheid. Het college heeft dat ook niet kunnen vaststellen omdat zij niet heeft onderzocht of de laadpaal kon worden geplaatst binnen de gebruikelijke voorwaarden uit de Beleidsregel.
Deze beroepsgrond slaagt. Omdat deze beroepsgrond slaagt en eiser dus gelijk krijgt, worden de overige beroepsgrond niet besproken.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de Beleidsregel en met artikel 7:12 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat die beslissing bij het college ligt.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het college zal opnieuw moeten beslissen op het bezwaar van eiser. Het college zal dat moeten doen aan de hand van de situatie zoals die nu is. Inmiddels is de Beleidsregel, waar het in deze uitspraak over gaat, ingetrokken en is er een nieuwe beleidsregel in werking getreden. Het bezwaar van eiser zal dan ook aan de hand van de nieuwe beleidsregel moeten worden beoordeeld. De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 24 november 2025;
- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.J. Woutersen, rechter, in aanwezigheid van M. Eradus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.