RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/615783 / JE RK 26-1187
Datum uitspraak: 31 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling SAMEN VEILIG MIDDEN-NEDERLAND, gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. H.S.K. Jap A Joe,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
[persoon1] , hierna te noemen: de partner van de moeder,
wonende in [woonplaats 1] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 4 augustus 2026;
het bericht van de GI van 11 augustus 2026, met als bijlage de brief van 1 juni 2026 van het Universitair Medisch Centrum Utrecht (hierna UMCU) over [minderjarige] ;
het evaluatie- en het vervolgplan van de GI van 17 september 2025, ontvangen op 13 augustus 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de vader;
- [persoon2] en [persoon3] als vertegenwoordigers van de GI.
Bijzondere toegang tot de zitting is verleend aan mevrouw [persoon4] , de partner van de vader.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Na de zitting heeft de kinderrechter de volgende stukken ontvangen:
een e-mail van de vader van 24 augustus 2026, met als bijlage zijn nadere toelichting, gedateerd 23 augustus 2026;
het bericht met bijlagen van de GI van 25 augustus 2026;
de reactie van de moeder op het bericht van de GI van 26 augustus 2026.
De belanghebbenden hebben op 31 augustus 2026 vanaf 10.00 uur de griffie van de rechtbank kunnen bellen voor het dictum van de beslissing. Dit is de schriftelijke vastlegging van deze beslissing.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij de moeder.
[minderjarige] verblijft een keer in de twee weken op zaterdag en zondag bij de vader, zonder overnachting.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 november 2022
[minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het
laatst tot 11 november 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De moeder ziet liever niet dat [minderjarige] op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing bij een gezinshuis wordt geplaatst. Tegelijkertijd kan zij achter het verzoek van de GI staan als dat het meest in het belang van [minderjarige] is.
De vader is het niet eens met het verzoek. De zorgen die er over [minderjarige] zijn, ziet hij niet terug als [minderjarige] bij hem verblijft. [minderjarige] is dan vrolijk en gezellig. De vader denkt dat [minderjarige] van een uithuisplaatsing nog ongelukkiger zal worden en verder zal afglijden. Hij vindt het in het belang van [minderjarige] om bij een van haar ouders te wonen. Het liefst zou hij willen dat [minderjarige] bij hem komt wonen, zodat hij haar kan helpen om er weer bovenop te komen. Als [minderjarige] niet bij een van de ouders kan wonen, dan vindt de vader dat [minderjarige] in het netwerk moet worden geplaatst, bijvoorbeeld bij opa en oma vaderszijde.
De beoordeling
Belanghebbende
De kinderrechter merkt de heer [persoon1] – de partner van de moeder – aan als belanghebbende, omdat hij [minderjarige] , samen met de moeder, inmiddels meer dan een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgd en opvoedt. Op grond van artikel 798 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet hij daarom worden beschouwd als belanghebbende in procedures over [minderjarige] .
De beslissing
De kinderrechter zal een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot 11 november 2026. Hierna zal de kinderrechter uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
De beoordeling
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding, onderzoek van haar geestelijke toestand en onderzoek van haar lichamelijke toestand.
Voorgeschiedenis
Tussen de ouders is slecht contact. Zij hebben een problematische echtscheiding gehad. De moeder heeft in de zomer van 2023 aan de GI laten weten dat ze vond dat de kinderen bij elkaar moesten wonen en wel bij de vader. Hierbij speelde ook een rol dat de moeder een intensieve behandeling bij [instelling] ging volgen. Daarna hebben de kinderen tot augustus 2024, dus ruim een jaar, bij de vader gewoond en hadden ze begeleide omgang met de moeder.
In augustus 2024 zijn de kinderen plotseling weer bij de moeder geplaatst na een forse uitbarsting van de vader. Vervolgens hebben de kinderen tussen oktober 2024 en mei 2025 hun vader niet gezien. Daarna is begeleide omgang met de vader gestart. In februari 2026 heeft een eerste logeerweekend van [minderjarige] bij de vader plaatsgevonden.
Huidige zorgen over [minderjarige]
Inmiddels zijn er al geruime tijd grote zorgen over [minderjarige] . Volgens de GI loopt zij vast in haar ontwikkeling. [minderjarige] is lusteloos, somber, slaapt zeer slecht en voelt voortdurend angst om alleen te zijn. Zij doet een groot beroep op de moeder en wil dat zij continu bij haar is, ook ’s nachts. [minderjarige] accepteert bij de moeder thuis geen begrenzing van haar opvoeders. In het reguliere onderwijs hield zij het niet vol, ondanks dat een schaduwcoach haar sinds maart 2026 een-op-een-ondersteuning in de klas gaf. Ondanks deze ondersteuning liep ze rond, riep ze door de klas, deed ze andere kinderen pijn, liet ze zich niet begrenzen en was ze verbaal agressief. Ze maakte daarnaast een lusteloze en depressieve indruk. Ze kwam thuis te zitten. In juni 2026 is [minderjarige] gestart op het speciaal basisonderwijs [naam 1] in [woonplaats 2] . De GI verwacht echter dat [minderjarige] na een wenperiode zal vervallen in haar oude patroon. In najaar 2025 heeft [minderjarige] traumatherapie bij [naam 2] gevolgd. Dit heeft niet geholpen. Sinds mei 2026 heeft ze hulp van Opgroeiconsult.
NIKA-traject
De moeder heeft in de periode oktober 2025 - maart 2026 een NIKA-traject bij haar thuis gevolgd. Uit het verslag van het NIKA-traject van 27 maart 2026 blijkt dat er sprake is van terugkerende stress en spanning in het gezin van de moeder. Deze stress en spanning hing samen met de omgang met de vader. Het doel van het traject was dat de moeder zou leren om voldoende responsief en sensitief te reageren als [minderjarige] van slag is. De moeder heeft geleerd hoe ze dit moet doen. Het lukt haar echter niet goed om dit ook voldoende toe te passen. Dit komt door het terugkerende karakter van de stress en spanning. De moeder heeft het dan zelf nodig dat iemand haar helpt om weer rustig te worden. Als dat lukt kan zij [minderjarige] helpen. De medewerker van NIKA schrijft dat ook de vader zou moeten worden betrokken bij het oplossen van de spanningen. Maar dat komt niet van de grond bij de vader. NIKA heeft daarom voorgesteld om contextuele therapie in te zetten. In het verslag staat dat deze therapie in april 2026 voor beide ouders is gestart. Dat is positief, maar heeft de situatie voor [minderjarige] (nog) niet verbeterd.
Oordeel UMCU over [minderjarige]
De GI heeft het Universitair Medisch Centrum Utrecht (UMCU) gevraagd [minderjarige] te beoordelen. Uit het verslag van het UMCU van 11 mei 2026 volgt dat er sprake is van onvoldoende behandelde traumaklachten bij [minderjarige] en aanhoudende systeemproblematiek.Sinds de uitbreiding van de zorgregeling met de vader – waarbij [minderjarige] vanaf januari 2026 in de omgangsweekenden bij de vader zou overnachten – lijkt er volgens het UMCU een negatieve spiraal te zijn ontstaan waarbij de spanning in de systeemdynamiek is toegenomen. [minderjarige] heeft last van een loyaliteitsconflict waarbij het voor de volwassenen rondom [minderjarige] (de kinderrechter begrijpt dat het UMCU hierbij doelt op de moeder en haar partner) moeilijker is geworden om haar extern te reguleren. Het UMCU concludeert dat een opname of dagbehandeling van [minderjarige] niet duurzaam helpend zal zijn. Diagnostiek naar kindfactoren bij [minderjarige] is volgens het UMCU in de huidige setting niet goed uitvoerbaar en onbetrouwbaar, zolang de huidige mate van systeemproblemen en (her)traumatiserende factoren blijven bestaan. Het UMCU vindt dat eerst moet worden ingezet op behandeling voor relaties en dynamieken in het gezin, bijvoorbeeld met ambulante (spoed)hulp voor zowel de moeder als de vader.
[minderjarige] kan niet bij de moeder blijven
De kinderrechter is van oordeel dat [minderjarige] op dit moment niet bij haar moeder thuis kan verblijven. Ondanks alle ingezette hulp verbetert [minderjarige] ’s situatie namelijk niet. Het UMCU schrijft dat het in de thuissituatie bij de moeder niet mogelijk is om de noodzakelijke diagnostiek uit te voeren en op basis daarvan te bepalen wat er nodig is om [minderjarige] ’s situatie te verbeteren. De moeder en haar partner zijn aan het einde van hun latijn en zien op dit moment geen kans meer om [minderjarige] ’s ontwikkeling blijvend te verbeteren.
[minderjarige] kan (nog) niet bij de vader verblijven
De kinderrechter is daarnaast van oordeel dat [minderjarige] nu niet bij de vader of het netwerk van de vader kan gaan wonen. Misschien is dat op den duur wel mogelijk. Maar daarvoor is het wel noodzakelijk dat de relatie tussen de vader en de GI eerst zo verbetert dat zij normaal met elkaar kunnen overleggen en dat de GI een goed beeld krijgt van de opvoedsituatie bij de vader (en zijn partner) thuis. [minderjarige] staat nu eenmaal onder toezicht van de GI en dat maakt dat de GI ervoor moet zorgen dat haar opvoedsituatie in orde is. Daarnaast zal de vader moeten meewerken aan het traject van de contextuele therapie, die erop gericht is om de spanning en stress uit het gezinssysteem weg te halen. Dat is namelijk belangrijk voor [minderjarige] .
De kinderrechter heeft goed gelezen wat er volgens de vader aan de overplaatsing van de kinderen van de vader naar de moeder in augustus 2024 voorafgegaan is. Het is goed mogelijk dat er toen sprake was van een tijdelijke, voor de vader zeer stressvolle, situatie. De vader is ervan overtuigd dat hij nu de juiste hulp en steun aan [minderjarige] kan geven. Hij schrijft dat dat ook de mening was van verschillende hulpverleners die bij hem over de vloer zijn geweest. De vader denkt dat er geen contextuele therapie voor hem zal starten. Wel heeft hij een gesprek met de therapeut gehad. De kinderrechter vindt echter dat de GI eerst de gelegenheid moet krijgen om de opvoedsituatie bij de vader thuis te beoordelen voordat er kan worden gedacht aan een plaatsing van [minderjarige] bij hem. Ook zal de vader moeten gaan meewerken aan de contextuele therapie. Het is dan wel belangrijk dat de vader duidelijke uitleg krijgt van het doel van deze therapie.
[minderjarige] kan ook niet bij het netwerk van de vader verblijven
Voor plaatsing van [minderjarige] in het netwerk van de vader, zoals de vader heeft geopperd, ziet de kinderrechter nu geen ruimte. De problematiek van [minderjarige] is daarvoor te complex.
[minderjarige] moet naar een gezinshuis
Nu [minderjarige] niet meer bij de moeder kan verblijven, maar ook niet bij de vader kan worden geplaatst, is een plaatsing elders noodzakelijk in het belang van haar ontwikkeling en haar verzorging en opvoeding. De kinderrechter is het met de GI eens dat [minderjarige] moet worden geplaatst in een gezinshuis. Een plaatsing van [minderjarige] in een neutrale setting is nodig om [minderjarige] eerst te laten stabiliseren en daarna diagnostiek uit te voeren. De GI heeft verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing te laten voortduren tot het eind van de ondertoezichtstelling, dus tot 11 november 2026. Dat is een periode van twee-en-een-halve maand. De kinderrechter verwacht dat die periode zeker nodig zal zijn voor stabilisatie en diagnostiek, en om de contextuele therapie vorm te geven voor beide ouders.
Contact tussen de ouders en [minderjarige]
Het is aan de GI om te bepalen op welke wijze het contact tussen [minderjarige] en haar beide ouders de komende tijd het beste kan worden vormgegeven. Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5. De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot 11 november 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2026 door mr. G.L.M. Urbanus, kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier, en op schrift gesteld op 11 september 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
I.J.R.S.