RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12256161 \ ME VERZ 26-72
Beschikking van 18 september 2026
in de zaak van
[verzoekster] ,
wonend in [woonplaats] ,
verzoekster, hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde: mr. M.M. van Breet (Onderwijsbond FNV),
tegen
[verweerster] ,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verweerster, hierna te noemen: [verweerster] ,
gemachtigde: mr. J.W. Janse-Velema.
1. De procedure
De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen:
- het verzoekschrift met 32 producties, ingekomen op 2 juni 2026;
- het verweerschrift met 57 producties, ingekomen op 4 augustus 2026.
Op 21 augustus 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [verzoekster] was er met haar man, bijgestaan door mr. Van Breet. Namens [verweerster] waren aanwezig [A] (bestuur), [B] (HR), [C] (directrice van school [school 1] ) en [D] (directrice van school [school 2] ), bijgestaan door mr. Janse. Partijen hebben hun standpunten op de zitting kunnen toelichten. Mr. Van Breet heeft dat gedaan aan de hand van een pleitnotitie die zij heeft voorgedragen. De pleitnotitie is aan het dossier toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er op de zitting met partijen is besproken.
Op de mondelinge behandeling is bepaald dat op 18 september 2026 uitspraak zal worden gedaan.
2. De kern van de zaak
[verzoekster] is op 1 augustus 2009 bij [verweerster] in dienst gekomen. Eerst in de functie van onderwijsassistent, daarna in de functie van leraarondersteuner A en vanaf 1 augustus 2023 in de functie van leraarondersteuner B. In november 2024 is [verzoekster] gestart met een tweejarige Pabo-opleiding bij Avans+/NCOI (hierna: de opleiding). Die opleiding werd door [verweerster] aangeboden. [verzoekster] heeft zich op 5 mei 2025 ziek gemeld. Zij stelt dat [verweerster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, omdat [verweerster] haar verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst niet zou zijn nagekomen. Zo heeft [verweerster] haar onvoldoende ondersteund bij een moeilijke klas en moeilijke ouders, heeft zij de opleiding stopgezet, is [verweerster] haar re-integratieverplichtingen onvoldoende nagekomen en heeft [verweerster] [verzoekster] geen toekomstperspectief geboden. [verzoekster] verzoekt daarom in deze procedure de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:671c BW te ontbinden en [verweerster] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding en billijke vergoeding.
[verweerster] is het niet met [verzoekster] eens. [verweerster] is van mening dat haar geen verwijt kan worden gemaakt, omdat zij als goed werkgever heeft gehandeld. De re-integratie van [verzoekster] op [school 2] verliep goed en [verweerster] was tevreden over de werkzaamheden van [verzoekster] . [verweerster] wil die re-integratie met [verzoekster] daarom voortzetten. Het verzoek om de arbeidsovereenkomst te ontbinden moet dan ook volgens [verweerster] worden afgewezen.
3. De beoordeling
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. In het geval van ontbinding moet ook worden beoordeeld of aan [verzoekster] de transitievergoeding en/of billijke vergoeding moet worden toegekend.
De kantonrechter wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen af. [verweerster] hoeft dus geen transitievergoeding en billijke vergoeding aan [verzoekster] te betalen. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
Wat de kantonrechter moet beoordelen
Op grond van artikel 7:671c BW kan de kantonrechter op verzoek van de werkneemster, [verzoekster] , de arbeidsovereenkomst ontbinden. Om dat verzoek te kunnen toewijzen moet sprake zijn van omstandigheden waardoor de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve meteen of na korte tijd behoort te eindigen. Als het verzoek wordt toegewezen, kan de kantonrechter aan werkneemster een billijke vergoeding toekennen als de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, [verweerster] .
[verzoekster] stelt dat sprake is van omstandigheden waardoor de arbeidsovereenkomst behoort te eindigen. Zij geeft aan dat die omstandigheden de volgende zijn:
1- [verzoekster] heeft herhaaldelijk aan de bel getrokken over ontoelaatbaar gedrag van leerlingen en ouders en [verweerster] heeft daar te weinig mee gedaan;
2- [verweerster] heeft zonder gegronde reden besloten om de deelname van [verzoekster] aan de opleiding stop te zetten;
3- [verweerster] is de op haar rustende re-integratieverplichtingen niet of onvoldoende nagekomen;
4- [verweerster] biedt [verzoekster] geen enkel toekomstperspectief.
De kantonrechter is van oordeel dat de omstandigheden die [verzoekster] benoemt afzonderlijk en in onderlinge samenhang bezien niet tot de conclusie kunnen leiden dat de arbeidsovereenkomst meteen of na korte tijd behoort te eindigen. De kantonrechter zal dat oordeel hierna toelichten. De door [verzoekster] aangevoerde omstandigheden zullen daarbij afzonderlijk worden besproken.
1) [verzoekster] heeft herhaaldelijk aan de bel getrokken over ontoelaatbaar gedrag van leerlingen en ouders en [verweerster] heeft daar niet te weinig mee gedaan
[verzoekster] stelt dat [verweerster] signalen van [verzoekster] over onveilige situaties in de klas door gedragsproblemen bij leerlingen niet serieus heeft genomen. [verzoekster] heeft herhaaldelijk bij de directie aan de bel getrokken over ontoelaatbaar gedrag van leerlingen en over het gedrag van de ouders van leerlingen richting leerkrachten, maar de directie heeft daar volgens [verzoekster] geen actie op ondernomen. De directie heeft daarentegen klachten van ouders wel voortvarend opgepakt. Ouders kregen volop de ruimte om hun beklag te doen over het optreden van [verzoekster] of andere leerkrachten. [verzoekster] voelde zich daardoor niet gesteund door de directie en zij ervaarde de opstelling van de directie als een gebrek aan vertrouwen. De onveilige situatie in de klas, het niet ter verantwoording roepen van de ouders en het door [verweerster] niet (tijdig) nemen van maatregelen na verzoeken van [verzoekster] om in te grijpen of om passende oplossingen te bieden, hebben geleid tot spanningsklachten en uiteindelijk volledige uitval van [verzoekster] . [verweerster] is het gesprek hierover met [verzoekster] daarna uit de weg gegaan. Door deze gang van zaken is de arbeidsrelatie tussen partijen verstoord geraakt en dat rechtvaardigt een ontbinding van de arbeidsovereenkomst, aldus [verzoekster] .
[verweerster] kan zich hier niet in vinden. Zij betwist dat zij niets aan de problemen met de leerlingen in de klas en de ouders op aangeven van [verzoekster] heeft gedaan.
Uit de toelichting van [verzoekster] op de zitting volgt dat de problemen alleen het laatste schooljaar speelden, toen zij een moeilijke klas kreeg. Dat de directie na het melden van de problemen door [verzoekster] niet heeft willen ingrijpen, blijkt niet uit de correspondentie die is ingebracht. Uit de e-mails van 26 september 2024, 7 oktober 2024, 14 januari 2025, 5 maart 2025 en 6 maart 2025 volgt juist dat tussen de directie en [verzoekster] wordt gesproken over de manier waarop de problemen met de leerlingen die voor onveilige situaties in de klas zorgen en de wijze waarop ouders met school communiceren moeten worden aangepakt. Uit die e-mails blijkt niet dat de directie niets met de klachten van [verzoekster] heeft willen doen of heeft gedaan. Uit andere stukken die zijn ingebracht blijkt ook niet dat [verweerster] de meldingen van [verzoekster] heeft genegeerd. Dat [verzoekster] het mogelijk niet eens was met de manier waarop de directie richting ouders en leerlingen wilde reageren is iets anders. Daar kan een leerkracht met de directie over van mening verschillen, maar dat de directie niet heeft gereageerd zoals [verzoekster] dat graag had gezien, kan niet tot de conclusie leiden dat [verweerster] niets aan de problemen heeft willen doen of heeft gedaan. Van verwijtbaar handelen of een verstoorde arbeidsrelatie als gevolg van het handelen van [verweerster] dat zou moeten leiden tot het eindigen van de arbeidsovereenkomst is daarom naar het oordeel van de kantonrechter op dit punt geen sprake.
2) [verweerster] heeft niet zonder gegronde reden besloten om de deelname van [verzoekster] aan de opleiding stop te zetten
[verweerster] heeft op 7 juli 2025 besloten om de opleiding voor [verzoekster] stop te zetten. Volgens [verzoekster] had [verweerster] deze beslissing niet eenzijdig mogen nemen. [verzoekster] had de opleiding graag willen voortzetten en deze willen combineren met de re-integratie. Zij zegt dat zij dat aan [verweerster] kenbaar heeft gemaakt, maar dat [verweerster] het verzoek van [verzoekster] om het advies van de bedrijfsarts om een beslissing over het voortzetten van de opleiding tijdens de re-integratie in relatie tot de belastbaarheid af te wachten, van de hand heeft gewezen.
[verweerster] meent dat zij mocht besluiten om de opleiding te stoppen. [verzoekster] had op grond van de scholingsovereenkomst de verplichting om [verweerster] elk kwartaal over de voortgang van haar opleiding te informeren, maar [verzoekster] heeft die informatie niet gegeven. [verweerster] had die informatie nodig voor de beoordeling of [verzoekster] in het eerste jaar voldoende resultaat had behaald om de opleiding in het tweede jaar te kunnen voortzetten. Zij heeft daarom met [verzoekster] in gesprek willen gaan over het vervolgen van de opleiding, maar ook daar is [verzoekster] niet op ingegaan. [verzoekster] heeft dit niet weersproken. [verzoekster] heeft op de zitting aangegeven dat zij niet in staat was om in te gaan op de verzoeken van [verweerster] om informatie of een gesprek, maar dat [verzoekster] daartoe niet in staat was blijkt niet uit de correspondentie die zij heeft ingebracht. [verzoekster] had de informatie schriftelijk kunnen indienen, maar die mogelijkheid heeft zij niet benut. Zij heeft [verweerster] ook niet laten weten dat zij op een later moment op het verzoek om informatie zal terugkomen. [verzoekster] heeft geen informatie over de voortgang van haar opleiding gegeven, terwijl [verweerster] duidelijk had gemaakt dat zij die informatie nodig had om te kunnen beoordelen of [verzoekster] de opleiding zou mogen voortzetten. [verweerster] heeft na het achterwege blijven van de informatie niet direct besloten om de opleiding stop te zetten, maar zij heeft informatie over de voortgang opgevraagd bij het opleidingsinstituut. [verweerster] moest die informatie wel opvragen, omdat [verzoekster] de informatie niet gaf. Het opleidingsinstituut heeft die informatie aan [verweerster] gegeven. Uit de informatie van het opleidingsinstituut volgt dat [verzoekster] niet bij alle lessen aanwezig is geweest, dat zij nog niet alle toetsen heeft behaald en dat zij nog geen stage heeft gelopen in het regulier onderwijs. Volgens [verzoekster] staat niet vast dat [verweerster] contact heeft opgenomen met het opleidingsinstituut en zij de informatie daadwerkelijk van het opleidingsinstituut heeft gekregen, maar de kantonrechter heeft geen enkele aanleiding om daaraan te twijfelen. Dit geldt temeer, nu [verzoekster] op de zitting heeft bevestigd dat die informatie juist is. [verzoekster] gaf daarbij aan dat zij verwachtte dat zij de opleiding in het eerste jaar had kunnen afronden. [verzoekster] heeft dit echter pas eerst op de zitting naar voren gebracht. Zij heeft dit niet eerder met [verweerster] besproken, terwijl [verweerster] voldoende mogelijkheden heeft gegeven om in gesprek te gaan over (het vervolg van) de opleiding. Toen [verweerster] besloot om de opleiding stop te zetten, was [verzoekster] nog niet aan het re-integreren. [verweerster] wilde dat [verzoekster] zou beginnen met de re-integratie en dat zij zich in die re-integratie eerst zou richten op de terugkeer naar werk in de eigen functie van leraarondersteuner B. Omdat [verweerster] geen informatie van [verzoekster] kreeg, [verzoekster] niet met haar over de opleiding in gesprek wilde gaan, er nog veel werk voor het eerste jaar van de opleiding moest worden verricht waarbij ernstig moest worden betwijfeld of het eerste jaar nog succesvol kon worden afgerond, de kosten van de opleiding en omdat [verzoekster] nog niet in het kader van re-integratie weer aan het werk was gegaan, was de beslissing van [verweerster] om op dat moment de prioriteit te leggen bij de re-integratie en het herstel in de eigen functie, een terechte beslissing. De stelling van [verzoekster] dat [verweerster] de beslissing om de opleiding stop te zetten niet had mogen nemen en die beslissing aanleiding kan zijn voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst, volgt de kantonrechter daarom niet.
3) [verweerster] is de op haar rustende re-integratieverplichtingen niet onvoldoende nagekomen
[verzoekster] meent dat [verweerster] haar re-integratieverplichtingen in het kader van de Wet Poortwachter niet is nagekomen. [verzoekster] heeft voortdurend in gesprekken benadrukt dat het niet goed ging met haar, maar [verweerster] heeft daar volgens [verzoekster] niet naar willen luisteren. [verzoekster] voelde zich gedwongen om te re-integreren, terwijl haar lichaam daartoe nog niet in staat was. [verweerster] zou ook de adviezen van de bedrijfsarts niet (tijdig) hebben opgevolgd, met name de adviezen van 17 maart 2026 en 7 april 2026 om de werkgerelateerde problemen te bespreken en op te lossen. [verweerster] heeft niet de mogelijkheid van een vaststellingsovereenkomst willen bespreken en zij heeft geen mediation traject willen aangaan. Het gevoel van onveiligheid en het gebrek aan vertrouwen is hierdoor alleen maar vergroot, aldus [verzoekster] .
Ook dit wordt door [verweerster] betwist. [verweerster] is van mening dat zij alle adviezen van de bedrijfsarts heeft opgevolgd, dat zij dat steeds in overleg met [verzoekster] heeft gedaan, dat zij [verzoekster] alle ruimte heeft gegeven om te (gaan) re-integreren en dat zij daarbij zoveel mogelijk met de wensen van [verzoekster] rekening heeft gehouden. Wat [verweerster] betreft kan haar op het punt van de re-integratie geen verwijt worden gemaakt en is er op dat punt geen reden om de arbeidsovereenkomst te moeten laten eindigen. De kantonrechter is dat met [verweerster] eens om de navolgende redenen.
Uit de adviezen van de bedrijfsarts en de correspondentie die partijen hebben ingebracht, blijkt dat [verweerster] de adviezen van de bedrijfsarts telkens heeft opgevolgd. [verweerster] heeft [verzoekster] conform de adviezen eerst uitgenodigd voor korte (koffie)contactmomenten op school en daarna om in gesprek te gaan over de wijze waarop zij zou kunnen gaan re-integreren. Van een zieke werknemer mag worden verwacht dat hij of zij gaat re-integreren in zijn of haar eigen functie. Van de werkgever mag in dat kader worden verwacht dat zij het gesprek met de werknemer over de re-integratie aangaat. [verweerster] heeft dat gedaan en daarbij rekening gehouden met de adviezen van de bedrijfsarts qua belastbaarheid en urenopbouw. [verzoekster] zegt dat zij zich door [verweerster] onder druk gezet voelde, omdat zij te vroeg werd uitgenodigd voor gesprekken op het werk, maar dat wordt niet ondersteund door de bevindingen van de bedrijfsarts. De bedrijfsarts is meerdere keren om advies gevraagd, maar de bedrijfsarts heeft niet aangegeven dat [verweerster] [verzoekster] niet had mogen uitnodigen voor een gesprek, omdat [verzoekster] daartoe niet in staat zou zijn. Volgens de bedrijfsarts was de verwachting dat [verzoekster] kon opbouwen naar werk in haar eigen functie. Opvallend op dit punt is dat [verzoekster] in haar verzoekschrift benoemt dat er na een jaar ziekte nog geen plan van aanpak en eerstejaarsevaluatie door [verweerster] waren opgesteld, maar dat in de spreekaantekeningen die mr. Van Breet op de zitting heeft voorgedragen wordt benoemd dat [verweerster] de re-integratie op de nieuwe locatie op zo kort mogelijke termijn heeft willen aanvangen zonder oog te hebben voor de bedenkingen van [verzoekster] en dat [verweerster] ondanks die bedenkingen haast heeft gemaakt met het opstellen van een Plan van aanpak met een snelle wekelijkse opbouw in uren. Dat correspondeert niet met elkaar. Dat [verweerster] [verzoekster] te snel weer aan het werk wilde hebben, volgt daar in ieder geval niet uit. Het is daarnaast [verzoekster] zelf geweest die het advies van de bedrijfsarts van 28 mei 2025 niet heeft opgevolgd. De bedrijfsarts adviseerde om een knelpuntenanalyse te maken om de belangrijkste knelpunten voor [verzoekster] inzichtelijk te krijgen en aan de hand daarvan samen tot goede oplossingen te kunnen komen, maar [verzoekster] heeft die analyse niet opgemaakt. In het rapport van
5 november 2025 gaf de bedrijfsarts aan dat [verzoekster] in enkele maanden in goed passende werkzaamheden kon opbouwen naar eigen werk en adviseerde hij om met elkaar in gesprek te gaan, zodat een keus gemaakt kan worden hoe zij verder konden gaan. [verweerster] heeft dat gesprek met [verzoekster] willen aangaan. [verzoekster] liet op dat moment echter weten dat zij alles wilde laten bezinken en dat zij contact had opgenomen met de vakbond. [verzoekster] heeft zelf het advies van de vakbond willen afwachten voordat de re-integratie verder zou gaan. [verweerster] kan op dit punt geen verwijt worden gemaakt.
[verweerster] had inmiddels een plek voor [verzoekster] op GBO [school 2] gevonden. De re-integratie is op 20 november 2025 bij [school 2] van start gegaan. Volgens [verweerster] verliep de re-integratie goed, maar volgens [verzoekster] was dat niet het geval. De kantonrechter maakt uit de toelichting van [verzoekster] op de zitting op dat [verzoekster] vooral in haar hoofd bleef zitten met de issues die zij dat schooljaar met het bestuur had gehad over het aanpakken van leerlingen en ouders en dat zij zich hierdoor moeilijk kon richten op haar re-integratie. Volgens [verzoekster] heeft het bestuur het daar niet meer met haar over gehad, waardoor [verzoekster] nooit aan het bestuur kenbaar heeft kunnen maken dat zij daar nog steeds problemen mee had en zij het vertrouwen in het bestuur was verloren. [verzoekster] heeft dit echter nooit bij [verweerster] kenbaar gemaakt. Voor [verweerster] is dit daardoor niet duidelijk geweest. [verweerster] kon niet weten dat [verzoekster] zich, anders dan bij het uitvoeren van haar werkzaamheden leek, niet goed voelde en er teveel van haar werd gevraagd. Omdat [verweerster] daarvan niet van op de hoogte was, kon het daadwerkelijke probleem niet worden aangepakt en bleef de samenwerking moeizaam verlopen. Ook op dit punt valt [verweerster] niets te verwijten.
Voor [verzoekster] waren de eerdere issues met de directie de reden om [verweerster] te vragen mee te werken aan een vaststellingsovereenkomst. Toen [verweerster] dat niet wilde, heeft [verzoekster] [verweerster] gevraagd mee te werken aan mediation. [verweerster] heeft ook hier niet aan willen meewerken, omdat zij dacht dat het in de mediation alleen om een vaststellingsovereenkomst zou gaan. [verweerster] heeft dit zomaar aangenomen. Zij heeft niet aan [verzoekster] gevraagd waarom zij mediation wilde inzetten. Als [verweerster] dat had gedaan, had [verzoekster] haar probleem kunnen aangeven en hadden partijen mogelijk over dat probleem verder in gesprek kunnen gaan. Het feit dat [verweerster] dat niet heeft gedaan en zij de mediation zonder enig overleg over de inhoud daarvan heeft afgewezen, kan haar welllicht verweten worden, maar dit verwijt is niet zodanig dat de arbeidsovereenkomst daardoor behoort te eindigen. De kantonrechter geeft partijen in overweging om deze stap alsnog te zetten.
4) Geen verwijt dat [verweerster] [verzoekster] geen enkel toekomstperspectief biedt
[verzoekster] stelt tenslotte dat [verweerster] haar geen toekomstperspectief biedt. [verzoekster] wil graag voor de klas staan als leerkracht, maar zij kan niet meer als zelfstandig leerkracht aan de slag, doordat [verweerster] de opleiding heeft stopgezet. Als [verzoekster] volledig herstelt, zal zij weer de functie van leerkrachtondersteuner B moeten vervullen en ligt een functie als leerkracht niet meer in de verwachting, aldus [verzoekster] .
Zoals hiervoor al overwogen heeft [verweerster] de opleiding van [verzoekster] mogen stopzetten. [verweerster] heeft aangegeven dat [verzoekster] terug kan komen in de functie van leraarondersteuner B, maar zij heeft daarbij de mogelijkheid om de opleiding na het succesvol afronden van de re-integratie alsnog te volgen niet uitgesloten. Dat [verzoekster] die kans niet zal krijgen, heeft [verzoekster] niet aangetoond. [verzoekster] is begonnen met re-integreren op [school 2] in dezelfde functie als die zij op [school 1] had, namelijk leraarondersteuner B. [verweerster] heeft aangegeven dat zij tevreden is over het werk van [verzoekster] in deze functie en dat zij [verzoekster] daarom graag de mogelijkheid geeft om de re-integratie in die functie op [school 2] weer op te pakken. Volgens [verzoekster] zit er verschil in de functie van leerondersteuner B op [school 2] en [school 1] en heeft [verweerster] haar een stap teruggezet door haar op [school 2] te plaatsen, maar dat sprake is van een verschil op beide scholen voor dezelfde functie, blijkt nergens uit. Van het eindigen van de arbeidsovereenkomst op de grond dat [verzoekster] geen toekomstperspectief wordt geboden, is gelet op deze omstandigheden geen sprake.
Conclusie: geen ontbinding
De kantonrechter komt gelet op het voorgaande tot het oordeel dat de omstandigheden die [verzoekster] aanvoert afzonderlijk en in onderlinge samenhang bezien niet tot de conclusie kunnen leiden dat de arbeidsovereenkomst behoort te eindigen. De kantonrechter wijst het verzoek van [verzoekster] daarom af. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden ontbonden en [verzoekster] geen aanspraak kan maken op vergoedingen.
[verweerster] heeft nog gewezen op uitspraken van de rechtbank Noord-Holland en de rechtbank Rotterdam, waarin zou staan dat de arbeidsovereenkomst op verzoek van [verzoekster] wel ontbonden moet worden maar dan zonder enige vergoeding. In die zaken heeft de kantonrechter geoordeeld dat geen sprake was van (ernstig) verwijtbaar handelen van de werkgever, maar dat de arbeidsovereenkomst toch ontbonden moest worden, omdat de werknemer niet bij de werkgever wilde blijven werken. De kantonrechter wijst erop dat in de zaak van de rechtbank Noord-Holland de werkgever het verzoek tot ontbinding had gedaan en dat in de zaak van de rechtbank Rotterdam de werknemer de ontbinding had verzocht, maar de werkgever een tegenverzoek tot ontbinding had gedaan. Die zaken zijn dus anders dan de onderhavige zaak, waarin alleen [verzoekster] om ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft verzocht. De kantonrechter ziet zonder tegenverzoek van [verweerster] geen aanleiding om in deze zaak tot ontbinding over te gaan, omdat [verzoekster] niet meer bij [verweerster] wil werken. Als [verzoekster] niet meer bij [verweerster] wil werken, kan zij zelf de arbeidsovereenkomst opzeggen. Als [verzoekster] dat niet wil, adviseert de kantonrechter partijen om met behulp van een mediator het gesprek weer aan te gaan gericht op de voortzetting van het dienstverband.
Proceskosten
De proceskosten komen voor rekening van [verzoekster] , omdat zij ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verweerster] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
4. De beslissing
De kantonrechter:
wijst de verzoeken van [verzoekster] af;
veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoekster] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend.
Deze beschikking is gegeven door mr. K.G.F. van der Kraats en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026.
41264