[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. drs. Y. van der Poel)
En
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. S. Elfert)
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om aan hem een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA-uitkering) toe te kennen. Het Uwv heeft deze WIA-uitkering geweigerd, omdat eiser op de beoordelingsdatum minder dan 35 % arbeidsongeschikt is. Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het Uwv de WIA-uitkering terecht heeft geweigerd.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv terecht aan eiser geen WIA-uitkering heeft toegekend. De rechtbank kan de medische beoordeling volgen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding
Eiser ontvangt vanaf 1 februari 2023 een uitkering op grond van de
Werkloosheidswet (WW). Hij was daarvoor werkzaam als [functie] voor 41,38 uur per week. Eiser meldt zich per 11 april 2023 ziek wegens klachten aan nek, schouders en rug en ontvangt vanaf 1 mei 2023 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Per einde wachttijd, 8 april 2025, is eiser voor minder dan 35% arbeidsongeschikt geacht op grond van de WIA. Het Uwv beslist op 19 maart 2025 dat eiser geen recht heeft op een WIA-uitkering.
Eiser is het niet eens met deze beslissing en dient op 11 april 2025 bezwaar in. De verzekeringsarts bezwaar en beroep past de functionele mogelijkheden lijst (FML) op medische gronden aan. Als gevolg van deze aanpassing kan eiser niet meer alle geduide functies uitvoeren. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep duidt enkele functies bij waardoor eiser een verlies van verdiencapaciteit heeft van 28,42%. Eiser is onveranderd voor minder dan 35% arbeidsongeschikt. Het Uwv verklaart het bezwaar van eiser op 9 maart 2026 (bestreden besluit) ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 21 augustus 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het Uwv. Eiser is niet verschenen.
Waar gaat deze zaak over?
Was eiser meer dan 28,42% arbeidsongeschikt op 8 april 2025?
Hoe toetst de rechtbank?
Bij haar beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het Uwv besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op medische rapporten van verzekeringsartsen. Die rapporten moeten dan wel:
- op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen,
- geen tegenstrijdigheden bevatten en
- voldoende begrijpelijk zijn.
De rapporten en besluiten zijn in beroep aanvechtbaar. Daarvoor moet eiser aanvoeren (en zo nodig aannemelijk maken) dat de rapporten niet aan deze drie voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Niet-medisch geschoolden kunnen aannemelijk maken dat niet aan de drie voorwaarden wordt voldaan. Om voldoende aannemelijk te maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in beginsel informatie van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk. Dit betekent dat hoe eiser zichzelf voelt zónder dat daar een medische onderbouwing voor is, niet genoeg is om bij de rechtbank gelijk te krijgen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Zorgvuldigheid van het medisch onderzoek
Eiser voert aan dat het medisch onderzoek onvolledig en onzorgvuldig is geweest omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn beperkingen heeft onderschat. Daarnaast had het dossier naar aanleiding van het beroepschrift voorgelegd moeten worden aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
Het Uwv vindt dat het onderzoek wel volledig en zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eiser gezien tijdens een hoorzitting en heeft bij zijn heroverweging alle beschikbare informatie betrokken. Daarnaast is het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep consistent en navolgbaar.
De rechtbank vindt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een zorgvuldig onderzoek heeft verricht. De rechtbank zal hieronder uitleggen waarom zij dat vindt.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft allereerst alle gegevens die in het dossier zaten bestudeerd. Vervolgens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep eiser op 25 februari 2026 gezien tijdens een hoorzitting. Op deze manier heeft hij een volledig beeld van de gezondheidstoestand van eiser gekregen. Ook vindt de rechtbank het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet innerlijk tegenstrijdig of onbegrijpelijk.
Ten slotte heeft het Uwv het dossier in beroep volgens eiser ten onrechte niet voorgelegd aan een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Het staat het Uwv vrij om de inhoud van het beroep voor te leggen aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Het enkele gegeven dat het Uwv dat niet heeft gedaan maakt niet dat het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de bezwaarfase onzorgvuldig is geweest.
Is de medische beoordeling inhoudelijk onjuist?
Eiser voert aan dat de medische beoordeling inhoudelijk onjuist is omdat er een urenbeperking van 32 uur per week aangenomen had moeten worden. Daarnaast kan eiser niet 600 keer per uur reiken.
Het Uwv zegt dat de verzekeringsartsen geen redenen hebben gezien een urenbeperking van 32 uur per week aan te nemen. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep na zorgvuldig onderzoek vastgesteld dat eiser ondanks zijn schouderklachten 600 keer per uur kan reiken. Ten slotte heeft eiser geen medische gegevens ingebracht waaruit zou blijken dat de medische beoordeling inhoudelijk onjuist is.
De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid van eiser. De rechtbank zal dat hieronder uitleggen.
Om voldoende aannemelijk te maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in beginsel informatie van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk. Dit betekent dat hoe eiser zichzelf voelt zónder dat daar een medische onderbouwing voor is, niet genoeg is om bij de rechtbank gelijk te krijgen. Eiser heeft geen medische informatie ingebracht waarmee hij aannemelijk maakt dat de medische beoordeling onjuist is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd beschreven waarom eiser niet méér beperkt is op reiken en waarom een urenbeperking niet aan de orde is. De rechtbank kan die motivering volgen.
Is het arbeidskundige oordeel juist?
Eiser heeft in zijn beroepschrift gesteld dat hij de geduide functies niet uit kan voeren omdat hij in deze functies te lang moet zitten. Ter zitting heeft eiser deze beroepsgrond echter laten vallen. Om deze reden zal de rechtbank het arbeidskundige oordeel niet op juistheid toetsen.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het Uwv de arbeidsongeschiktheid van eiser terecht heeft ingeschat op 28,42% en dat het Uwv terecht per 8 april 2025 geen WIA-uitkering aan eiser heeft toegekend. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.M. Kleijs, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. van Eerden, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.