RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12168648 \ UE VERZ 26-140 wh1031
Beschikking van 16 september 2026
in de zaak van
[verzoekster] ,
wonend in [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde: mr. F.M. Luijkx,
tegen
CBRE GWS INTEGRATED FACILITY MANAGEMENT B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
verwerende partij,
hierna te noemen: CBRE,
gemachtigde: mr. M.C.T. Burgers.
1. De procedure
Op 17 juli 2026 heeft de kantonrechter in deze zaak een beschikking gegeven en partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de uitspraak van 19 mei 2026 van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in verband met deze zaak. Daarnaast is aan beide partijen de gelegenheid gegeven om een berekening op te stellen van een vergoeding volgens het ING Sociaal Plan.
Beide partijen hebben een akte genomen. [verzoekster] heeft nog producties 22 tot en met 27 in het geding gebracht en CBRE heeft productie 3 in het geding gebracht. [verzoekster] heeft in haar akte ook haar verzoek gewijzigd.
De kantonrechter heeft vervolgens bepaald dat vandaag een beschikking zal worden gegeven.
2. De kern van de zaak
[verzoekster] werkt sinds 1 juli 1984 bij de rechtsvoorganger van ING. Per 1 maart 2018 heeft ING de facilitaire diensten uitbesteed aan CBRE. [verzoekster] werkte tot de sluiting van het ING pand in [plaats 2] als [functie] in dienst van CBRE. Haar dienstverband met CBRE is op 8 februari 2026 geëindigd. Het gaat in deze zaak om de vraag of [verzoekster] recht heeft op een aanvullende ontslagvergoeding van € 45.558,89 bruto volgens het ING Sociaal Plan. In de tussenbeschikking van 17 juli 2026 in deze zaak heeft de kantonrechter geoordeeld dat er sprake is van een overgang van onderneming en een dynamisch incorporatiebeding. Nadat partijen zich hebben uitgelaten is de kantonrechter van oordeel dat de ING cao op de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] van toepassing is en daarmee ook het ING Sociaal Plan. [verzoekster] heeft dan ook nog recht heeft op een vergoeding van € 42.857,39 bruto.
3. De verdere beoordeling
Naar aanleiding van de tussenbeschikking van 17 juli 2026 heeft [verzoekster] aangegeven dat zij zich niet alleen heeft ziekgemeld vanwege ernstige stressklachten zoals vermeld in 3.5. van de tussenbeschikking van 17 juli 2026, maar ook vanwege medische redenen. CBRE heeft in haar akte gesteld dat [verzoekster] al voor 1 februari 2005 voor ING werkte in aanvulling op punt 3.1. van de beschikking van 17 juli 2026. De kantonrechter neemt deze feiten mee in de verder beoordeling van het geschil.
De reikwijdte van het dynamisch incorporatie beding
Zoals al is geoordeeld in de beschikking van 17 juli 2026 is er sprake van een overgang van onderneming en een dynamisch incorporatiebeding in de arbeidsovereenkomst. Dit dynamisch incorporatiebeding behoudt het dynamische karakter na overgang van onderneming totdat de nieuwe werkgever (CBRE) een wijziging bewerkstelligt. Het feit dat ING en CBRE een Arbeidsvoorwaardenprotocol hebben opgesteld maakt niet dat het dynamisch incorporatiebeding haar dynamische karakter heeft verloren. Afstand van recht kan alleen na de overgang van onderneming en niet vanwege de overgang van onderneming. Na de overgang heeft CBRE geen voorstellen aan [verzoekster] gedaan om tot een andere regeling te komen. CBRE heeft wel een sociaal plan opgesteld in 2020, maar de ex-ING werknemers zijn uitgesloten van de werking van dit sociaal plan. De vraag is nu of het ING Sociaal Plan onder de reikwijdte van dit dynamische incorporatiebeding valt.
Het dynamische incorporatiebeding staat in de brief van19 december 2007 aan [verzoekster] over de overgang naar [.] V.O.F. In dit beding staat:
“(…) Op de arbeidsovereenkomst is de ING CAO van toepassing. Daarnaast gelden binnen ING diverse personeelsregelingen, die opgenomen zijn in de personeelsgids. Bedoelde regelingen maken deel uit van de arbeidsovereenkomst. Wijzigingen en later toegevoegde regelingen in de personeelsgids maken eveneens deel uitmaken van de arbeidsovereenkomst. U vindt de ING-CAO en Personeelsgids via Work@ING.(...)”
Gelet op de tekst van het beding is op de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] de ING cao van toepassing en de personeelsregelingen die zijn opgenomen in de personeelsgids. De kantonrechter is het eens met het standpunt van CBRE dat niet alles wat op Work@ING vermeld staat van toepassing is op de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] . Alleen hetgeen is opgenomen in de personeelsgids die op Work@ING staat is van toepassing. Dat het ING Sociaal Plan vermeld staat op het intranet van ING (Work@ING) maakt dus niet dat het ING Sociaal Plan van toepassing is op de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] . Volgens CBRE is het sociaal plan niet opgenomen in de personeelsgids van ING. [verzoekster] stelt niet dat dit wel zo is. De kantonrechter beschikt niet over de personeelsgids en houdt het er dus voor dat het sociaal plan niet is opgenomen in de personeelsgids. Daarmee blijft de vraag over of het ING Sociaal Plan valt onder de ING cao.
De ING cao verklaart het ING Sociaal Plan van toepassing
[verzoekster] heeft gesteld dat ING er via collectief overleg met de bonden telkens voor heeft gezorgd dat een sociaal plan van toepassing was, om de gevolgen van reorganisaties steeds te regelen. De sociale plannen werden ook steeds aangemeld als cao bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). In de ING cao 2018 is onder het kopje looptijd het volgende bepaald: “Het Sociaal Plan, dat onderdeel is van deze cao, loopt van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2022.”. In de ING cao van 2023 is onder het kopje looptijd het volgende op genomen: “Het Sociaal Plan, dat onderdeel is van deze cao, loopt nu van 1 januari 2022 tot 1 juli 2024 met als partijen ING, De Unie, CNV Vakmensen en FNV Finance.”. Ook heeft [verzoekster] een bericht van 12 september 2024 overgelegd waarin CNV schrijft dat ING al jaren een doorlopend sociaal plan heeft. In de ING cao van 2025 is onder het kopje looptijd de zin “dat het Sociaal Plan onderdeel is van de cao” niet opgenomen. Partijen hebben hier niets over opgemerkt. Het Sociaal Plan 2025-2027 is net als de andere ING Sociale plannen aangemeld bij het ministerie van SZW. In artikel 8 van de ING cao 2025 wordt net zoals in de voorgaande cao’s verwezen naar het Sociaal Plan. In artikel 8.3.3 is over reorganisaties het volgende bepaald:
“Sociaal Plan en Overgang Werkzaamheden Plan
Alle maatregelen die ertoe moeten leiden dat een reorganisatie in sociaal opzicht in goede banen wordt geleid, zijn neergelegd in een Sociaal Plan welke is overeengekomen met de Vakorganisaties. Daarin staan ook de voorzieningen die eventuele nadelige gevolgen voor medewerkers kunnen voorkomen, verminderen of wegnemen. De taken en verantwoordelijkheden van de verschillende partijen en de sociale voorwaarden bij sourcing- en verkooptrajecten staan in het Overgang Werkzaamheden Plan”
Dit artikel is vrijwel hetzelfde als dit artikel in de cao’s van 2018 (artikel 8.2.3) en 2023 (artikel 8.2.3). Als gevolg van de reorganisatie bij ING, namelijk de sluiting van het kantoorpand in [plaats 2] is er een einde gekomen aan het dienstverband van [verzoekster] met CBRE. Uit de tekst van artikel 8.3.3 van de ING cao 2025 over reorganisaties leidt de kantonrechter af dat de werkingssfeer van het ING Sociaal Plan nog steeds dezelfde is gebleven, hoewel de zin dat het sociaal plan onderdeel is van de ING cao is verwijderd. Bij een reorganisatie moet volgens de ING cao worden gekeken naar het ING Sociaal Plan. De ING Sociaal Plannen volgen elkaar doorlopend op en zijn via de ING cao van toepassing. Het ING Sociaal Plan van 1 januari 2025-30 juni 2027 is dan van toepassing op [verzoekster] . Als de cao-partijen hadden gewild dat het ING Sociaal Plan geen onderdeel meer zou zijn van de ING cao dan had het voor de hand gelegen om daarover uitdrukkelijker te bepalen en onder meer artikel 8.3.3 en artikel 1.4 van de ING cao aan te passen. In artikel 1.4 is bepaald. “Naast de afspraken die in deze cao zijn vastgelegd, gelden aanverwante regelingen. Meer informatie over deze regelingen vind je op ING Today; deze maken geen onderdeel uit van de cao”. Beide artikelen zijn echter ook zo opgenomen in de ING cao van 2018 en 2023 en onveranderd opgenomen in de ING cao van 2025.
De gevorderde verklaring voor recht wordt toegewezen
Concluderend is bij de overname van de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] sprake geweest van een overgang van onderneming en [verzoekster] kan als gevolg van het dynamisch incorporatiebeding aanspraak maken op het ING Sociaal Plan. De door [verzoekster] gevorderde verklaring voor recht dat er sprake is geweest van een overgang van onderneming waardoor de aanspraak op het ING Sociaal Plan mee is overgegaan, wordt dan ook toegewezen.
De berekening van de vergoeding op basis van het ING Sociaal Plan moet worden uitgelegd
Op grond van het ING Sociaal Plan heeft [verzoekster] recht op een vergoeding. De formule voor de ontslagvergoeding uit het ING Sociaal Plan van 2018-2022, 2023-2024 en het ING Sociaal Plan van 2025-2027 is dezelfde. Partijen zijn het niet eens over het loon waarmee gerekend moet worden en tot wanneer moet worden gerekend. [verzoekster] berekent de vergoeding tot 7 februari 2026 en CBRE tot 31 december 2017. Partijen zijn het ook niet eens over de gewogen dienstjaren waarmee moet worden gerekend. [verzoekster] stelt 41 gewogen jaren voor de fixeringsvergoeding en acht gewogen jaren voor de ING-vergoeding vanaf 2018 tot 7 februari 2026. CBRE stelt dat [verzoekster] alleen recht heeft op 39 gewogen dienstjaren en gaat daarbij uit van de diensttijd tot 31 december 2017. Omdat partijen het oneens zijn moet de kantonrechter het ING Sociaal Plan op dit punt uitleggen. Deze uitleg moet worden gedaan aan de hand van de cao-norm.
In het sociaal plan is over de berekening het volgende bepaald:
“(…) Rekenformule bij beëindiging van het dienstverband
1 Voor medewerkers die op 31.12.2017 in dienst zijn van ING geldt bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst op grond van het Sociaal Plan 1 januari 2025 – 30 juni 2027 dat zij een “ING Sociaal Plan 2017 gefixeerde vergoeding” ontvangen die als volgt wordt berekend:
A het aantal gewogen dienstjaren van de medewerker op 31 december 2017
X
B het persoonlijke maandsalaris van de maand december 2017
X
C de correctiefactor 0,8
Voor de berekening van A geldt dat:
• Dienstjaren tot de leeftijd van 40 jaar tellen voor één dienstjaar.
• Volledige dienstjaren vanaf het moment dat de leeftijd van 40 is bereikt, tellen x 1½ dienstjaren.
• Volledige dienstjaren vanaf het moment dat de leeftijd van 50 is bereikt, tellen x 2 dienstjaren.
• De totale diensttijd wordt afgerond op hele jaren; bij de berekening van deze totale diensttijd wordt een periode van langer dan zes maanden als een vol jaar beschouwd. Dienstjaren en leeftijd worden in de leeftijdscohorten niet naar boven afgerond.
• Met leeftijd wordt bedoeld de leeftijd van de medewerker op 31 december 2017.
2 Voor medewerkers die op of na 1 januari 2018 in dienst (zijn ge-)treden bij ING geldt bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst op grond van het Sociaal Plan 1 januari 2025 – 30 juni 2027 de volgende berekening van de “ING-vergoeding” (deze vergoeding geldt ook voor medewerkers die op 31.12.17 in dienst waren, naast de ING Sociaal Plan 2017 gefixeerde vergoeding):
A de diensttijdfactor
X
B het persoonlijk maandsalaris (de grondslag)
X
C de vermenigvuldigingsfactor 1,75
De diensttijdfactor (A) wordt als volgt berekend:
• Voor elk gewerkt half jaar na 1.1.2018 geldt een weging van 1/6 maandsalaris als de medewerker op het moment van vertrek minder dan 10 jaar in dienst is (vanaf datum indiensttreding).
• Voor elk gewerkt half jaar na 1.1.2018 geldt een weging van 1/4 maandsalaris als de medewerker op het moment van vertrek meer dan 10 jaar in dienst is (vanaf datum indiensttreding).
• Voor medewerkers die op de ontslagdatum ouder zijn dan 50 jaar en een dienstverband hebben van minimaal 10 jaar (vanaf datum indiensttreding), geldt vanaf leeftijd 50 een weging van 1 /2 maandsalaris per half jaar dienstverband na 1.1.2018.
Voor de berekening van (A) geldt dat de totale diensttijd wordt afgerond op halve jaren; een periode van meer dan 3 maanden telt mee als een half jaar.(…)”
Onder punt 2 van de rekenformule in het sociaal plan staat tussen haakjes “deze vergoeding geldt ook voor medewerkers die op 31.12.17 in dienst waren, naast de ING Sociaal Plan 2017 gefixeerde vergoeding”. De kantonrechter leest deze tekst zo dat voor medewerkers die voor 31 december 2017 in dienst waren de berekening onder punt 2 bovenop de vergoeding onder punt 1 komt. Dit wordt bevestigd door de tekst die onder de algemene bepalingen op pagina 23 staat. Daar staat het volgende:
“De totale vergoeding die een medewerker ontvangt op grond van het ING Sociaal Plan 1 januari 2025 – 30 juni 2027 is maximaal € 400.000,- bruto. Met andere woorden: de combinatie van de ING-vergoeding en de ING Sociaal Plan 2017 gefixeerde vergoeding wordt gemaximeerd op € 400.000,- bruto.”
[verzoekster] heeft dus recht op beide vergoedingen. Dit is ook logisch omdat zij tot 7 februari 2026 in dienst is geweest en zij ook recht heeft op een vergoeding over de jaren na 31 december 2017.
Partijen zijn het er over eens dat voor de berekening onder punt 1 van het ING Sociaal Plan het loon van [verzoekster] van 31 december 2017 moet worden gebruikt. Dit is ook zo bepaald op pagina 18 van het ING Sociaal Plan 2025-2027. Daar staat dat het persoonlijk maandsalaris het laatstverdiende bruto maandsalaris is. [verzoekster] heeft haar loonstrookje van december 2017 overgelegd en op basis daarvan haar persoonlijke maandsalaris berekend op € 1.688,44. Daar gaat de kantonrechter dus vanuit. Met betrekking tot de gewogen jaren overweegt de kantonrechter dat [verzoekster] op 1 juli 1984 in dienst is getreden. Tot 31 december 2017 was zij dus 32 jaar en precies zes maanden in dienst. Het ING Sociaal Plan bepaalt het volgende met betrekking tot het aantal dienstjaren: “De totale diensttijd wordt afgerond op hele jaren; bij de berekening van deze totale diensttijd wordt een periode van langer dan zes maanden als een vol jaar beschouwd”. De periode van zes maanden van 1 juli 1984 tot 31 december 1984 mag dus niet als een vol jaar worden beschouwd, want deze periode is niet langer dan zes maanden. Voor het aantal dienstjaren moet dus worden uitgegaan van 32 jaar. Op 13 december 2017 was [verzoekster] 52 jaar oud en heeft zij dus twee hele extra dienstjaren opgebouwd. Van haar veertigste tot haar vijftigste heeft zij vijf extra gewogen dienstjaren opgebouwd. Totaal heeft [verzoekster] dus 39 gewogen dienstjaren tot 31 december 2017. Dan wordt de formule 39 (A) x € 1.688,44 (B) x 0,8 (C) = € 52.679,33 bruto.
Voor de periode vanaf 31 december 2017 heeft [verzoekster] recht op de vergoeding zoals genoemd onder punt 2 van het sociaal plan. Zij is tot 1 februari 2026 acht jaar in dienst. [verzoekster] is dan boven de 50 jaar en meer dan 10 jaar in dienst. Het ING Sociaal Plan bepaalt “ Voor medewerkers die op de ontslagdatum ouder zijn dan 50 jaar en een dienstverband hebben van minimaal 10 jaar (vanaf datum indiensttreding), geldt vanaf leeftijd 50 een weging van 1/2 maand- salaris per half jaar dienstverband na 1.1.2018.”
De gewogen dienstjaren komen dan uit op acht jaar. Voor het maandsalaris gaat [verzoekster] uit van haar laatstverdiende loon bij de ontslagdatum. Dat is haar persoonlijke maandsalaris zoals bedoeld in het ING Sociaal Plan. Het ligt niet voor de hand om hierbij te rekenen met het loon van 31 december 2017. De vergoeding op basis van het ING Sociaal Plan is dan 8 (A) x € 2.158,53 (B) x 1,75 (C)= € 30.219,42.
[verzoekster] heeft nog recht op een aanvullende ontslagvergoeding van € 42.041,36
Totaal komt de ontslagvergoeding dan uit op € 82.898,75 (€ 52.679,33 bruto + € 30.219,42). [verzoekster] heeft al een vergoeding van € 40.041,36 bruto ontvangen en heeft dus nog recht op een aanvullende ontslagvergoeding van € 42.857,39 bruto. Dit bedrag zal dan ook worden toegewezen.
CBRE moet wettelijke rente betalen vanaf 8 maart 2026
[verzoekster] heeft wettelijke rente vanaf de opeisbaarheid gevorderd. De wettelijke rente zal net als de wettelijke rente over de transitievergoeding worden toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Dat is dus 8 maart 2026.
De kantonrechter komt niet toe aan de vergoeding op grond van goed werkgeverschap
Omdat het primaire verzoek wordt toegewezen komt de kantonrechter niet toe aan de subsidiair gevorderde vergoeding op grond van goed werkgeverschap.
CBRE moet de proceskosten van [verzoekster] betalen en de wettelijke rente over de proceskosten
CBRE is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De kantonrechter ziet geen aanleiding om CBRE in de daadwerkelijk gemaakte advocaatkosten te veroordelen. Vergoeding van werkelijk gemaakte proceskosten is volgens vaste jurisprudentie alleen mogelijk in buitengewone omstandigheden waarbij moet worden gedacht aan misbruik van procesrecht of onrechtmatige daad. Daarvan is bij CBRE geen sprake geweest. De proceskosten van [verzoekster] worden begroot op:
- griffierecht
€
753,00
- salaris gemachtigde
€
1.154,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.051,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Deze uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad
De kantonrechter zal deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals door [verzoekster] is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de partijen – zo mogelijk – hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4. De beslissing
De kantonrechter
verklaart voor recht dat er op 1 maart 2018 sprake is geweest van een overgang van onderneming in de zin van artikel 7:622 BW waardoor de aanspraak op het ING Sociaal Plan van rechtswege mee is overgegaan en [verzoekster] hierop aanspraak heeft behouden,
veroordeelt CBRE om aan [verzoekster] een aanvullende ontslagvergoeding te betalen van € 42.857,39 bruto conform het ING Sociaal Plan 2025-2027, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 8 maart 2026 tot de dag waarop dit bedrag betaald is,
veroordeelt CBRE in de proceskosten van € 2.051,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als CBRE niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt CBRE tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.F.A.. van Buitenen en in het openbaar uitgesproken door mr. F.H. Charbon op 16 september 2026.