RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/616385 / FV RK 26-2083
Datum uitspraak: 27 augustus 2026
Beschikking voortzetting crisismaatregel
op het verzoek van de officier van justitie voor
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] 1981 in [geboorteplaats] ,
hierna: betrokkene,
wonende in [woonplaats] ,
verblijvende bij [zorginstelling] , locatie [locatie] in [plaats] ,
advocaat: mr. S.C. Sassen.
1. Het verloop van de procedure
De rechtbank heeft het verzoekschrift met bijlagen op 17 augustus 2026 ontvangen.
Op 20 augustus 2026 heeft er een zitting plaatsgevonden. Daarbij is het verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel toegewezen voor tien dagen en is de beslissing op het overige deel van het verzoek aangehouden. Er was op dat moment sprake van een wisselend toestandsbeeld van betrokkene waarbij er onzekerheid was over de verdere noodzaak van verplichte zorg. De rechtbank achtte het noodzakelijk dat de situatie op korte termijn opnieuw zou worden beoordeeld.
De vervolgzitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2026. Daarbij zijn gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
- [naam] , arts;
2. Wat vaststaat
Betrokkene verblijft met een crisismaatregel bij [zorginstelling] , locatie [locatie] in [plaats] . De burgemeester van Utrecht heeft de crisismaatregel op 15 augustus 2026 afgegeven.
3. Het verzoek
De officier van justitie verzoekt de rechtbank een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel te verlenen voor de duur van drie weken.
De advocaat heeft namens betrokkene verzocht om het resterende deel van het verzoek af te wijzen. Zij brengt naar voren dat uit de processtukken, de vorige zitting en de huidige zitting blijkt dat er voldoende ziekte-inzicht is. Daarnaast beschikt betrokkene over voldoende coping om tijdig hulp in te schakelen op het moment dat het niet goed gaat. Zij voegt daaraan toe dat hij dit immers voor de huidige opname ook heeft laten zien. Ook werkt betrokkene mee aan de benodigde zorg waardoor er geen noodzaak is voor verplichte zorg. Gelet hierop is de advocaat van oordeel dat het resterende verzoek zou moeten worden afgewezen.
4. De beoordeling
De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor het resterende deel van elf dagen. Er is voldaan aan de voorwaarden uit de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg Hierna wordt uitgelegd waarom dat zo is.
Uit de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat er ten aanzien van betrokkene sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op:
- ernstige psychische schade;
- het oproepen van agressie van een ander door het vertonen van hinderlijk gedrag;
- gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen.
Vermoed wordt dat het ernstig nadeel wordt veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een psychische stoornis. Bij betrokkene is in ieder geval sprake van een psychotische ontregeling. Daarnaast is betrokkene bekend met persoonlijkheidsproblematiek en ADHD. De rechtbank baseert zich hierbij op de medische verklaring van 15 augustus 2026.
De crisissituatie is zo ernstig dat de procedure voor een zorgmachtiging niet kan worden afgewacht.
De rechtbank is op grond van de medische verklaring en de toelichting tijdens de zitting van oordeel dat de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn om het nadeel af te wenden:
- het toedienen van medicatie;
- het verrichten van medische controles;
- het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
- het beperken van de bewegingsvrijheid;
- insluiten;
- uitoefenen van toezicht op betrokkene;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- opnemen in een accommodatie.
De rechtbank zal de vormen van verplichte zorg toewijzen conform de beschikking van 20 augustus 2026.
Met deze toewijzing van het verzoek gaat de rechtbank voorbij aan het verweer van betrokkene dat de zorg ook kan worden opgepakt in het vrijwillig kader en dat daarmee het ernstig nadeel kan worden afgewend. Hieronder zal de rechtbank uitleggen waarom hieraan voorbij wordt gegaan.
De arts heeft uitgelegd dat betrokkene gister zijn medicatie-verhoging heeft geaccepteerd nadat hij met zijn eigen psychiater heeft gesproken. De rechtbank maakt hieruit op dat hij weliswaar heeft ingestemd met de medicatie-verhoging, maar niet eerder dan dat zijn eigen psychiater terug was van vakantie en hij deze psychiater had gesproken. De medewerking die betrokkene aan zijn behandeling heeft verleend, is gelet hierop voorwaardelijk. Deze situatie biedt onvoldoende basis om er op te vertrouwen dat betrokkene de benodigde hulp (bijvoorbeeld medicatie die hij (niet) wenst) en adviezen daarover ook in vrijwillig kader (door een ander dan zijn eigen psychiater) zal accepteren.
Uit het verhandelde op de zitting blijkt verder dat er (nog steeds) twijfel bestaat over de bereidwilligheid van betrokkene tot samenwerking en of deze duurzaam is. Daarbij is onder meer verwezen naar de aanwezigheid van ziektebesef dat noodzakelijk is voor een duurzame samenwerking, welk ziektebesef bij betrokkene niet volledig aanwezig is. Voor het standpunt dat deze situatie zich voordoet, vindt de rechtbank steun in de volgende uitspraken die betrokkene op zitting heeft gedaan.
Betrokkene heeft op zitting over het inschakelen van het FACT-team de volgende uitspraak gedaan: ‘ik had nog administratieve taken te doen en kon daar hulp bij gebruiken’. Uit de medische stukken blijkt dat dit geen recht doet aan het psychotisch ziektebeeld waarin betrokkene verkeerde waarvoor hij hulp nodig had. Hetzelfde geldt ten aanzien van de reden van zijn verblijf in hotels waarbij hij een (leuke) situatie schetst die los staat van zijn psychose, terwijl uit de verklaring van de arts op zitting blijkt dat dit verblijf verband houdt met de achterdocht en angst die hij ervoer in zijn eigen huis.
Verder is de ADHD-medicatie een terugkomend onderwerp van discussie. Betrokkene heeft een sterke behoefte aan het innemen van zijn ADHD-medicatie, die vanwege de antipsychotica niet kan worden ingenomen. Het is de vraag of betrokkene genoeg weerstand kan bieden tegen het niet innemen van de ADHD-medicatie in een vrijwillig kader als hem dat wordt geadviseerd.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende basis bestaat voor het standpunt dat het ernstig nadeel kan worden weggenomen door mogelijkheden voor zorg op basis van vrijwilligheid.
Er zijn verder geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De vormen van verplichte zorg die de rechtbank toewijst zijn evenredig en naar verwachting effectief. Bij het bepalen van de juiste vormen van zorg is rekening gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen en om te zorgen voor de veiligheid van betrokkene en zijn omgeving.
5. De beslissing
De rechtbank:
verleent een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel voor [betrokkene], geboren op [geboortedatum] 1981 in [geboorteplaats] , wat inhoudt dat de maatregelen die in 4.5. staan kunnen worden toegepast;
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 10 september 2026;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2026 door B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van R. Staal, griffier en op schrift gesteld op 31 augustus 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.