RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11949215 \ UC EXPL 25-8528
Vonnis van 29 april 2026
in de zaak van
[eiser]
,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. D.J.M. Kulk,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. A.D.J. van Ruyven.
1. De procedure
De kantonrechter beschikt over de volgende stukken:
- de dagvaarding met producties- de conclusie van antwoord met producties
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte van [eiser] van 24 februari 2026 met aanvullende producties,
- de akte van [gedaagde] van 25 februari 2026 met aanvullende productie,
- de akte van [eiser] van 27 februari 2026 met aanvullende productie,
- de spreekaantekeningen van de gemachtigde [eiser] .
De mondelinge behandeling vond plaats op 10 maart 2026. Namens [eiser] waren de heer [A] (voorzitter) en mevrouw [B] (penningmeester, hierna: ‘ [B] ’) aanwezig, bijgestaan door de gemachtigde. [gedaagde] was aanwezig met haar echtgenoot en zij werd bijgestaan door haar gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht, waarbij [eiser] gebruik heeft gemaakt van spreekaantekeningen, en vragen beantwoord van de kantonrechter. De griffier heeft tijdens de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt. Vervolgens is bepaald dat een vonnis wordt uitgesproken.
2. De kern van de zaak
[gedaagde] was van 30 augustus 2011 tot en met 7 juli 2022 (mede)bestuurder en penningmeester en secretaris van [eiser] . [eiser] organiseert de overblijfactiviteiten van Basisschool [school] . [eiser] vordert betaling van € 14.693,55. [gedaagde] zou namelijk privéuitgaven hebben gedaan met gelden van [eiser] . In dit tussenvonnis geeft de kantonrechter een voorlopig oordeel. Om een eindbeslissing te kunnen nemen heeft de kantonrechter meer informatie nodig. De zaak wordt daarom verwezen naar de rol om partijen in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3. De beoordeling
Uitgangspunten bij de beoordeling
De ‘bijzondere’ uitgaven
[eiser] ontvangt van ouders een ouderbijdrage. Het vermogen van [eiser] is volgens [eiser] bestemd voor de overblijfkrachten, materiaal voor de opvang en voorzieningen voor de kinderen. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] uitgaven gedaan die niet voor [eiser] waren. Bij de beoordeling van de uitgaven is door [eiser] onderscheid gemaakt tussen uitgaven die passen binnen de gebruikelijke werkwijze van [eiser] en ‘bijzondere’ uitgaven, waarvan [eiser] stelt dat de transacties geen verband houden met de werkzaamheden van [eiser] . Volgens [eiser] zijn dit privéuitgaven die [gedaagde] moet terugbetalen omdat er sprake is van een rekening-courantverhouding, dan wel onrechtmatige daad, althans interne bestuurdersaansprakelijkheid. Het gaat om een totaalbedrag van € 14.669,05.
De administratie
[gedaagde] betwist dat zij privéuitgaven heeft gedaan met gelden van [eiser] . [gedaagde] voert aan dat alle uitgaven in de administratie zijn verwerkt. Op elke factuur, bon of declaratieformulier werd vermeld wie de begunstigde was en/of wat het doel van de bestelling/aankoop was. [gedaagde] heeft de administratie overgedragen aan haar opvolger. Volgens [gedaagde] heeft zij de administratie achtergelaten in een rood kastje in haar kantoor op school.
[B] is de opvolger van [gedaagde] , maar die verklaart de administratie over de periode 2018-2022 niet te hebben ontvangen. Volgens [B] had [gedaagde] de administratie achtergelaten in het huis van haar ex-echtgenoot en had zij daar ten tijde van de opvolging geen toegang toe. [B] en de heer [C] , voormalig directeur van Basisschool [school] (hierna: ‘ [C] ’), hebben het rode kastje opengebroken en troffen daar geen administratie van [eiser] aan.
[gedaagde] voert nog aan dat de administratie jaarlijks uitvoerig werd gecontroleerd door een commissie met een vertegenwoordiging van het bestuur van [eiser] , de medezeggenschapsraad en de directie. De laatste controle vond volgens [gedaagde] plaats op 7 juli 2022 door de toenmalige voorzitter van [eiser] , mevrouw [D] (hierna: ‘ [D] ’). Samen met [B] zou [D] de administratie uitvoerig hebben doorgenomen. [B] ontkent dit.
De kantonrechter constateert dat de notulen van de vergadering van 7 juli 2022 vermelden dat [gedaagde] , [B] en [D] daarbij aanwezig waren. In die notulen staat verder dat [gedaagde] alle stukken en lopende werkzaamheden voor [eiser] in goede orde achterlaat en dat alle administratie op dat moment in orde is. Volgens [B] klopt dat niet. De kantonrechter beschikt niet over een verklaring van [D] .
De kantonrechter constateert dat tussen partijen niet in geschil is dat [gedaagde] na haar aftreden nog een aantal keer aanwezig is geweest op de school. Het is niet bekend waarom [eiser] niet gevraagd heeft om de sleutel van het rode kastje. Hoe dan ook, beide partijen zeggen dat zij de administratie niet hebben, zodat die in deze procedure niet gebruikt kan worden om te controleren waar de uitgaven voor zijn gedaan.
Décharge verleend
[gedaagde] voert aan dat na de controle van de administratie op 7 juli 2022 aan haar décharge is verleend. Uit de stukken blijkt dat [C] - als voorzitter van de raad van toezicht - [gedaagde] décharge heeft verleend op 3 juni 2022. In het déchargebesluit wordt verwezen naar artikel 8 van de statuten, dat gaat over defungeren, en de kop van het besluit is ‘DECHARGE (defungeren)’. Het besluit vermeldt geen periode waarvoor de décharge is verleend. [eiser] concludeert daaruit dat de décharge is verleend voor één boekjaar, maar daar is de kantonrechter het niet mee eens. Omdat is verwezen naar het defungeren gaat de kantonrechter ervan uit dat de décharge is verleend voor het gehele gevoerde beleid.
[C] heeft schriftelijk verklaard dat hij niet op de hoogte was van onverklaarbare uitgaven van [gedaagde] die oneigenlijk ten laste van [eiser] zijn gebracht. [C] was niet aanwezig bij de vergadering van 7 juli 2022 en deze vergadering vond plaats nadat de décharge was verleend. Het is dus maar de vraag welke waarde toekomt aan de décharge. Voor zover de ‘bijzondere’ uitgaven niet bekend waren of hadden kunnen zijn op het moment dat décharge werd verleend, dan is de kantonrechter voorlopig van oordeel dat [gedaagde] geen beroep kan doen op de décharge.
Uitgaven periode 1 augustus 2022 tot 1 januari 2023
Volgens [eiser] had [B] pas vanaf december 2022 toegang had tot de bankrekening en deed [gedaagde] tot die tijd nog steeds de betalingen voor [eiser] . [gedaagde] betwist dit, en zegt dat zij de bankpas van [eiser] op 7 juli 2022 heeft overhandigd aan [B] . [eiser] heeft niet kunnen verklaren hoe het kan dat een afgetreden bestuurder nog betalingen kan doen van de bankrekening terwijl de nieuw aangetreden bestuurder dat niet kon.
Pas jaren later de ‘bijzondere’ uitgaven ontdekt
[eiser] heeft toegelicht dat [B] werd aangesproken door een vrijwilliger die in 2021 te weinig betaald zou hebben gekregen. [B] is toen de bankafschriften van [eiser] uit 2021 gaan bestuderen en kwam transacties tegen die zij verdacht vond. Het klopte volgens haar niet met het doel van [eiser] . Vervolgens heeft zij een overzicht gemaakt van de ‘bijzondere’ uitgaven waar het in deze procedure om gaat.
Daarna heeft [eiser] aan [gedaagde] een sommatiebrief gestuurd op 24 januari 2025. Op 6 februari 2025 is vervolgens een overzicht met transacties gedeeld met [gedaagde] , waarop zij diezelfde dag heeft gereageerd met een toelichting. Op 3 maart 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden, maar dat heeft niet tot een oplossing geleid. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] voordat de sommatiebrief werd gestuurd niet om een toelichting op de bijzondere uitgaven gevraagd. [eiser] verklaart op de mondelinge behandeling dat dit wel is gebeurd. De kantonrechter stelt vast dat dat in de dagvaarding niet wordt genoemd en dat daar in de sommatiebrief ook niet naar wordt verwezen, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat [gedaagde] niet voordat de sommatiebrief is verzonden om een toelichting is gevraagd.
Voorlopig oordeel algemeen
De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat [gedaagde] haar verweer op punten niet voldoende heeft onderbouwd. De administratie is er niet (meer) en van [gedaagde] mag worden verlangd dat zij uitleg geeft waarom de verschillende ‘bijzondere’ uitgaven volgens haar voor [eiser] zijn gedaan. De bewijslast dat sprake is van privéuitgaven rust op [eiser] , maar [eiser] wijst er terecht op dat als er transacties zijn die vragen oproepen, wat hier het geval is, [gedaagde] daar wel een verklaring voor moet geven. Niet bij alle transacties heeft [gedaagde] een goede verklaring gegeven. De kantonrechter komt hier later in dit tussenvonnis op terug wanneer de ‘bijzondere’ uitgaven afzonderlijk worden besproken.
Maar ook [eiser] heeft vooralsnog niet voor alle genoemde posten voldoende onderbouwd dat [gedaagde] privéuitgaven heeft gedaan. [eiser] heeft bijvoorbeeld niet inzichtelijk gemaakt wat wel gebruikelijke uitgaven zijn (geweest). Alleen de ‘bijzondere’ uitgaven zijn aan de kantonrechter voorgelegd. Dat maakt het voor de kantonrechter onmogelijk om de ‘bijzondere’ uitgaven af te zetten tegen normale betalingen, die kennelijk wel binnen het doel van [eiser] vallen, zoals kleine attenties. [eiser] stelt dat kleine attenties voor vrijwilligers, zoals chocolade of een cadeaubon rond de feestdagen gebruikelijk waren, en dat die bij gewone warenhuizen werden gekocht. [gedaagde] voert aan dat een deel van de ‘bijzondere’ uitgaven ook attenties en cadeaubonnen zijn. In hoeverre het gaat om ‘dubbele’ uitgaven en/of dat bijvoorbeeld in de jaren 2018-2022 aanzienlijk meer werd uitgegeven aan attenties en cadeaubonnen dan in de jaren daarvoor/daarna, kan de kantonrechter niet vaststellen.
Daarnaast is niet gebleken dat [gedaagde] een budget had voor de uitgaven waar zij zich aan moest houden. [eiser] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] uitgaven deed voor zichzelf, niet dat [gedaagde] te dure cadeaus kocht voor de vrijwilligers of te dure pleisters kocht. Voor zover dure spullen zijn gekocht, maar waarvan [gedaagde] aanvoert dat het attenties zijn voor vrijwilligers of pleisters voor de kinderen, kan de kantonrechter – zonder te beschikken over bewijsmiddelen of vergelijkingsmateriaal – vooralsnog niet vaststellen dat het om privéuitgaven gaat.
Toch zal de kantonrechter hierna per transactie (of per categorie transacties) een voorlopig oordeel geven, zodat partijen daarop in hun akte kunnen reageren. Het gaat dus niet om een bindende eindbeslissing, waardoor het mogelijk is dat de kantonrechter in het eindvonnis een ander oordeel geeft.
Voorlopig oordeel per transactie
Cadeaus voor stagiaires (totaal: € 714,59)
dr. [E] (totaal: € 447,59)
Er is twee keer een transactie geweest met dr. [E] . Op 31 mei 2021 voor een bedrag van € 238,74 en op 29 juni 2022 voor een bedrag van € 208,85. In de toelichting van [gedaagde] van 6 februari 2025 staat dat het gaat om zonnebrandcrème voor overblijfvrijwilligers en- kinderen. Uit de door [eiser] overgelegd facturen blijkt echter dat het gaat om diverse verzorgingsproducten (inclusief ‘Personal Skin Coaching’) en dat er in totaal maar twee flessen zonnebrandcrème zijn aangeschaft. [gedaagde] verklaarde vervolgens tijdens de mondelinge behandeling dat het cadeaus waren voor de stagiaires van Norlandia. Die kregen volgens [gedaagde] niet betaald, waardoor zij een wat duurder cadeau mochten kiezen. Volgens [eiser] is dat onjuist, want de stagiaires krijgen een stagevergoeding. Bij het afscheid krijgen zij daarnaast een klein presentje. Norlandia zou hebben verklaard dat de stagiaires geen grote cadeaus kregen of mochten aannemen.
[bedrijf 1] (€ 116,10)
Op 29 juni 2022 is voor een bedrag van € 116,10 een luxe diamonds box summer edition aangeschaft bij [bedrijf 1] . Dat zijn diverse verzorgingsproducten. [gedaagde] verklaarde op 6 februari 2025 dat het om zonnebrandcrèmes ging voor de vrijwilligers en de kinderen, maar tijdens de mondelinge behandeling verklaarde [gedaagde] dat het een cadeau voor een stagiaire was. De stagiaire mocht van [gedaagde] een beauty box uitkiezen. [eiser] stelt dat stagiaires niet dergelijke dure cadeaus kregen, en voert hetzelfde aan als bij de transacties met dr. [E] .
[bedrijf 2] (€ 54,30)
Op 20 juni 2019 is voor een bedrag van € 54,30 betaald aan [bedrijf 2] . Volgens [gedaagde] waren dit presentjes voor vertrekkende stagiaires.
[bedrijf 3] (€ 96,60)
Op 15 november 2019 is voor een bedrag van € 96,60 betaald aan [bedrijf 3] . Volgens [gedaagde] waren dit presentjes voor vertrekkende stagiaires.
voorlopig oordeel cadeaus voor stagiaires
De kantonrechter kan niet vaststellen of de hiervoor genoemde uitgaven cadeaus voor de stagiaires waren, of dat het privéuitgaven van [gedaagde] zijn. Dit betekent dat, gelet op de stelplicht en bewijslast die op grond van artikel 150 Rv op [eiser] rust, de kantonrechter voorlopig van oordeel is dat [eiser] haar stelling dat het om privéuitgaven gaat, onvoldoende heeft onderbouwd. Tenzij [eiser] haar stelling nog op een andere manier kan onderbouwen, zal dit deel van de vordering worden afgewezen.
cadeaus voor vrijwilligers (totaal: € 4.322,64)
[bedrijf 4] (totaal: € 828,00)
Er is twee keer een transactie geweest met [bedrijf 4] . Op 27 november 2020 is een bedrag van € 266,50 uitgegeven en op 11 april 2022 is een bedrag van € 561,10 uitgegeven.
Volgens [gedaagde] gaat het om presentjes voor de 70 vrijwilligers, zoals handcrème en doucheproducten. [eiser] ontkent niet dat er cadeaus werden gekocht, maar de verklaringen van [gedaagde] stroken volgens [eiser] niet met de hoeveelheid vrijwilligers en hoe het aan [B] is overgedragen bij de bestuurswissel. Volgens [eiser] wordt er niet voor 70 mensen wat gekocht, maar alleen voor de 17 vrijwilligers. De 17 vrijwilligers verklaren dat ze iets kleins kregen.
Daarnaast zou uit bankafschriften van [eiser] blijken dat de presentjes in de relevante periode steeds werden aangeschaft bij reguliere en voor de hand liggende leveranciers, zoals grotere algemene warenhuizen. [bedrijf 4] richt zich op hoogwaardige en dure schoonheidsbehandelingen. Het is daarom volgens [eiser] onaannemelijk dat handcrème of douchegel, doorgaans in meerdere stuks en tegen redelijke prijzen aangeschaft, voor de vrijwilligers is gekocht bij [bedrijf 4] .
[bedrijf 5] (totaal: € 574,00)
Er zijn drie betalingen gedaan bij [bedrijf 5] :
7 januari 2020: € 142,00
16 maart 2021: € 198,00
16 november 2021: € 234,00
[eiser] stelt dat uit de website van [bedrijf 5] blijkt dat het om hoogwaardige beautyproducten en beautybehandelingen gaat, vergelijkbaar met [bedrijf 4] . [eiser] heeft contact gehad met de winkelier en die verklaarde dat er luxe verzorgingsproducten zijn gekocht. [eiser] stelt dat uit de bankafschriften van [eiser] zou blijken dat in dezelfde periode cadeaus werden aangeschaft bij meer gangbare en voor de hand liggende leveranciers.
[bedrijf 6] (€ 112,14)
Op 23 februari 2021 is een betaling gedaan bij [bedrijf 6] voor een bedrag van € 112,14. Volgens [gedaagde] waren dit presentjes voor vrijwilligers.
[bedrijf 7] (totaal: € 480,21)
Er zijn twee betalingen verricht aan [bedrijf 7] : op 21 maart 2020 voor een bedrag van € 282,94 en op 11 september 2020 voor een bedrag van € 197,27. Het gaat volgens [gedaagde] om presentjes voor de vrijwilligers.
[bedrijf 8] (€ 13.00)
Op 23 juli 2019 is voor een bedrag van € 13.00 betaald aan [bedrijf 8] . Volgens [gedaagde] waren dit presentjes voor vrijwilligers.
[bedrijf 9] (€ 371,17)
Op 30 oktober 2018 is voor een bedrag van € 317,17 betaald aan [bedrijf 9] . Volgens [gedaagde] een luxe presentje voor vrijwilligers.
[bedrijf 10] (€ 1.944,12)
Er zijn tien betalingen gedaan bij [bedrijf 10] die [eiser] als ‘bijzondere’ uitgaven heeft aangemerkt:
15 februari 2018: € 43,00
2 mei 2018: € 56,50
20 oktober 2019: € 55,80
22 oktober 2019: € 55,80
28 oktober 2019: € 40.00
29 oktober 2019: € 1.243,12
16 december 2019: 87,00
5 maart 2022: 29,70
12 december 2022: € 167,30
8 december 2023: € 178,80
Volgens [eiser] is de hoogte van de uitgaven bij [bedrijf 10] stuitend, mede gelet op het grote aantal afzonderlijke betalingen. Uit de facturen blijkt dat van veel producten maar één stuks is gekocht, waardoor [eiser] de conclusie trekt dat het niet aan de vrijwilligers is gegeven. De grotere bedragen die overeenkomen met de data waarop de jaarlijkse presentjes werden gegeven, heeft [eiser] naar eigen zegge eraf gehaald. Volgens [eiser] hebben de leerkrachten gewoon betaald gekregen voor het overblijven en hebben de leerkrachten aangegeven dat ze daarnaast geen cadeaus kregen.
Volgens [gedaagde] probeerde zij ieder jaar een ander cadeau te geven. Per vrijwilliger bedacht zij een persoonlijk cadeau. Het ging volgens haar om 70 mensen.
voorlopig oordeel cadeaus vrijwilligers
[eiser] stelt dat uit de administratie blijkt dat in dezelfde periode de presentjes werden aangeschaft bij andere, meer gangbare leveranciers. De kantonrechter heeft de bankafschriften waar [eiser] naar verwijst echter niet gezien. Het grotere geheel is niet inzichtelijk gemaakt door [eiser] . Bijvoorbeeld de verhouding tussen de betalingen aan [bedrijf 10] die [eiser] als ‘normaal’ aanmerkt versus de ‘bijzondere’ betalingen aan [bedrijf 10] , is niet zichtbaar. Daar komt bij dat ook een betaling aan [bedrijf 10] op 12 december 2022 en een betaling op 8 december 2023 aan de lijst zijn toegevoegd, terwijl [gedaagde] toen al geen bestuurder meer was. Zoals al overwogen in rechtsoverweging 3.9 heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd dat deze betalingen door [gedaagde] zijn gedaan. Ook de facturen van [bedrijf 10] ontbreken zodat niet is te zijn welke zaken zijn aangekocht.
De kantonrechter is het eens met [eiser] dat er vraagtekens kunnen worden gezet bij de grote hoeveelheid en dure cadeaus die [gedaagde] kocht voor de vrijwilligers. Aan de andere kant zijn er verklaringen overgelegd waaruit blijkt dat men cadeaus kreeg in de vorm van crème of douchegel. Of dat dan de producten zijn van gangbare warenhuizen of luxe beautyproducten van schoonheidssalons, kan de kantonrechter vooralsnog niet vaststellen.
Ook met betrekking tot de groep van personen voor wie cadeaus werden gekocht, bestaat onduidelijkheid. Gaat het om 70 mensen, zoals [gedaagde] aanvoert, of slechts om 17 mensen, zoals [eiser] stelt. Bovendien verklaarde [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling dat zij het hele jaar bezig was met het verzamelen van cadeaus, ook als bijvoorbeeld iemand wegging. Voor wie en wanneer cadeaus werden gekocht, is niet duidelijk. Voor de beoordeling van de uitgaven is dat wel van belang.
Dit betekent dat, gelet op de stelplicht en bewijslast die op [eiser] rust, de kantonrechter voorlopig van oordeel is dat [eiser] haar stelling dat het om privéuitgaven gaat, onvoldoende heeft onderbouwd. Tenzij [eiser] haar stellingen nog op een andere manier kan onderbouwen, zal dit deel van de vordering worden afgewezen.
[bedrijf 11] (€ 199,00)
Op 1 april 2022 is voor een bedrag van € 199,00 betaald aan [bedrijf 11] . [eiser] stelt dat het om een voorraad collageenpillen ging voor zes maanden. [bedrijf 11] zou hebben verklaard dat [gedaagde] na die zes maanden weer collageenpillen kocht, maar die toen zelf betaalde. [gedaagde] heeft dat niet weersproken. [gedaagde] voert aan dat de collageenpillen voor een vrijwilliger waren, mevrouw [F] . Mevrouw [F] is nu overleden, maar was toen ziek en had last van haar darmen. De collageenpillen zijn volgens [gedaagde] op verzoek van mevrouw [F] gekocht.
De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat [gedaagde] geen goede verklaring heeft gegeven waarom zij collageenpillen kocht met geld van [eiser] . Collageenpillen worden gebruikt voor een strakkere huid, niet voor darmproblemen. Dit betekent dat dit deel van de vordering zal worden toegewezen.
[bedrijf 12] (€ 125,85)
Op 24 april 2022 is er een transactie geweest met [bedrijf 12] voor een bedrag van € 125.85. Volgens [gedaagde] heeft zij shirts/tops gekocht voor de overblijfvrijwilligers in verband met te warme verplichte hesjes. De vrijwilligers wilden het hesje niet over hun normale kleren dragen, dus daarom zou [gedaagde] hemdjes hebben gekocht. Ter onderbouwing verwijst [gedaagde] naar de verklaring van mevrouw [G] . [eiser] stelt echter dat [bedrijf 12] geen hemdjes verkoopt en dat 15 vrijwilligers hebben verklaard dergelijke kledingstukken nooit te hebben ontvangen. Mevrouw [G] zou bovendien goed bevriend zijn met [gedaagde] .
De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat [eiser] haar stelling dat het om een privéuitgave gaat, onvoldoende heeft onderbouwd. Raadpleging van de website van [bedrijf 12] leert dat daar ook hemdjes te koop zijn en mevrouw [G] schrijft in haar verklaring dat men een hemdje kreeg van [gedaagde] om onder het verplichte hesje te dragen. Tenzij [eiser] nog op een andere manier kan onderbouwen dat de vrijwilligers geen hemdjes hebben gekregen, zal dit deel van de vordering worden afgewezen.
[bedrijf 13] en [bedrijf 14] (totaal: € 1.225,13)
Er zijn op verschillende momenten uitgaven gedaan bij [bedrijf 13] en [bedrijf 14] . Het gaat om de volgende transacties:
23 maart 2019: € 19,95
25 maart 2019: € 26.64
25 april 2019: € 34,20
1 juni 2019: € 32,93
8 juni 2019: € 53,63
17 augustus 2019: € 24,95
7 oktober 2019: € 94,99
13 januari 2020: € 113,10
18 januari 2020: € 241,62
30 juli 2020: € 125,38
21 april 2022: € 256,71
6 mei 2022: € 201,03
Volgens [gedaagde] kocht zij bij de drogist verbandmiddelen zoals pleisters, ontsmettingsmiddelen en koelkompressen. Het ging om ongeveer 600 kinderen en volgens [gedaagde] viel er iedere pauze wel een kind. Er ging veel materiaal doorheen en [gedaagde] verklaart dat er luxe pleisters werden gekocht, want de goedkope gingen er te snel af. [eiser] stelt daarentegen dat het bedrag disproportioneel is en daarom onverklaarbaar binnen het kader van de werkzaamheden van [eiser] . Op dit moment worden ook verbandmiddelen en pleisters gekocht voor het overblijven, maar volgens [B] gaat het dan om een bedrag van hooguit € 200,00 per jaar.
De kantonrechter is het eens met [eiser] dat het hoge bedragen zijn voor verbandmiddelen en pleisters. Aan de andere kant heeft de kantonrechter geen vergelijkingsmateriaal ontvangen van [eiser] . [eiser] maakt niet inzichtelijk welke bedragen er in de relevante periode wel aan verbandmiddelen en pleisters zijn uitgegeven, waardoor in elk geval een deel van de uitgaven wellicht wel ten behoeve van [eiser] is geweest. Dit betekent dat, gelet op de stelplicht en bewijslast die op [eiser] rust, de kantonrechter voorlopig van oordeel is dat [eiser] haar stelling dat het om privéuitgaven gaat, onvoldoende heeft onderbouwd. Tenzij [eiser] haar stelling nog op een andere manier kan onderbouwen, zal dit deel van de vordering worden afgewezen.
[bedrijf 15] (totaal: € 437,40)
Er zijn twee transacties geweest bij [bedrijf 15] . Op 2 september 2019 is een bedrag van € 238,40 betaald en op 1 april 2022 is een bedrag van € 199,00 betaald. Van de eerste transactie is bekend wat er is gekocht, want [eiser] heeft daarvan de factuur overgelegd. Het gaat om een harde koffer, crossbodybag, damesportemonnee en laptoprugzak. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de koffer en laptoprugzak werden gebruikt in de stilteklas. De kinderen die in de stilteklas verbleven hadden een koffer met spullen en een laptop van de school, die werd opgeborgen in de laptoprugzak. De portemonnee werd gebruikt voor de ouderbijdragen die ter plekke contant werden betaald. Mevrouw [H] schrijft in haar verklaring dat deze spullen zijn aangeschaft ten behoeve van de overblijfactiviteiten. [eiser] stelt dat je dergelijke spullen bij de Action koopt en niet bij een dure winkel als [bedrijf 15] .
Over de tweede transactie, die van 1 april 2022 voor een bedrag van € 199,00, hebben partijen zich (nog) niet uitgelaten.
De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat [eiser] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [gedaagde] de koffer, crossbodybag, damesportemonnee en laptoprugzak voor zichzelf heeft aangeschaft, gelet op de verklaring van mevrouw [H] . Dat de er zaken zijn aangeschaft voor de stilteklas heeft [eiser] niet weersproken. Tenzij [eiser] haar stellingen nog op een andere manier kan onderbouwen, zal dit deel van de vordering, in ieder geval met betrekking tot de transactie van 2 september 2019, worden afgewezen.
[bedrijf 16] (€ 185,63)
Op 22 mei 2021 is een bedrag van € 185,63 uitgegeven bij de [bedrijf 16] . Volgens [gedaagde] heeft zij bakken gekocht voor het bewaren van speelgoed. [eiser] stelt dat vrijwilligers hebben verklaard dat ze deze bakken nooit hebben gezien. Volgens [eiser] zijn er geen bakken.
De kantonrechter overweegt dat de vrijwilligers alleen is gevraagd naar wat zij zelf hebben ontvangen om hun werk goed uit te voeren, niet naar wat de school en/of de kinderen hebben gekregen. De verwijzing naar de verklaringen van de vrijwilligers is daarom ontoereikend. Dit betekent dat, gelet op de stelplicht en bewijslast die op [eiser] rust, de kantonrechter voorlopig van oordeel is dat [eiser] haar stelling dat het om privéuitgaven gaat, onvoldoende heeft onderbouwd. Tenzij [eiser] haar stelling nog op een andere manier kan onderbouwen, zal dit deel van de vordering worden afgewezen.
[bedrijf 17] (totaal: € 249,99)
Op 7 januari 2020 is een betaling gedaan bij [bedrijf 17] ( [bedrijf 17] ) voor een bedrag van € 132,01 en op 3 maart 2021 is een betaling gedaan bij [bedrijf 17] ) voor een bedrag van € 117,98. Volgens [gedaagde] heeft zij verbruiksmateriaal voor de vaatwasser van de school gekocht. Dit zou zijn afgesproken met het bestuur van de school, omdat de overblijfvrijwilligers ook gebruikmaakten van de vaatwasser. [eiser] stelt dat zij niet bekend is met deze afspraak en dat de verklaring van [gedaagde] onvoldoende is om aannemelijk te maken dat de aanschaf in het belang van [eiser] is gedaan.
[eiser] miskent dat de stel- en bewijslast op haar rust en dat wanneer [gedaagde] een stelling betwist, het aan [eiser] is om haar eigen stelling nader te onderbouwen. Er is echter geen onderbouwing overgelegd door [eiser] , bijvoorbeeld een verklaring van het bestuur van de school waaruit blijkt dat er inderdaad geen afspraak was over het gebruik van de vaatwasser. Dit betekent dat, gelet op de stelplicht en bewijslast die op [eiser] rust, de kantonrechter voorlopig van oordeel is dat [eiser] haar stelling dat het om privéuitgaven gaat, onvoldoende heeft onderbouwd. Tenzij [eiser] haar stelling nog op een andere manier kan onderbouwen, zal dit deel van de vordering worden afgewezen.
[bedrijf 18] (€ 117,98)
Op 3 maart 2021 is nog een bedrag van € 117,98 betaald aan [bedrijf 18] . [gedaagde] heeft hierover (nog) niks verklaard. Daartoe krijgt ze de gelegenheid bij akte.
[bedrijf 19] (€ 576,00)
Op 30 januari 2021 is voor een bedrag van € 576,00 aan postzegels gekocht. [eiser] stelt dat zij geen postzegels gebruikt en dat postzegels kunnen worden omgeruild voor contact geld, waarmee zij insinueert dat [gedaagde] de postzegels heeft gekocht om vervolgens om te zetten in contact geld voor zichzelf. [gedaagde] betwist die stelling en verklaart dat zij in coronatijd veel brieven heeft geschreven naar de ouders van de kinderen. [B] en [A] verklaren dat zij nooit een brief met postzegel hebben ontvangen in de coronaperiode, terwijl hun kinderen ook overbleven.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd. De verklaring van [gedaagde] , dat zij 600 postzegels heeft gekocht voor 600 kinderen, is niet onaannemelijk. Dit betekent dat, gelet op de stelplicht en bewijslast die op [eiser] rust, de kantonrechter voorlopig van oordeel is dat [eiser] haar stelling dat het om privéuitgaven gaat, onvoldoende heeft onderbouwd. Tenzij [eiser] haar stelling nog op een andere manier kan onderbouwen, zal dit deel van de vordering worden afgewezen.
[bedrijf 20] (€ 58,93)
Op 2 november 2020 is voor een bedrag van € 58,93 besteld bij [bedrijf 20] . [gedaagde] voert aan dat zij mondkapjes heeft gekocht voor [eiser] . [gedaagde] biedt bewijs aan van deze stelling, want ze heeft de factuur nog. De kantonrechter gaat in op dit bewijsaanbod. Bij akte kan [gedaagde] de factuur overleggen.
[bedrijf 21] (€ 166,00)
Op 16 november 2019 is een betaling gedaan bij [bedrijf 21] voor een bedrag van € 166,00. Volgens [gedaagde] heeft zij in samenspraak met het bestuur van de school twee waterkokers gekocht voor beide locaties van de school (naar de kantonrechter begrijpt dus vier waterkokers). [eiser] stelt dat de overblijfvrijwilligers geen gebruik mogen maken van een waterkoker, want uit veiligheidsoverwegingen mogen geen hete dranken worden gedronken. Daarnaast zou de school zelf waterkokers hebben en/of kunnen aanschaffen.
Mevrouw [H] schrijft in haar verklaring dat er thee werd gedronken voorafgaand aan de eerste pauze en dat daarvoor waterkokers zijn aangeschaft. De kantonrechter is daarom voorlopig van oordeel dat [eiser] haar stelling dat het om privéuitgaven gaat, onvoldoende heeft onderbouwd. Tenzij [eiser] haar stelling nog op een andere manier kan onderbouwen, zal dit deel van de vordering worden afgewezen.
[bedrijf 22] (105,90)
Op 11 april 2019 is een aankoop gedaan bij [bedrijf 22] te Gouda voor een bedrag van € 105,90. [gedaagde] verklaarde op 6 februari 2025 aan [eiser] dat zij zooltjes en onderhoudsspray had gekocht voor een vrijwilliger in armoede die dagelijks in weer en wind op slechte schoenen buiten stond. [eiser] heeft vervolgens navraag gedaan bij de verkoper en die gaf aan dat zooltjes en spray samen maximaal tussen de € 20,00 en € 30,00 kosten. Tijdens de mondelinge behandeling verklaarde [gedaagde] dat het om schoenen ging die zij, in overleg met [D] , voor een vrijwilliger in armoede heeft gekocht. [eiser] stelt dat zij het een te hoog bedrag vindt, want je kan ook voor minder geld schoenen kopen, bijvoorbeeld bij Van Haren.
De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat het om een privéuitgave van [gedaagde] gaat. Het is zo’n uitzonderlijke uitgave dat [gedaagde] het wel had onthouden dat het om schoenen gingen in plaats van zooltjes en spray. Tenzij [gedaagde] onderbouwt, bijvoorbeeld met een verklaring van [D] , dat het toch voor [eiser] is geweest, zal dit deel van de vorderingen worden toegewezen.
[bedrijf 23] (€ 1.198,95)
Op 13 augustus 2019 is een bedrag van € 1.198,95 betaald aan [bedrijf 23] . [gedaagde] verklaarde eerst op 6 februari 2025 dat het ging om een betaling in natura aan een teamlid in plaats van de jaarlijkse vrijwilligersvergoeding. [eiser] heeft bij de dagvaarding de factuur overgelegd en daarop staat dat het om een Apple Macbook gaat op naam van [I] , de dochter van [gedaagde] . In reactie hierop wijzigde [gedaagde] haar verklaring. Ze erkent dat ze de laptop voor haar dochter heeft gekocht, maar dit was omdat zij contact geld vanuit haar eigen spaarpot had ingelegd voor de betaling van de vrijwilligers van [eiser] . De vrijwilligers ontvingen de vrijwilligersvergoeding contant en volgens [gedaagde] kwam het voor dat het niet lukte om alle bedragen te pinnen met de bankpas van [eiser] . [gedaagde] heeft toen haar eigen contante geld gebruikt om de vrijwilligers te betalen en dit verrekend door de laptop voor haar dochter vanuit [eiser] te betalen. [eiser] verklaart dat de vrijwilligers destijds inderdaad contant werden betaald, maar dat het iedere maand ongeveer hetzelfde bedrag was. De school zit in het centrum van Rotterdam, waardoor het ongeloofwaardig is dat het niet lukte om de bedragen te pinnen.
De kantonrechter is het eens met [eiser] dat de verklaring van [gedaagde] ongeloofwaardig is. [gedaagde] heeft wisselende verklaringen afgelegd, waardoor de indruk wordt gewekt dat [gedaagde] heeft geprobeerd de waarheid te verdraaien. Daarnaast is ongeloofwaardig dat [gedaagde] een dergelijk bedrag aan contant spaargeld op haar werkplek heeft bewaard. Dit betekent dat [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het om een privéuitgave gaat, waardoor dit deel van de vordering zal worden toegewezen.
[bedrijf 24] (totaal: € 30,88)
Er zijn twee betalingen verricht aan [bedrijf 24] . Op 10 december 2018 is een bedrag van € 25,05 betaald en op 19 juni 2019 is een bedrag van € 5,83 betaald. [gedaagde] verklaart dat het gaat om een tankbeurt van een teamlid dat boodschappen deed voor [eiser] . [eiser] stelt dat op dit moment niemand boodschappen doet voor [eiser] met de auto. De school zit in het centrum van Rotterdam met veel winkels op loopafstand.
De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat [gedaagde] geen goede verklaring heeft gegeven. Als brandstof betaald zou worden voor de vrijwilligers, dan zou dat vaker terug moeten komen in de lijst met uitgaven. Daarnaast zijn de betalingen rechtstreeks bij het tankstation verricht, terwijl [gedaagde] op de mondelinge behandeling verklaarde dat het om een kilometervergoeding gaat. Dit betekent dat [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het privéuitgaven zijn, waardoor dit deel van de vordering zal worden toegewezen.
[bedrijf 25] (€ 860,10)
Op 19 maart 2019 is een bedrag van € 860,10 betaald aan [bedrijf 25] . Volgens [gedaagde] gaat het om de reparatie van pleinmateriaal, zoals stepjes, fietsjes en bolderkarren. De zoon van mevrouw [F] , een van de vrijwilligers, werkte daar en daarom is volgens [gedaagde] ervoor gekozen om het materiaal bij [bedrijf 25] te laten repareren. Dat is toen volgens haar in één keer gedaan, omdat aan alle fietsen iets mankeerde.
[eiser] stelt dat zij contact heeft gehad met de voormalig eigenaar van [bedrijf 25] . Die heeft volgens [eiser] verklaard dat de onderneming zich uitsluitend bezighoudt met de verkoop en reparatie van motorfietsen en nooit stepjes of fietsen te hebben gerepareerd.
De kantonrechter heeft van [eiser] geen verklaring ontvangen van de voormalig eigenaar van [bedrijf 25] . Ook [gedaagde] heeft haar standpunt niet onderbouwd. Daarom kan vooralsnog niet worden vastgesteld waarvoor de betaling is gedaan aan [bedrijf 25] en of dit voor [eiser] was, of voor [gedaagde] privé. Daarbij komt dat [eiser] niet heeft laten zien door welke partij het onderhoud aan het pleinmateriaal dan wel is uitgevoerd. Dit betekent dat, gelet op de stelplicht en bewijslast die op [eiser] rust, de kantonrechter voorlopig van oordeel is dat [eiser] haar stelling dat het om privéuitgaven gaat, onvoldoende heeft onderbouwd. Tenzij [eiser] haar stelling nog op een andere manier kan onderbouwen, zal dit deel van de vordering worden afgewezen.
[bedrijf 26] ( [kenteken] ) (€ 70,20)
Op 14 oktober 2020 is een parkeerbon van € 70,20 betaald. Volgens [gedaagde] ging het om een leerkracht, Tessa Smal, die voor [eiser] iets via Marktplaats had gekocht. Terwijl ze dat ging ophalen, kreeg ze een bekeuring. [gedaagde] heeft toen in overleg met [D] besloten om de parkeerbon te betalen. [eiser] stelt dat het betalen van privéboetes niet past binnen het doel van [eiser] . Het betreft een persoonlijke verplichting van degene die de overtreding heeft begaan. Het geld van [eiser] moet volgens [eiser] ten goede komen aan de kinderen en niet aan de leerkracht.
De kantonrechter heeft (nog) geen verklaringen ontvangen van betrokkenen over deze parkeerbon. De kantonrechter is het eens met [eiser] dat een parkeerbon in beginsel niet binnen het doel van [eiser] past, maar als [D] daarmee heeft ingestemd, kan dit niet aan [gedaagde] worden verweten. Tenzij [gedaagde] met een verklaring komt, zal dit deel van de vordering worden toegewezen.
[bedrijf 27] . (€ 63,70)
Op 29 december 2019 is een bedrag van € 63,70 betaald aan [bedrijf 27] . [eiser] heeft gebeld met [bedrijf 27] , maar die konden vanwege de privacy van [gedaagde] niks vertellen. [gedaagde] heeft over deze uitgave (nog) niks verklaard. Daartoe krijgt zij de gelegenheid bij akte. De kantonrechter overweegt dat het om een webwinkel gaat, waardoor [gedaagde] zou moeten kunnen achterhalen wat zij daar destijds heeft gekocht.
[bedrijf 28] (totaal: € 155,00)
Er zijn twee betalingen verricht aan [bedrijf 28] . Op 18 augustus 2018 een bedrag van € 5,00 en een jaar later op 20 augustus 2019 een bedrag van € 150,00. [eiser] stelt dat dit een hotelovernachting moet zijn geweest omdat die datum valt in de zomervakantie, terwijl de school gesloten is. [gedaagde] voert aan dat dit geen hotelovernachting was, maar 12 paraplu’s voor de vrijwilligers voor tijdens het overblijven. [gedaagde] was continu bezig met de overblijf, ook tijdens de zomer. Het bedrag van € 5,00 was volgens [gedaagde] waarschijnlijk een cadeautje voor een vrijwilliger.
De kantonrechter is het eens met [eiser] dat het uitgaven zijn die vragen oproepen. Aan de andere kant wil de kantonrechter wel aannemen dat [gedaagde] continu bezig was met de overblijf, zoals ook blijkt uit de verklaringen. De kantonrechter is daarom voorlopig van oordeel dat [eiser] haar stelling dat het om privéuitgaven gaat, onvoldoende heeft onderbouwd. Tenzij [eiser] haar stelling nog op een andere manier kan onderbouwen, zal dit deel van de vordering worden afgewezen.
[bedrijf 29] (totaal: € 236,78)
Er zijn twee betalingen gedaan bij [bedrijf 29] . Op 8 november 2019 voor een bedrag van € 48,43 en op 9 juli 2021 voor een bedrag van € 188,35. [gedaagde] heeft hierover (nog) niks verklaard. Daartoe krijgt zij de gelegenheid bij akte.
[bedrijf 30] (totaal: € 29,98)
Er zijn twee betalingen gedaan aan [bedrijf 30] . Op 11 december 2018 en op 9 januari 2019. Volgens [gedaagde] was dit voor de stilteklas. [eiser] stelt dat het om een privéuitgaven gaat.
De kantonrechter is het eens met [eiser] dat deze betalingen vragen oproepen. Waarom [bedrijf 30] voor maar twee maanden? En was de stilteklas voor maar twee maanden? Had de school geen eigen account? Tenzij partijen nog met verklaringen komen, is de kantonrechter voorlopig van oordeel dat [gedaagde] geen goede verklaring heeft gegeven en dat dit deel van de vordering moet worden toegewezen.
[bedrijf 31] (€ 1.198,95)
Dit deel van de vordering is ingetrokken, want [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat dit dezelfde betaling is als aan [bedrijf 23] , voor de Apple Macbook.
[bedrijf 32] (€ 1.325,00)
Op 10 december 2019 is een bedrag van € 1.325,00 betaald aan [bedrijf 32] . Volgens [gedaagde] gaat het om Kantoorboekhandel [bedrijf 33] en zijn dit VVV-bonnen voor de vrijwilligers. [eiser] stelt dat als je dit bedrag deelt door ongeveer 20 vrijwilligers, dat er dan wel een hele dure bon is gekocht, naast alle andere luxe presentjes. [eiser] heeft ook een factuur overgelegd van een betaling aan [bedrijf 32] . De kantonrechter overweegt dat die factuur van 8 december 2018 is, oftewel een jaar eerder, en dat er een bedrag van € 1.375,00 op staat.
[eiser] heeft (onbewust) laten zien dat er twee jaren op rij een bedrag van ongeveer € 1.350,00 is betaald aan Kantoorboekhandel [bedrijf 33] . Hieruit volgt dat de verklaring van [gedaagde] dat er VVV-bonnen werden gekocht aannemelijk is. Daarnaast blijkt uit de verklaringen van de vrijwilligers dat zij een cadeaubon kregen. Dat kan dus deze VVV-bon zijn. De kantonrechter is daarom voorlopig van oordeel dat [eiser] haar stelling dat het om privéuitgaven gaat, onvoldoende heeft onderbouwd. Tenzij [eiser] haar stelling nog op een andere manier kan onderbouwen, zal dit deel van de vordering worden afgewezen.
[bedrijf 34] (€ 882,09)
Op 22 oktober 2021 is een bedrag van € 882,09 betaald aan [bedrijf 34] . [gedaagde] heeft hierover (nog) niks verklaard. Daartoe krijgt zij de gelegenheid bij akte.
[bedrijf 35] (€ 132,38)
Op 7 mei 2022 is voor een bedrag van € 132,38 betaald aan [bedrijf 35] . [gedaagde] heeft hierover (nog) niks verklaard. Daartoe krijgt zij de gelegenheid bij akte.
Partijen mogen aktes nemen
Partijen worden in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten bij akte over alles wat de kantonrechter in dit tussenvonnis heeft overwogen en bewijsstukken over te leggen. Er zijn nog te veel onduidelijkheden waar partijen wellicht meer informatie over kunnen geven. Ook zijn veel stellingen niet onderbouwd met stukken en/of verklaringen.
De kantonrechter overweegt tot slot dat het partijen uiteraard vrijstaat om (op deelpunten) tot overeenstemming te komen. In dat geval kunnen partijen in hun akte de kantonrechter daarover informeren.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
4. De beslissing
De kantonrechter
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 27 mei 2026 voor het indienen van een akte door beide partijen, waarna zij op de rol van 4 weken daarna in reactie op elkaars akte een antwoordakte kunnen indienen,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.
SB5790