uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaken tussen
1. [eiser 1] gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,
2. [eiser 2] gevestigd in [vestigingsplaats 1] , en
3. [eiser 3] gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,
eisers
(gemachtigde: mr. C.J. Schipperus),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vijfheerenlanden (het college), verweerder
(gemachtigde: T. den Braven).
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning die het college heeft verleend voor het splitsen van een winkel en het wijzigen van de gevels op het adres [adres] in [plaats] .
2. Eisers zijn het niet eens met deze omgevingsvergunning en hebben daartegen bezwaar gemaakt. Deze bezwaren heeft het college in de besluiten van 11 december 2025 (de bestreden besluiten) niet-ontvankelijk verklaard. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
3. In de brief van 29 juni 2026 heeft het college gereageerd op de vraag van de rechtbank over artikel 5.1 van de planregels van het omgevingsplan gemeente Vijfheerenlanden (het omgevingsplan). Eisers hebben op 30 juni 2026 gereageerd op de brief van het college.
4. De rechtbank heeft de beroepen op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Partijen zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
5. Eisers hebben bezwaar gemaakt en beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten, omdat niet duidelijk is welke winkel/detailhandel er in het (gesplitste) pand zal worden gevestigd. Als dat een supermarkt is, dan wensen zij op te komen tegen de vergunning. Als dat geen supermarkt is, dan erkennen zij dat geen belang hebben bij hun beroep.
6. Het college heeft zich, op basis van het advies van de commissie bezwaarschriften Vijfheerenlanden, op het standpunt gesteld dat de vraag of het omgevingsplan een supermarkt al dan niet toestaat, niet aan de orde is omdat de vergunning alleen ziet op bouwen en geen betrekking heeft op het gebruik. Volgens het college staat vast dat het belang van eisers uitsluitend is gelegen in een mogelijke toekomstige gebruikswijziging. Een dergelijk afgeleid of toekomstig belang is volgens vaste rechtspraak onvoldoende voor belanghebbendheid.
7. De rechtbank stelt vast dat het college een omgevingsvergunning heeft verleend voor de omgevingsplanactiviteit splitsen van een winkel en wijziging van de gevels. Dat betekent dat de vergunning een omgevingsplanactiviteit mogelijk maakt die – ook qua gebruik – past binnen het omgevingsplan. Anders dan het college heeft aangenomen, heeft de verleende vergunning in dat opzicht dus wél betrekking op het (toekomstig) gebruik. Een gebruik dat binnen het omgevingsplan past, wordt immers toegestaan met deze omgevingsvergunning. De rechtbank oordeelt dan ook dat de motivering van de bestreden besluiten gebrekkig is, nu die ervan uitgaat dat de vergunning geen betrekking heeft op het gebruik. Dat betekent dat de bestreden besluiten in strijd zijn met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en moeten worden vernietigd.
8. De rechtbank moet vervolgens beoordelen welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Uitgangspunt is daarbij dat de bestuursrechter de mogelijkheden tot definitieve beslechting van het geschil onderzoekt. Dat betekent dat de bestuursrechter eerst nagaat of de rechtsgevolgen van een te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten. De rechtbank oordeelt dat dat in dit geval kan. Met de brief van 29 juni 2026 heeft het college duidelijk gemaakt dat hij van mening is dat het omgevingsplan alleen detailhandel in sport-, vrijetijds- en leisureartikelen mogelijk maakt. Met deze motivering heeft het college alsnog toereikend onderbouwd waarom eisers niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt, aangezien zij geen rechtstreekse gevolgen zullen ondervinden van de omgevingsvergunning die alleen detailhandel in sport-, vrijetijds- en leisureartikelen toestaat. De bezwaren van eisers zijn dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard,
Conclusie en gevolgen
9. De rechtbank komt tot de conclusie dat de beroepen gegrond zijn maar dat het college de bestreden besluiten alsnog voldoende heeft gemotiveerd. Dit betekent dat de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten, ondanks de vernietiging ervan, in stand kunnen blijven. Het college hoeft dus geen nieuwe besluiten te nemen.
10. De rechtbank veroordeelt het college in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze
kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van de gelijkluidende beroepschriften met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het college aan eisers het door hen betaalde griffierecht € 794,- vergoedt (er is gezien de samenhang in twee zaken griffierecht geheven).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand blijven;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 934,-;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 794,- aan eisers te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026.
verhinderd te tekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.