RECHTBANK LIMBURG
[naam] , uit Eckelrade, eiseres,
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eijsden-Margraten,
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 26/2071 en ROE 26/2073
uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 oktober 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
en
het college,
(gemachtigde: mr. C.H.H. Hurenkamp).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: de provincie Limburg.
1. Deze uitspraak gaat over een opgelegde last onder bestuursdwang voor het aanwezig hebben van bouwwerken zonder omgevingsvergunning en het gebruik van gronden in strijd met het tijdelijk deel van het Omgevingsplan Eijsden-Margraten op het perceel kadastraal bekend als gemeente Margraten, sectie R, nummer 341. Eiseres is niet eens met de oplegging van deze last. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert in haar beroepschrift een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter of het college handhavend mocht optreden.
2. De voorzieningenrechter beslist direct op het beroep van eiseres en komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de last onder bestuursdwang aan eiseres mocht opleggen. Dit betekent dat het beroep van eiseres ongegrond is. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter direct uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af; er valt immers geen voorlopige voorziening meer te treffen als al een definitieve beslissing genomen wordt.
Procesverloop
3. Met het besluit van 26 maart 2026 heeft het college aan eiseres de last onder bestuursdwang opgelegd. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 17 april 2026 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening bij wijze van een ordemaatregel toegewezen, de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden tot aan de zitting en bepaald dat de last onder bestuursdwang wordt geschorst. Daarna heeft de voorzieningenrechter bij uitspraak van 12 juni 2026 de getroffen voorlopige voorziening niet opgeheven en bepaald dat het bestreden besluit tot zes weken na de beslissing op bezwaar wordt geschorst.
4. Met het betreden besluit van 15 juli 2026 op het bezwaar van eiseres is het college bij het opleggen van de last onder bestuursdwang gebleven. Daartegen heeft eiseres beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
5. Het college heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening en het beroep met een verweerschrift gereageerd.
6. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van het college.
7. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet aan de beoordeling van de zaak kan bijdragen, beslist hij ook direct op het beroep van eiseres.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Totstandkoming van het bestreden besluit
8. Eiseres gebruikt het perceel aan de [adres] , kadastraal bekend als gemeente Margraten, sectie R, nummer 341. Zij heeft met de eigenaar daarvan, de derde-partij, in 2021 een huurovereenkomst gesloten voor de duur van zes jaar.
9. Op 22 juli 2024 heeft een toezichthouder van de gemeente op het perceel een tent en een schuilgelegenheid aangetroffen. Hiervoor is geen omgevingsvergunning verleend.
Gezien deze constatering heeft het college op 2 oktober 2024 een voornemen last onder dwangsom naar eiseres verstuurd. Tegen dat voornemen heeft eiseres een zienswijze ingediend en naar aanleiding daarvan heeft het college besloten om het handhavingstraject te beëindigen.
10. De derde-partij was niet eens met de beëindiging van dat handhavingstraject en heeft daarom bij brief van 28 augustus 2025 het college verzocht om handhavend op te treden tegen (onder meer) de bouwwerken die op het perceel staan zonder de daarvoor benodigde omgevingsvergunning en de permanente bewoning door eiseres in strijd met het
het bestemmingsplan ‘Buitengebied Margraten 2009’, dat deel uitmaakt van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan Eijsden-Margraten.
11. Vervolgens heeft een toezichthouder van de gemeente tijdens een controle op
12 september 2025 geconstateerd dat op het perceel een tent en bijgebouwen staan. Naar aanleiding van de bevindingen van deze controle heeft het college aan eiseres een last onder bestuursdwang opgelegd. Eiseres wordt daarin gelast de geconstateerde overtreding ongedaan te maken en ongedaan te laten binnen een termijn van vier weken na verzending van dat besluit. Om aan de last te voldoen, moet eiseres:
12. Eiseres heeft tegen de last onder bestuursdwang bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen zoals onder 3 is overwogen.
13. Met het betreden besluit is het college bij het opleggen van de last onder bestuursdwang gebleven. Daartegen heeft eiseres dit beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het college heeft bij brief van 14 september 2026 de voorzieningenrechter bericht dat hij, gelet op de geplande zitting bij de voorzieningenrechter, niet zal overgaan tot de op 21 september 2026 aangekondigde feitelijke uitvoering van bestuursdwang.
Omvang van het geding
14. De voorzieningenrechter overweegt dat in deze procedure enkel de beroepsgronden kunnen worden besproken die zien op het bestreden besluit. Dit betekent dat de beroepsgronden die gaan over de bijstandsuitkering die eiseres ontvangt en de civiele procedure (in hoger beroep) met de derde-partij over de huurovereenkomst van onderhavig perceel niet in deze procedure aan de orde komen. Deze gronden hebben immers geen betrekking op het bestreden besluit van eiseres. Voor de overige gronden, stellingen en argumenten van eiseres uit haar verzoek- en beroepschrift geldt dat de voorzieningenrechter deze op zitting met eiseres heeft doorgenomen en deze heeft teruggebracht tot de kern. Die kern is, zo overweegt de voorzieningenrechter, dat eiseres vindt dat het college misbruik maakt van zijn bevoegdheid en dat eiseres het standpunt inneemt dat handhaving onevenredig is.
Heeft het college misbruik van zijn bevoegdheid tot het opleggen van een last onder bestuursdwang gemaakt?
15. Eiseres voert aan dat het college de last onder bestuursdwang heeft opgelegd om de derde-partij te helpen en niet om op de regels van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan Eijsden-Margraten te handhaven.
De voorzieningenrechter overweegt dat de derde-partij een handhavingsverzoek bij het college heeft ingediend en daarnaast ook nog een civiele procedure is gestart om te bewerkstelligen dat eiseres het gehuurde perceel verlaat en ontruimt conform de huurovereenkomst tussen eiseres en de derde-partij. Op zitting heeft het college toegelicht dat de derde-partij deze civiele procedure is gestart, omdat zij onder de veronderstelling was dat het college geen stappen in de handhaving zou ondernemen. De voorzieningenrechter overweegt dat het hier gaat om twee afzonderlijke procedures van twee afzonderlijke partijen die in beginsel naast elkaar kunnen lopen. Het college heeft geen belang bij de civiele zaak tussen de derde-partij en eiseres. Wel geldt het volgende. Als er een handhavingsverzoek wordt ingediend, dan moet het college daarover een besluit nemen. Dat een dergelijk besluit in het voordeel kan zijn van degene die om handhaving heeft verzocht, betekent nog niet dat het college door te handhaven misbruik maakt van zijn bevoegdheid. Het college heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen misbruik van zijn bevoegdheid gemaakt door handhavend op te treden.
Is handhavend optreden onevenredig?
16. Eiseres voert verder aan dat handhavend optreden volgens haar onevenredig is, omdat zij dakloos is, geen andere woonruimte heeft en die niet op korte termijn kan krijgen vanwege haar financiële situatie en het tekort aan (geschikte) woningen. Op het perceel waar zij verblijft zorgt zij ervoor dat een stuk Limburgse agrarische cultuur in stand wordt gehouden. Ook voert eiseres aan zij er belang bij heeft om de uitkomst van de civiele procedure in hoger beroep af te wachten. Zij heeft namelijk hoger beroep ingediend tegen een vonnis van de kantonrechter van 27 mei 2026.
De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het college bevoegd is om hier handhavend te optreden tegen eiseres. Niet in geschil is immers dat op het perceel een tent en bijgebouwen staan die niet binnen de gebruiks- en bouwregels passen van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Margraten 2009’ en om die reden sprake is van overtredingen. In dat geval volgt uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) dat als uitgangspunt geldt dat een bestuursorgaan in de regel gebruik moet maken van een bevoegdheid om handhavend op te treden, ook wel aangeduid als de beginselplicht tot handhaving. De reden voor deze beginselplicht is dat de rechtszekerheid vergt dat de feitelijke situatie in beginsel niet afwijkt van de juridisch toegestane situatie. Door middel van handhavend optreden wordt dit bereikt. Hieruit volgt het algemeen belang dat is gediend met handhaving. Bij de vraag of van handhavend optreden mocht worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is.
Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat handhavend optreden in dit geval niet onevenredig is. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat eiseres sinds oktober 2024 weet dat zij op het perceel niet mag wonen en dus een andere woonruimte moet zoeken. Zowel het college als de derde-partij hebben haar (hulp bij het zoeken naar) alternatieve woonruimte aangeboden, maar deze heeft zij steeds afgewezen. Op zitting heeft eiseres duidelijk gemaakt dat zij op het huidige perceel wil blijven wonen. Zij wil enkel het perceel verlaten als het college of de derde-partij haar een ander perceel aanbiedt waar zij haar project voor landschapsbeheer kan voortzetten. De voorzieningenrechter krijgt hiermee niet de indruk dat zij in een woning wil wonen, maar juist haar huidige woonsituatie wil voortzetten terwijl duidelijk is dat dit niet mogelijk is. Ook heeft het college op zitting terecht gewezen op het belang van het college om precedentwerking te voorkomen. Immers, als bekend wordt dat het college niet optreedt tegen het soort van overtredingen die eiseres pleegt, dan kunnen anderen daarin aanleiding zien om dat ook te gaan doen.
Over het afwachten van de uitkomst van de civiele procedure overweegt de voorzieningenrechter dat zelfs als eiseres in de civiele zaak in hoger beroep gelijk krijgt dit niet betekent dat zij dan van de derde-partij toestemming heeft om op het perceel in kwestie te wonen of dat zij daar de bouwwerken mag hebben zoals op dit moment door haar op het perceel zijn gebouwd. Die zaak gaat immers alleen over de vraag of eiseres met de derde-partij een overeenkomst heeft voor landschapsbeheer of niet. Bovendien is het vonnis van de kantonrechter niet geschorst en kan de derde-partij dat desgewenst op ieder moment door de deurwaarder laten executeren. Door niet te handhaven bereikt eiseres dan ook niet dat het vonnis van de kantonrechter niet wordt uitgevoerd. Daarvoor staan haar rechtsmiddelen in het civiele spoor ter beschikking. Het college heeft dan ook het algemeen belang bij handhaving zwaarder mogen wegen dat het belang van eiseres bij het voorzetten van de strijdige situatie.
Conclusie en gevolgen
17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de last onder bestuursdwang heeft kunnen opleggen en dat eiseres geen gelijk krijgt.
18. Omdat het beroep ongegrond is, bestaat er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
19. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiseres het griffierecht niet terug.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.J.A. Smitsmans, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Kloos, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 1 oktober 2026
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 1 oktober 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.