RECHTBANK LIMBURG
uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 september 2026 in de zaak tussen
[naam] en [naam] , uit Venlo, verzoekers
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo
Samenvatting
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/2082
(gemachtigde: mr. L.A.W. Hermans),
en
(gemachtigde: mr. J.B.L. Krahmer), het college.
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de buiten behandeling stelling van de aanvraag om een uitkering op grond van de Participatiewet (PW). Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Verzoekers zijn uit hun huurwoning gezet en hebben de afgelopen maanden met hun vierjarige dochter in een auto geleefd en bij kennissen verbleven. Verzoekers hebben zich op 6 mei 2026 bij het college gemeld voor een bijstandsuitkering. Na een vijftal afspraken voor een intakegesprek, waarbij verzoekers niet zijn verschenen, heeft het college de aanvraag met het besluit van 30 juni 2026 buiten behandeling gesteld. Hiertegen hebben verzoekers bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter op 20 augustus 2026 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die er (primair) toe strekt het college op te dragen verzoekers een voorschot op de aangevraagde algemene bijstand te verstrekken.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Is er een spoedeisend belang?
3. De voorzieningenrechter neemt in deze zaak het spoedeisend belang aan en zal de zaak daarom inhoudelijk beoordelen. Daarbij neemt de voorzieningenrechter het volgende in overweging. Verzoekers hebben op 21 september 2026 een kopie van een Whatsapp bericht overgelegd van een van de kennissen waar zij tot voor kort verbleven. Uit het bericht blijkt dat verzoekers niet langer bij deze kennissen kunnen verblijven. Ter zitting hebben verzoekers te kennen gegeven inmiddels via andere kennissen in een B&B te verblijven. Verzoeker is ernstig ziek en heeft een korte levensverwachting. Hij heeft ter zitting aangegeven graag te willen sterven in een woning waar hij woont met zijn partner en dochter, niet zwervend van kennis naar kennis. Verzoekers komen vanwege de gezondheid van verzoeker met voorrang in aanmerking voor een huurwoning, maar krijgen die niet, omdat ze geen inkomen hebben. Ook verzoekster is ziek. Daar komt bij dat er blijkens een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 15 juli 2026 zorgen zijn over het welzijn van de vierjarige dochter van verzoekster, onder meer vanwege de instabiele woonsituatie en gebrek aan geld voor voeding. De voorzieningenrechter ziet in deze omstandigheden tezamen bezien voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening.
Het geschil
4. Volgens verzoekers had het college de aanvraag niet buiten behandeling mogen stellen, omdat zij verhinderd waren het laatste intakegesprek op 18 juni 2026 bij te wonen wegens ziekenhuisopname van verzoeker en hebben aangeboden de gevraagde stukken digitaal aan te leveren, maar daarop geen reactie hebben gekregen.
5. Volgens het college mocht het de aanvraag buiten behandeling stellen, omdat verzoekers geen ondertekend aanvraagformulier en overige gevraagde bewijsstukken hebben ingeleverd voor 18 juni 2026 en niet uiterlijk op 25 juni 2026 bewijs hebben aangeleverd dat zij niet in staat waren op het intakegesprek van 18 juni 2026 te verschijnen wegens ziekenhuisopname van verzoeker.
Het oordeel van de voorzieningenrechter
6. Ook als de aanvraag bij het bestreden besluit op goede gronden buiten behandeling is gesteld, betekent dat niet dat het bezwaar geen kans van slagen heeft.
De bevoegdheid om een aanvraag buiten behandeling te stellen is namelijk een discretionaire. Uit vaste rechtspraak volgt dat voor de aanvrager de nadelige gevolgen van de buitenbehandelingstelling niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. Als de aanvrager in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, heeft hij een zwaarwegend belang bij het alsnog in behandeling nemen van de aanvraag om bijstand. Als op basis van alsnog overgelegde gegevens komt vast te staan dat de aanvrager recht op bijstand had met ingang van de datum van de aanvraag die buiten behandeling is gesteld, heeft de aanvrager een zwaarwegend belang bij het alsnog in behandeling nemen van die aanvraag. Ook als het recht op bijstand op dat moment niet vaststaat, heeft een aanvrager – die stelt in bijstandbehoevende omstandigheden te verkeren – een zwaarwegend belang bij het alsnog in behandeling nemen van de aanvraag om bijstand.
Dat betekent dat verzoekers gedurende de bezwaarfase de ontbrekende gegevens nog kunnen verstrekken en dat het college de aanvraag van verzoekers dan alsnog in behandeling moet nemen. Dit kan leiden tot toewijzing van de aanvraag. Het is voor de voorzieningenrechter – net als voor het college – bij de huidige stand van zaken niet te beoordelen of dat zal gebeuren. Recent hebben verzoekers namelijk nog een grote hoeveelheid stukken verstrekt, die nog beoordeeld moeten worden door het college. De hierna onder 6.3, 6.4 en 6.5 te noemen omstandigheden maken echter dat de voorzieningen-rechter desalniettemin een voorziening zal treffen.
Ten eerste heeft het college niet gesteld dat er, op basis van de stukken waarover het college momenteel beschikt en voor zover het die al heeft kunnen beoordelen, concrete aanwijzingen zijn dat verzoekers geen recht op bijstand hebben.
Ten tweede hebben verzoekers zich na 18 juni 2026 sterk ingespannen om informatie aan te leveren. Dit heeft deels plaatsgevonden in het kader van een nieuwe aanvraag. In het verweerschrift in de onderhavige procedure heeft het college over die nieuwe aanvraag geschreven dat de inhoudelijke behandeling daarvan kan worden gestart. Ter zitting heeft het college dit overigens genuanceerd en aangegeven dat een (onderbouwde) verklaring over hoe in het levensonderhoud is voorzien nog ontbreekt. Hieruit maakt de voorzieningenrechter op dat verzoekers de bezwaarprocedure waarschijnlijk zullen aangrijpen om ook de onderhavige aanvraag te completeren.
Om dat goed te kunnen doen is het overigens wel noodzakelijk dat duidelijk is wat er nog van verzoekers wordt verlangd. Ter zitting hebben verzoekers namelijk toegelicht dat zij in de veronderstelling verkeren dat de aanvraag inmiddels compleet is (mede gelet op de stukken die in het kader van de nieuwe aanvraag zijn verstrekt). Volgens het college is dat echter niet het geval. Het college wijst op de brief van 11 mei 2026 waarbij een lijst is gevoegd met te verstrekken informatie. Niet alle daarop vermelde informatie is volgens het college verstrekt, waaronder bankafschriften over de periode van 6 februari 2026 tot 6 april 2026, een verklaring over hoe in het levensonderhoud is voorzien en informatie van het (failliete) bedrijf van verzoeker. De voorzieningenrechter heeft het college daarom ter zitting opgedragen verzoekers een overzicht te vertrekken van de ontbrekende stukken. Dat het college wat tijd nodig heeft om de grote hoeveelheid aangeleverde stukken te bekijken en te bezien wat ontbreekt, is overigens begrijpelijk.
Ten derde zijn de persoonlijke omstandigheden van verzoekers – die door het college niet zijn weersproken – schrijnend. De voorzieningenrechter verwijst naar overweging 3 van deze uitspraak. De voorzieningenrechter kent met name zeer zwaar gewicht toe aan de belangen van het vierjarige kind.
In afwachting van de uitkomst van de bezwaarprocedure dient gelet op het voorgaande het belang van verzoekers bij voldoende middelen van bestaan te prevaleren boven het belang van het college bij het vermijden van het restitutierisico. De voorzieningenrechter zal daarom de hierna te noemen voorlopige voorziening treffen.
Conclusie en gevolgen
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het college aan verzoekers voorschotten op de bijstandsuitkering moet verstrekken ter hoogte van 95% van de voor hen geldende bijstandsnorm vanaf de datum van indiening van het verzoek om voorlopige voorziening tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Dat betekent dat direct een voorschot van 95% moet worden verstrekt op de bijstand over de gehele maand augustus 2026 en vervolgens maandelijks tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
8. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het college het griffierecht aan verzoekers vergoeden. Daarom krijgen verzoekers ook een vergoeding van de gemaakte proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen verzoekers een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
- draagt het college op aan verzoekers voorschotten op de bijstandsuitkering te verstrekken ter hoogte van 95% van de voor verzoekers geldende bijstandsnorm, vanaf de datum van indiening van het verzoek om voorlopige voorziening tot zes weken na de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 54,- aan verzoekers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Goofers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van B. van Dael, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 29 september 2026