RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummers:
12253631 \ CV EXPL 26-3015
12232394 \ CV EXPL 26-2734
Vonnis in kort geding van 7 september 2026
in de gevoegde zaken van
[eisende partij] ,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. R.G.P. Voragen,
tegen
[bewindvoerder] H.O.D.N. [bewindvoering] , IN HAAR HOEDANIGHEID VAN BEWINDVOERDER OVER DE GOEDEREN VAN [eisende partij] EN MENTOR VAN [eisende partij] ,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [bewindvoerder] q.q.,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedures blijkt uit:
- het exploot van dagvaarding van 3 juni 2026 in zaak 12253631 \ CV EXPL 26-3015;
- het exploot van dagvaarding van 10 juni in zaak 12232394 \ CV EXPL 26-2734;
- de ambtshalve voeging van de zaken 12253631 \ CV EXPL 26-3015 en 12232394 \ CV EXPL 26-2734;
- de door [eisende partij] ten behoeve van de mondelinge behandeling in het geding gebrachte producties 1 tot en met 10;
- de brief van [bewindvoerder] met ongenummerde producties van 15 juni 2026 die wordt aangemerkt als conclusie van antwoord in beide procedures;
- de mondelinge behandeling van 13 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2. De feiten
Bij beschikking van de kantonrechter van deze rechtbank van 24 januari 2023 is met ingang van 1 februari 2023 een mentorschap ingesteld ten behoeve van [eisende partij] , met benoeming van [mentor] h.o.d.n. [handelsnaam] tot mentor. Tegen deze beschikking is hoger beroep ingesteld. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft de beschikking in zijn arrest van 5 oktober 2023 bekrachtigd.
Bij beschikking van de kantonrechter van deze rechtbank van 8 januari 2024 zijn met ingang van 16 januari 2024 de goederen van [eisende partij] wegens haar lichamelijke of geestelijke toestand onder bewind gesteld, met benoeming van [bewindvoerder] tot bewindvoerder. Tegen deze beschikking is hoger beroep ingesteld. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft de beschikking in zijn arrest van 21 november 2024 bekrachtigd.
Bij beschikking van de kantonrechter van deze rechtbank van 24 april 2025 is [bewindvoerder] tot mentor benoemd en is een verzoek tot opheffing van het bewind en mentorschap afgewezen.
Bij beschikking van de kantonrechter van deze rechtbank van 22 april 2026 is het verzoek tot opheffing van het bewind en mentorschap wederom afgewezen.
[eisende partij] is op 10 juni 2026 vanuit de begeleide woonvorm van [zorglocatie 1] verhuisd naar [zorglocatie 2] en daar opgenomen voor 24-uurs observatie.
3. Het geschil
[eisende partij] vordert - samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- in zaak 12253631 \ CV EXPL 26-3015 om [bewindvoerder] :
I. te schorsen in de uitoefening van haar functie van bewindvoerder over de goederen van [bewindvoerder] als ook in haar functie van mentor over [eisende partij] ;
II. te gebieden om binnen vijf dagen na heden een kopie van het schriftelijk dossier van [eisende partij] te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte daarvan dat hier niet aan voldaan wordt;
III. [bewindvoerder] te ontslaan uit haar functie als bewindvoerder over de goederen van [eisende partij] als ook haar functie als mentor ten aanzien van [eisende partij] dan wel daar ambtshalve toe over te gaan;
- in zaak 12232394 \ CV EXPL 26-2734 om [bewindvoerder] te gebieden om binnen tien dagen na betekening van dit vonnis:
I. een afschrift van het dossier van [eisende partij] te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte daarvan dat zij hiermee in gebreke blijft;
II. een afschrift van de uitkeringsspecificaties, waaronder in ieder geval de specificaties over de maanden januari tot en met mei 2026, te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte daarvan dat zij hiermee in gebreke blijft;
III. een afschrift van de correspondentie met dokter [huisarts] (zijnde de huisarts van [eisende partij] ) te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte daarvan dat zij hiermee in gebreke blijft;
IV. een afschrift van de bankafschriften van de rekeningen van [eisende partij] over in ieder geval 2025 en 2026 te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte daarvan dat zij hiermee in gebreke blijft;
V. een afschrift van de correspondentie met [zorglocatie 1] te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte daarvan dat zij hiermee in gebreke blijft;
VI. een afschrift van de correspondentie met [bewindvoeringen] (zijnde de bewindvoerder van de broer van [eisende partij] [broer 1] ) te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte daarvan dat zij hiermee in gebreke blijft;
VII. een afschrift van de aan [eisende partij] gestuurde facturen van in ieder geval 2025 en 2026 te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte daarvan dat zij hiermee in gebreke blijft;
VIII. een afschrift van de correspondentie met [woonlocatie] (zijnde de woonlocatie van [eisende partij] ) te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte daarvan dat zij hiermee in gebreke blijft;
IX.
- in beide procedures [bewindvoerder] te veroordelen in de proceskosten.
[eisende partij] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. Hoewel [bewindvoerder] volgens [eisende partij] erkent dat zij een afschrift van het dossier aan [eisende partij] moet verstrekken doet zij dit niet en stelt zij hieraan de voorwaarde van een gesprek met [eisende partij] . [eisende partij] heeft recht op afgifte van een kopie van haar dossier en deze voorwaarde is niet op de wet gebaseerd en onnodig. Daarnaast is er geen enkel vertrouwen van [eisende partij] in [bewindvoerder] als bewindvoerder. Het verzoek tot beëindiging van bewind en mentorschap is bij beschikking van de kantonrechter van 22 april 2026 afgewezen, maar [eisende partij] is het hier niet mee eens en zal hiertegen in hoger beroep gaan. Evenwel lijdt [eisende partij] nadeel doordat het bewind en mentorschap blijft voortbestaan. Haar gezondheid gaat drastisch achteruit als gevolg van de uitzichtloze situatie waarin zij verkeert en er wordt zelfs gevreesd dat zij als gevolg hiervan zal overlijden. Deze omstandigheden rechtvaardigen dat hoger beroep niet kan worden afgewacht maar dat [bewindvoerder] direct uit haar functies van bewindvoerder en mentor geschorst en ontslagen zal worden.
[bewindvoerder] voert verweer. Zij voert aan dat ze vaker heeft aangegeven dat zij inzage in het dossier verstrekt en wil verstrekken, echter dan wel aan de rechthebbende zelf en niet aan derden. Gesprekken worden echter onmogelijk gemaakt en [eisende partij] wordt in deze alleen maar op onnodige kosten gejaagd. Daarnaast is onlangs het verzoek tot beëindiging van het bewind en mentorschap wederom afgewezen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Voeging
De rechtbank beslist ambtshalve de zaken 12253631 \ CV EXPL 26-3015 en 12232394 \ CV EXPL 26-2734 te voegen op grond van artikel 222 lid 1 Rv, nu deze procedures tussen dezelfde partijen en over hetzelfde onderwerp voor dezelfde rechter tegelijk aanhangig zijn.
Toetsingskader
Een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Het ligt op de weg van [eisende partij] om te stellen en te onderbouwen dat zij een spoedeisend belang heeft bij de vorderingen die zij instelt. Verder is voor toewijzing van de vordering in kort geding vereist dat in voldoende mate waarschijnlijk zal zijn dat de vordering in een nog te voeren bodemprocedure zal worden toegewezen.
Zaak 12253631 \ CV EXPL 26-3015
De dagvaarding in deze zaak werd betekend op 3 juni 2026, waarna de behandeling uiteindelijk voor het eerst zou gaan plaatsvinden op 18 juni 2026 om 13:00 uur. Diezelfde dag echter meldt de gemachtigde van eiseres, mr. Voragen, zich via e-mail af. Hij verzoekt uitstel om medische redenen, waarna uiteindelijk een nieuwe datum voor behandeling wordt bepaald op 13 augustus 2026 op 14:00 uur.
Op 13 augustus 2026 laat mr. Voragen om 10:04 uur in de ochtend via e-mail weten deze zaak alsnog te willen intrekken. [bewindvoerder] q.q. is het daar echter niet mee eens. Krachtens het bepaalde in de artt. 1 en 8 van het toepasselijke ‘Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken’ zou de kantonrechter dan slechts een beslissing moeten nemen met betrekking tot de kosten van de procedure.
Mr. Voragen motiveert echter niet waarom hij niet eerder tot intrekking had kunnen besluiten. Gezien dit late moment (de dag zelf) na eerdere aanhoudingen en het verzet door [bewindvoerder] q.q., acht de kantonrechter deze late intrekking in afwijking van het procesreglement in strijd met een goede procesorde, waarna de zaak die bewuste dag werd behandeld in aanwezigheid van [bewindvoerder] q.q..
Gezien het verweer en het ontbreken van verdere toelichting wijst de kantonrechter de vordering tot schorsing van [bewindvoerder] q.q. als bewindvoerder en mentor af. Voor zover al ontvankelijk, acht de kantonrechter geen spoedeisend belang aanwezig bij gebrek aan voldoende onderbouwing. Immers bij beschikking van 22 april 2026 werd een verzoek tot ontslag van [bewindvoerder] q.q. als bewindvoerder en mentor zeer recent door de kantonrechter afgewezen en (de gemachtigde van) eiseres heeft in deze procedure geen nieuwe of andere feiten naar voren gebracht, die een dergelijke schorsing in kort geding alsnog zouden kunnen rechtvaardigen.
Er bestaat verder geen spoedeisend belang noch een grondslag voor afgifte van ‘een kopie van het dossier van [eisende partij] ’ nu [bewindvoerder] q.q. in haar kwaliteit van bewindvoerder en mentor van [eisende partij] jaarlijks aan rechthebbende [eisende partij] rekening en verantwoording aflegt ten overstaan van de kantonrechter. Indien rechthebbende niet in staat is ‘de rekening op te nemen’ wordt de rekening en verantwoording afgelegd aan de kantonrechter.
Onbetwist stelt [bewindvoerder] q.q. dit ook te doen, al geeft zij ook aan dat [eisende partij] gezien haar psychische stoornis gewoonweg niet in staat is haar financiën te bevatten. Zoals ook uit de hiervoor aangehaalde beschikking van 22 april 2026 van de kantonrechter volgt is [eisende partij] , gediagnosticeerd met een geestelijke stoornis waarvoor ook een zogenoemde CIZ indicatie is afgegeven. Gezien deze geestelijke stoornis is [bewindvoerder] q.q. ‘niet in staat keuzes te maken en knopen door te hakken. [eisende partij] kan de gevolgen van haar keuzes niet overzien.’
Volgens [bewindvoerder] q.q. hebben met name beide broers van [eisende partij] , [broer 1] en [broer 2] bijzondere interesse in de financiën van [eisende partij] en als zodanig een zeer ontregelende invloed op [eisende partij] . [bewindvoerder] q.q. in haar kwaliteit van bewindvoerder en mentor van [eisende partij] ontvangt ook zeer beledigende, intimiderende en dreigende e-mails van [broer 1] , waarvan zij in deze procedure afschriften heeft ingebracht en ook aangifte heeft gedaan.
Gezien haar ervaringen met [eisende partij] , betwijfelt [bewindvoerder] q.q. dan ook of mr. Voragen als gemachtigde wel namens dan wel in het belang van [eisende partij] optreedt in inmiddels elkaar opvolgende procedures met als enig doel het bewind en mentorschap te doen eindigen. Hierover heeft zij ook een klacht ingediend bij de Orde van Advocaten. Die klacht - zo begrijpt de kantonrechter - haalt mr. Voragen in zijn e-mail van 13 augustus 2026 om 10:04 uur als enig te vermelden reden aan om deze zaak in te trekken (Mr. Voragen:’Een der redenen daarvoor is dat mevrouw [bewindvoerder] een klacht over ondergetekende heeft ingediend. Dit kort geding wordt derhalve ingetrokken en behoeft geen behandeling ter zitting). Onduidelijk blijft waarom deze ingediende klacht dan geen aanleiding zou kunnen zijn om ook de andere, hierna te beoordelen zaak in te trekken, waarin immers voor een belangrijk deel dezelfde dan wel gelijkluidende vorderingen worden ingediend..
In de dagvaarding wordt namens [eisende partij] gesteld dat ‘geen enkele financiële informatie wordt gegeven’, dat zij heel goed in staat ‘zelfstandig eigen bankzaken, administratie en dagelijkse zaken’ te regelen, dat als gevolg van het ingesteld bewind en mentorschap er ‘misstanden zijn ontstaan’ en dat dit alles leidt tot ‘ernstige psychische, emotionele en financiële schade voor [eisende partij] , [broer 1] en [broer 2] , zijnde de broers van [eisende partij] ’.
In het licht van de eerder aangehaalde diagnose van [eisende partij] , de directe aanleiding voor het instellen van bewind en mentorschap, de stelling van [bewindvoerder] q.q. dat conform de wet rekening en verantwoording wordt afgelegd, ontbreekt verder enige onderbouwing van spoedeisendheid dan wel noodzaak tot afgifte van het dossier. Ook de gestelde uiterst positieve psychische gesteldheid van [eisende partij] wordt op geen enkele wijze (bijvoorbeeld door een verklaring van een deskundige, behandelaren en dergelijke) onderbouwd. Deze vordering wordt afgewezen.
Tenslotte kan de kantonrechter bij wege van voorlopige voorziening geen vordering tot ontslag van [bewindvoerder] q.q. als bewindvoerder en mentor toewijzen nu dit een declaratoire beslissing zou inhouden. Reeds op die grond wordt deze vordering dan ook afgewezen.
In zaak 12232394 \ CV EXPL 26-2734
Geen uitstel van de mondelinge behandeling na afmelding
In de hiervoor onder 4.4. reeds aangehaalde e-mail (13 augustus 2026 10:04 uur) van de gemachtigde van [eisende partij] , mr. Voragen, geeft deze aan dat doorgang van deze door hem aangespannen zaak geen doorgang behoeft te vinden, indien [bewindvoerder] q.q. alsnog toezegt vrijwillig het dossier dan wel de stukken aan te leveren. Diezelfde dag om 11:47 uur volgt de mededeling van mr. Voragen: ‘In aanvulling op mijn eerdere bericht van vandaag moet ik helaas mededelen dat ik zelf ook niet ter zitting kan en zal verschijnen. Ik ben helaas wederom onwel geworden.’
[bewindvoerder] q.q. verzet zich tegen dit (wederom plotselinge) tweede verzoek om verplaatsing van de behandeling. Nu mr. Voragen verder ook geen medische onderbouwing aanlevert en gezien het belang van een spoedige afdoening, mede in het kader van een goede procesorde, passeert de kantonrechter dit aanhoudingsverzoek. De zaak is die middag in het bijzijn van [bewindvoerder] q.q. behandeld.
Spoedeisend belang ontbreekt
[eisende partij] stelt ook in deze zaak dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen tot het verstrekken van afschriften door [bewindvoerder] . Daartoe voert zij aan dat ze haar financiële huishouding wil controleren om op korte termijn te bezien of [bewindvoerder] haar belangen wel goed behartigt, ze wil verhuizen en daartoe inkomensspecificaties behoeft, ze bewijs wil zien van gelden die van haar rekening zijn gehaald en ze periodiek op de hoogte gehouden wenst te worden. Het bewind duurt nu al jaren en er is nog geen enkel document in kopie verstrekt.
De vorderingen in de dagvaarding onder I tot en met V, VII en VIII, betreffen allemaal vorderingen die vallen onder de door mr. Voragen in het lichaam van de dagvaarding gebezigde term het gehele dossier. De kantonrechter zal die hieronder ook gezamenlijk behandelen en vervolgens afwijzen. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 4.7 tot en met 4.12 reeds is overwogen, kan geen spoedeisendheid noch een deugdelijke grondslag worden aangenomen met betrekking tot stukken aangaande de financiën van [eisende partij] . In de recente beschikking van 22 april 2026, waarbij het laatste verzoek tot opheffing van het bewind en mentorschap wederom werd afgewezen, wordt door de kantonrechter overwogen dat voortzetting van het bewind en mentorschap nog noodzakelijk en zinvol is en dat zij [bewindvoerder] daartoe uitermate geschikt acht voor deze complexe situatie.
Ook hier worden de stellingen met betrekking tot de gezondheidssituatie en spoedeisendheid in het geheel niet onderbouwd. Met [bewindvoerder] is de kantonrechter van oordeel dat zij ten overstaan van de kantonrechter jaarlijks rekening en verantwoording dient af te leggen en – als de rechthebbende niet in staat is ‘de rekening op te nemen’ hetgeen hier gezien de niet weerlegde onderbouwing door [bewindvoerder] het geval lijkt te zijn – aan de kantonrechter.
De spoedeisendheid en noodzaak betreffende de vorderingen in het petitum onder III (correspondentie huisarts), V (correspondentie psychiatrische instelling [zorglocatie 1] ) en VIII (correspondentie woonlocatie [woonlocatie] ) worden in de dagvaarding verder in het geheel niet toegelicht.
De vorderingen tot het verstrekken van afschriften zullen dan ook worden afgewezen.
Niet toegelicht en daarmee volstrekt onduidelijk blijft tenslotte het belang voor [eisende partij] bij de vordering in het petitum onder VI om gedaagde te gebieden binnen tien dagen na betekening een afschrift te verstrekken van de correspondentie met [bewindvoeringen] , zijnde de bewindvoerder van haar broer [broer 1], op straffe van een dwangsom.
Spoedeisendheid wordt niet gesteld of toegelicht en kan ook hier bepaald niet worden aangenomen, zodat deze vordering reeds op die grond zal worden afgewezen. Deze laatste vordering doet ook vragen rijzen over de precieze rol van mr. Voragen als gemachtigde van [eisende partij] . Helaas is het niet mogelijk geweest hem daarop te bevragen.
Proceskosten in beide zaken
[eisende partij] wordt in beide zaken in het ongelijk gesteld en wordt dan ook in de proceskosten veroordeeld. Gezien echter de bijzondere rechtsverhouding tussen partijen bepaalt de kantonrechter die kosten op nihil.
5. De beslissing
De kantonrechter
wijst in beide procedures de vorderingen van [eisende partij] af,
Dit vonnis is gewezen door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op 7 september 2026.