RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/131887-25
Datum uitspraak : 4 september 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2004 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven aan de [adres] , [postcode] te [plaats] .
Raadsman: mr. R.S.F. ten Kortenaar, advocaat in Baarn.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 29 april 2025 in de gemeente Lochem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] (hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland) opzettelijk van het leven te beroven, zijn arm met kracht om de nek van die [slachtoffer 1] heeft geplaatst en heeft vastgehouden en/of vervolgens die [slachtoffer 1] met kracht met zijn arm om haar nek aan haar nek heeft meegesleurd en/of die [slachtoffer 1] met een zwaai op de grond heeft gegooid, terwijl hij haar nek nog steeds vast had en/of vervolgens de nek van die [slachtoffer 1] heeft dichtgeknepen. terwijl zij op de grond lag en/of meermalen, in ieder geval éénmaal die [slachtoffer 1] tegen haar benen heeft getrapt, terwijl hij haar stevig om haar nek vasthield en/of vervolgens enige tijd op die [slachtoffer 1] heeft gelegen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 29 april 2025 in de gemeente Lochem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] (hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, zijn arm met kracht om de nek van die [slachtoffer 1] heeft geplaatst en heeft vastgehouden en/of vervolgens die [slachtoffer 1] met kracht met zijn arm om haar nek aan haar nek heeft meegesleurd en/of die [slachtoffer 1] met een zwaai op de grond heeft gegooid, terwijl hij haar nek nog steeds vast had en/of vervolgens de nek van die [slachtoffer 1] heeft dichtgeknepen, terwijl zij op de grond lag en/of meermalen, in ieder geval éénmaal die [slachtoffer 1] tegen haar benen heeft getrapt, terwijl hij haar stevig om haar nek vasthield en/of
vervolgens enige tijd op die [slachtoffer 1] heeft gelegen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 29 april 2025 in de gemeente Lochem, een ambtenaar, [slachtoffer 1] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening heeft mishandeld door zijn arm met kracht om de nek van die [slachtoffer 1] te plaatsen en vast te houden en/of vervolgens die [slachtoffer 1] met kracht met zijn arm om haar nek aan haar nek mee te sleuren en/of die [slachtoffer 1] met een zwaai op de grond te gooien, terwijl hij haar nek nog steeds vast had en/of vervolgens de nek van die [slachtoffer 1] dicht te knijpen, terwijl zij op de grond lag en/of meermalen, in ieder geval éénmaal die [slachtoffer 1] tegen haar benen te trappen, terwijl hij haar stevig om haar nek vasthield en/of vervolgens enige tijd op die [slachtoffer 1] te liggen;
2
hij op of omstreeks 29 april 2025 te Barchem, in de gemeente Lochem [slachtoffer 2] heeft mishandeld door meermalen, in ieder geval éénmaal, met een helm, in ieder geval een dergelijk voorwerp, die [slachtoffer 2] met kracht op zijn oogkas, in ieder geval op/tegen zijn gezicht te slaan;
3
hij op of omstreeks 29 april 2025 te Barchem, in de gemeente Lochem [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te voegen "Ik ga je doodmaken, ik ga alles in brand steken, ik kom morgen terug om de boel af te breken, ik ga jullie allemaal doodmaken en ga alles in de fik steken.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde en dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair en onder 1 subsidiair tenlastegelegde. Er is geen sprake van (voorwaardelijk) opzet en geen aanmerkelijke kans op de dood en het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel bij verbalisant [slachtoffer 1] . Ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De verdediging heeft ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde geen bewijsverweer gevoerd.
Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde heeft de verdediging vrijspraak bepleit en daartoe aangevoerd dat de getuigenverklaringen van [slachtoffer 3] en [getuige 1] onbetrouwbaar zijn en dienen te worden uitgesloten van het bewijs, waardoor er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is. De verklaring van [slachtoffer 3] verschilt op essentiële punten van de verklaring van [slachtoffer 2] . [slachtoffer 3] heeft, in tegenstelling tot [slachtoffer 2] , niet verklaard over de houdgreep en het slaan door [slachtoffer 2] . Verder zijn de verklaringen van [slachtoffer 3] en [getuige 1] identiek en zij zijn gelijktijdig gehoord, enige tijd na het incident. Zij kunnen daarom de inhoud van hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1
Bewijsmiddelen
Agent [verbalisant 1] en hoofdagent [slachtoffer 1] van de politie Eenheid Oost-Nederland hebben op 29 april 2025 een spoedmelding van een bedreiging met een mes op een camping in Barchem ontvangen. De verbalisanten zagen in de buurt van de camping een scooter rijden met daarop twee personen waarvan één persoon (verdachte) voldeed aan het signalement. De andere persoon bleek later medeverdachte [medeverdachte] te zijn. Verdachte werd gevraagd naar zijn identiteitsbewijs en verdachte voldeed daar in eerste instantie niet aan. Uiteindelijk gaf verdachte zijn identiteitsbewijs. [slachtoffer 1] hoorde dat [verbalisant 1] in een verhit gesprek met [medeverdachte] was. [verbalisant 1] heeft een arm van [medeverdachte] vastgepakt om hem te begeleiden richting het dienstvoertuig zodat hij hem kon fouilleren en [medeverdachte] heeft geprobeerd zich los te trekken. Verdachte kwam erbij staan en begon [verbalisant 1] te duwen, zodat hij [medeverdachte] kon bevrijden. Daarna ging [slachtoffer 1] tussen verdachte en [verbalisant 1] in staan en pakte [slachtoffer 1] verdachte bij zijn arm.
Op dat moment zag [slachtoffer 1] dat verdachte zijn hand naar haar keel bewoog, zijn arm om haar keel plaatste en haar met zijn arm vasthield om haar keel. [slachtoffer 1] probeerde zich los te krijgen, maar dat lukte niet. Ondertussen zag zij dat [verbalisant 1] in gevecht was met [medeverdachte] . Verdachte sleurde [slachtoffer 1] mee, terwijl hij zijn arm nog om haar keel had. [slachtoffer 1] raakte in paniek, omdat zij zich niet los kreeg. Zij voelde dat verdachte haar met een zwaai op de grond gooide, terwijl hij haar om haar keel vast had. Ze voelde dat haar keel werd dichtgeknepen en ze kon bijna niet meer ademen. Verdachte trapte ook met zijn voeten tegen haar benen aan. Verdachte was veel langer en had een stuk groter postuur dan zij. Ze heeft geprobeerd verdachte met al haar kracht van haar af te krijgen, maar dat lukte niet. Ze wist niet of ze hier levend uit zou komen. Ze stond op het punt om bijna op te geven vanwege de pijn in haar rechterelleboog, maar ze zag opeens twee mannen aan komen rennen. Zij pakten verdachte vast en wilden hem van haar af trekken. Op dat moment wist zij zich los te wringen uit de wurggreep van verdachte en de twee mannen sprongen bovenop verdachte. Daarna is verdachte geboeid en aangehouden.
Getuige [getuige 2] was samen met zijn collega (de rechtbank begrijpt: getuige [getuige 3] ) aan het werk in Lochem. Hij zag dat er werd gevochten en dat de agente het niet makkelijk had. Ze waren aan het vechten en de jongen lag bovenop haar. Hij is er met zijn collega naartoe gerend en hij kon de arm van de jongen op de rug draaien, waarna de jongen zich overgaf.
Getuige [getuige 3] was samen met zijn baas (de rechtbank begrijpt: getuige [getuige 2] ) aan het werk. Zijn baas zei tegen hem dat het niet goed ging en dat ze de politie moesten gaan helpen. Hij zag dat twee personen over de grond rolden. Beide politieagenten waren met iemand bezig. Zijn baas heeft een arm of been van de jongen gepakt en [getuige 3] heeft zijn hoofd gepakt. Daarna werd de jongen rustiger en kon hij worden geboeid.
[slachtoffer 1] had bloeduitstortingen op haar rechterbovenarm en haar linkeronderbeen. Daarnaast had zij meerdere schaafwonden op haar rechteronderarm. Verder had zij een zwelling en een blauwe plek in haar nek.
Verdachte heeft verklaard dat hij de bestuurder van de scooter was. Er ontstond een woordenwisseling en dat is uitgelopen op een gevecht. Verdachte werd vastgepakt en had de vrouwelijke agent korte tijd bij de nek vast. Hij had haar “in de houdgreep”. Hij stond naast haar en had zijn arm zijdelings om haar nek of hals geslagen.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte met kracht zijn arm om de nek van verbalisant [slachtoffer 1] heeft geplaatst, haar heeft vastgehouden, haar aan haar nek heeft meegesleurd, haar met een zwaai op de grond gegooid, haar keel/nek dicht heeft geknepen en tegen haar benen heeft getrapt, terwijl hij haar stevig vasthield om haar nek. Ook heeft verdachte enige tijd op [slachtoffer 1] gelegen. Verder stelt de rechtbank vast dat door het handelen van verdachte letsel is ontstaan bij [slachtoffer 1] , namelijk meerdere schaafwonden en blauwe plekken op haar armen en benen en een zwelling in haar nek.
De feitelijke gang van zaken lijkt daarmee wel duidelijk. [slachtoffer 1] vermeldt in haar aangifte daarnaast dat zij 1.65 m lang is en circa 55 kilo weegt terwijl Jansen een jongen is van ongeveer 1.85 lang en een breed/groot postuur heeft. De rechtbank kan dit vanuit haar waarneming ter zitting waar beiden aanwezig waren, bevestigen. Een en ander moet voor haar een zeer beangstigende en zenuwslopende ervaring zijn geweest.
De raadsman heeft erop gewezen dat de tenlastelegging in alle varianten van feit 1 rept van “nek” en niet van “hals” of “keel”. Het vasthouden en dichtknijpen van de nek kan echter niet worden gezien als verwurging met mogelijk de dood of zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.
De rechtbank overweegt als volgt.
Wat hier is gebeurd lijkt te gaan om een handeling die in het normale spraakgebruik wordt aangeduid als ‘nekklem’. Deze handeling kan worden gedefinieerd als:
“een greep waarbij de keel van een persoon in de kom van de elleboog wordt gelegd en de keel of hals (inclusief halsslagaders) wordt dichtgeknepen zodat iemand rustig wordt. Bij een nekklem wordt er druk uitgeoefend op de gewrichten en duwt het hoofd van de romp af. Een volledig uitgevoerde nekklem is gericht op het breken van de nek.”
Een langer en stringent aangehouden nekklem kan leiden tot de dood van de vastgehouden persoon of tot zwaar lichamelijk letsel als gevolg van een te langdurige onderbreking van de bloed- en zuurstoftoevoer naar de hersenen.
Echter, de rechtbank moet datgene wat zij aan de hand van bewijsmiddelen vaststelt dat is gebeurd, duiden langs de juridische lat van de tenlastelegging. Hierbij dringt zich, naar aanleiding van het verweer van de raadsman, de vraag op wat precies onder ‘nek’ moet worden verstaan.
‘Nek’, ‘hals’ en ‘keel’ zijn geen vastomlijnde begrippen. Het gaat in ieder geval om dat deel van het lichaam dat de verbinding vormt tussen hoofd en romp. Meestal wordt de achterzijde daarvan aangeduid als ‘nek’:
- “ De nek bestaat uit zeven nekwervels die samen de cervicale wervelkolom vormen”.
De voorzijde wordt vaak aangeduid als ‘hals’:
- “ De hals is anatomisch gezien het deel van een lichaam aan de borstzijde, dus tussen het hoofd en de romp. Het deel aan de rugzijde wordt nek genoemd. Bovenaan de hals zit de keel, waar de ademhaling en de voedselweg samenkomen”.
- “ In de hals komen belangrijke functies voor het lichaam samen: ademhalen, eten, drinken en spreken.”
Soms wordt één van deze benamingen ook als verzamelbegrip gebruikt en de ander als specifiek onderdeel voor de voorzijde dan wel de achterzijde van dit lichaamsdeel.
De rechtbank acht het dienstig hierbij nader in te gaan op het rapport van de Inspectie voor justitie en veiligheid, naar aanleiding van het overlijden van Mitch Henriquez tijdens diens arrestatie in juni 2015. Dit rapport vermeldt:
“Het is geen eenduidige term: dé nekklem bestaat niet. De onderzochte organisaties verstaan er verschillende technieken onder. Gemeenschappelijk kenmerk is dat de uitvoerder probeert controle te krijgen over een persoon door met een arm de nek van die persoon te omvatten. De techniek kan het enkele doel hebben om te fixeren of te sturen: de uitvoerder omvat de nek met de bedoeling het hoofd vast te zetten of via het hoofd het lichaam te sturen, bijvoorbeeld naar de grond. Het kan echter ook gaan om verwurgingstechnieken: dan omvat de uitvoerder de nek zodanig dat de luchttoevoer of de bloedtoevoer naar het hoofd wordt belemmerd. Dit aspect van verwurging plaatst de nekklem vanwege de mogelijke risico’s in een bijzonder perspectief.” (p. 9)
“De uitvoerder kan ook van achteren met de arm de voorkant van de nek van de betrokkene omvatten. Wanneer deze omvatting zodanig wordt uitgevoerd dat met onder- en bovenarm beide slagaders worden dichtgeknepen, wordt de bloedtoevoer naar het hoofd bijna geheel gestremd. De uitvoerder kan de nek ook zodanig met de arm omvatten dat de luchtpijp wordt bekneld en daardoor de luchttoevoer wordt belemmerd. Dit kan worden bereikt door van achteren de onderarm tegen de keel te leggen en kracht uit te oefenen.” (p. 10)
Op basis van het voorgaande overweegt de rechtbank, toegepast op deze zaak, dat de nek de feitelijke aanduiding is van de plek waar de handeling van verdachte heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft [slachtoffer 1] van achteren, bij haar nek, vastgepakt door een arm om haar nek heen te doen en kracht te zetten, wat, zoals verder naar boven al wordt overwogen, als een nekklem kan worden aangeduid. Onder “het dichtknijpen van de nek” zoals ten laste gelegd kan - gelet op de hierboven aangehaalde toelichting uit het inspectierapport – redelijkerwijs worden begrepen een fysieke handeling waarbij het nekgebied wordt samengedrukt. De tenlastelegging hoeft niet de anatomische (mogelijke) consequenties van die handeling afzonderlijk te beschrijven. Het leggen van een arm om de nek kan druk aan de voorzijde van de nek (keel/hals) tot effect hebben. Wat er anatomisch door de handeling wordt geraakt, is de uitwerking van die (gewelds)handeling. Bij het dichtdrukken van de nek kunnen verschillende structuren worden samengedrukt of belemmerd. Dat kan bijvoorbeeld betrekking hebben op de luchtpijp, de halsslagaders of andere structuren in het nekgebied.
Anders dan de verdediging heeft betoogd, wordt door het (enkel) noemen van de nek niet een andere geweldshandeling ten laste gelegd; het betreft de wijze waarop de ten laste gelegde handeling op het lichaam uitwerkt. Dat in de tenlastelegging niet tevens het woord “keel” staat, staat daarom aan een bewezenverklaring niet in de weg. Er wordt dan geen andere gedraging bewezen verklaard dan die ten laste is gelegd.
Poging tot doodslag of zware mishandeling (het primair en subsidiair tenlastegelegde)
Voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag of zware mishandeling is vereist dat verdachte met zijn handelen een aanmerkelijke kans op het overlijden dan wel toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] in het leven heeft geroepen en dat hij deze kans bewust heeft aanvaard. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het voorgaande dat verdachte zijn arm dusdanig stevig om de keel van [slachtoffer 1] heeft geklemd dat haar keel werd dichtgedrukt. Niet elk dichtdrukken van de keel levert echter zonder meer een aanmerkelijke kans op overlijden dan wel zwaar lichamelijk letsel op. Daarvoor is van belang dat kan worden vastgesteld met welke kracht en intensiteit het dichtdrukken van de keel heeft plaatsgevonden en hoe lang dit dichtdrukken heeft geduurd.
De officier van justitie heeft tijdens zijn requisitoir verwezen naar een lopend forensisch medisch onderzoek waaruit zou kunnen blijken dat verwurging niet altijd van buitenaf zichtbare tekens of verwondingen achterlaat zodat uit het ontbreken daarvan geen conclusies kunnen worden getrokken. Aan deze enkele opmerking komt echter geen enkele bewijskracht toe.
Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat niet vastgesteld kan worden dat verdachte met zijn handelen daadwerkelijk een aanmerkelijke kans op het overlijden dan wel zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] in het leven heeft geroepen en - zo die kans zou hebben bestaan - dat hij deze kans, gelet op de context van zijn handelen, ook bewust heeft aanvaard. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het primair en subsidiair tenlastegelegde.
Mishandeling (het meer subsidiair ten laste gelegde)
De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] tijdens haar werkzaamheden heeft mishandeld door haar nek vast te pakken en te houden, haar mee te sleuren terwijl hij haar vasthield aan haar nek, het met een zwaai op de grond gooien van haar terwijl hij haar vasthield aan haar nek, haar nek dicht te knijpen en haar te trappen en op haar te liggen.
Feiten 2 en 3
Bewijsmiddelen
[slachtoffer 2] heeft aangifte gedaan van een mishandeling en bedreiging in Barchem op 29 april 2025. De zoon van aangever (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 3] [slachtoffer 2] ) en een vriend van [slachtoffer 3] waren bij het chalet van aangever. [slachtoffer 3] belde aangever dat verdachte op de bank lag te slapen. Aangever maakte hem wakker en verdachte werd gelijk boos. Toen hij buiten het chalet was, werd hij agressief. Er ontstond een discussie tussen aangever en verdachte. Aangever heeft verdachte een kleine duw gegeven en zei tegen hem dat hij weg moest gaan. Verdachte deed zijn helm van zijn hoofd en hij begon te dreigen met woorden zoals ‘ik ben niet bang voor je’. Vervolgens haalde verdachte uit met zijn helm naar het hoofd van aangever. Aangever werd links op zijn hoofd geraakt, net boven zijn oogkas. De oogkas van aangever is daarna dik geworden. Daarna heeft aangever verdachte wat tikken op zijn gezicht gegeven en hem in een houdgreep gepakt. Toen hij verdachte losliet, riep verdachte dat hij aangever dood ging maken. Hij zei dat hij alles in brand ging steken en dat hij een dag later terug zou komen om de boel af te breken. Hij dreigde ook een mes te pakken en hij greep naar zijn borstzak. Toen heeft aangever verdachte weer in een houdgreep gepakt. Op een gegeven moment liet aangever verdachte weer los, in de hoop dat hij wat rustiger was. Verdachte bleef aangever bedreigen en zei dat hij hen allemaal dood zou maken en dat hij alles in de fik zou steken. Later reed verdachte weg op de scooter.
[slachtoffer 3] [slachtoffer 2] heeft een getuigenverklaring afgelegd. Zijn vader, [slachtoffer 2] , heeft verdachte vriendelijk verzocht het terrein te verlaten. Verdachte gaf echter steeds een grote mond en uiteindelijk werd verdachte heel agressief. Er ontstond een woordenwisseling en verdachte begon [slachtoffer 2] te duwen. Die duwde verdachte terug en vervolgens sloeg verdachte meerdere keren tegen het hoofd van [slachtoffer 2] met zijn helm. [slachtoffer 2] heeft verdachte toen teruggeslagen en vastgepakt. Toen verdachte wat rustiger was, heeft hij hem losgelaten en heeft verdachte [slachtoffer 2] geslagen met zijn helm. Daarna heeft [slachtoffer 2] verdachte tegen de woning aan gedrukt om hem te kalmeren. Verdachte schreeuwde dat hij een mes had en dat hij hem neer zou steken. Iets later werd verdachte weer boos en schreeuwde hij dat hij een dag later terug zou komen en dat hij hem dood zou maken als hij hem tegen komt. Ook zei hij ”ik steek jullie huis in brand en zoek je nog op”.
Getuige [getuige 1] , een vriend van [slachtoffer 3] [slachtoffer 2] , heeft verklaard dat [slachtoffer 2] , verdachte wakker heeft gemaakt en dat verdachte direct agressief reageerde. Buiten heeft verdachte de vader van [slachtoffer 3] geduwd en hem een klap met een scooterhelm gegeven. Getuige zag dat de vader van [slachtoffer 3] op zijn gezicht werd geraakt. Vervolgens heeft verdachte de vader van [slachtoffer 3] met een vuist geslagen. Het oog van [slachtoffer 3] vader is blauw geworden. De vader van [slachtoffer 3] pakte verdachte in een houdgreep en verdachte zei dat hij hem ging neersteken met een mes. Verdachte had op dat moment zijn hand in zijn broekzak, maar hij kreeg deze er niet uit omdat hij in een houdgreep werd gehouden. Vervolgens liet de vader van [slachtoffer 3] verdachte los. [getuige 1] hoorde verdachte schreeuwen dat hij [slachtoffer 3] [slachtoffer 2] en [getuige 1] dood ging maken en dat hij een dag later terug ging komen om de boel in de fik te steken en hen dood te maken.
Bewijsoverwegingen
Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat verdachte [slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem met een helm tegen zijn oogkas te slaan en dat verdachte [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] [slachtoffer 2] heeft bedreigd.
Ten aanzien van het verweer van de raadsman dat de verklaringen van [slachtoffer 3] [slachtoffer 2] en [getuige 1] dienen te worden uitgesloten van het bewijs overweegt de rechtbank het volgende. Het enkele feit dat verklaringen op punten tegenstrijdigheden laten zien, maakt deze verklaringen op zichzelf nog niet onbetrouwbaar.
De verklaringen ondersteunen elkaar in grote lijnen. Afwijkingen op details betekenen niet dat de verklaringen meteen onjuist en onbetrouwbaar zijn.
Voorwaardelijk verzoek horen getuigen
De verdediging heeft bij pleidooi een voorwaardelijk verzoek gedaan voor het geval de rechtbank de verklaringen van [slachtoffer 3] [slachtoffer 2] en [getuige 1] niet uitsluit van het bewijs. Onder deze voorwaarde is verzocht om het onderzoek te heropenen en [slachtoffer 3] [slachtoffer 2] en [getuige 1] alsnog te horen als getuige.
De rechtbank merkt op dat de verdediging ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om onderzoekwensen in te dienen naar aanleiding van de bevindingen in het politieonderzoek. Ook heeft de officier van justitie op 21 oktober 2025 per brief de raadsman verzocht eventuele onderzoekwensen in te dienen. Verder heeft de raadsman niet om het horen van deze getuigen verzocht bij de rechter-commissaris en ook niet in de aanloop naar de inhoudelijke zitting van 21 augustus 2026, maar pas bij pleidooi in de vorm van een voorwaardelijk verzoek. Hiermee heeft de verdediging verzuimd in voldoende mate het nodige initiatief te tonen om het ondervragingsrecht te kunnen uitoefenen. De rechtbank acht het verzoek van de verdediging in deze fase en tegen die achtergrond in strijd met de goede procesorde en is dan ook van oordeel dat alle omstandigheden in aanmerking genomen de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het 1 meer subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1 meer subsidiair
hij op of omstreeks 29 april 2025 in de gemeente Lochem, een ambtenaar, [slachtoffer 1] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening heeft mishandeld door zijn arm met kracht om de nek van die [slachtoffer 1] te plaatsen en vast te houden en/of vervolgens die [slachtoffer 1] met kracht met zijn arm om haar nek aan haar nek mee te sleuren en/of die [slachtoffer 1] met een zwaai op de grond te gooien, terwijl hij haar nek nog steeds vast had en/of vervolgens de nek van die [slachtoffer 1] dicht te knijpen, terwijl zij op de grond lag en/of meermalen, in ieder geval éénmaal die [slachtoffer 1] tegen haar benen te trappen, terwijl hij haar stevig om haar nek vasthield en/of vervolgens enige tijd op die [slachtoffer 1] te liggen;
2
hij op of omstreeks 29 april 2025 te Barchem, in de gemeente Lochem [slachtoffer 2] heeft mishandeld door meermalen, in ieder geval éénmaal, met een helm, in ieder geval een dergelijk voorwerp, die [slachtoffer 2] met kracht op zijn oogkas, in ieder geval op/tegen zijn gezicht te slaan;
3
hij op of omstreeks 29 april 2025 te Barchem, in de gemeente Lochem [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te voegen "Ik ga je doodmaken, ik ga alles in brand steken, ik kom morgen terug om de boel af te breken, ik ga jullie allemaal doodmaken en ga alles in de fik steken.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1 meer subsidiair:
mishandeling, gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
feit 2:
mishandeling.
feit 3:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd ;
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gesteld dat verdachte, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt voor feit 2, een geslaagd beroep op noodweer toekomt. Er was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door aangever [slachtoffer 2] . Aangever heeft geweld gebruikt zonder dat daartoe een noodzaak bestond, waardoor bij verdachte een terecht angst ontstond dat aangever nogmaals geweld zou gebruiken. Verdachte moest zichzelf wel verdedigen om zijn eigen veiligheid te kunnen garanderen. Ook is er geen sprake van een buitenproportionele reactie.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beroep op noodweer door de verdediging.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat er sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed, waartegen een noodzakelijke verdediging is geboden. Deze verdediging mag voorts de grenzen van de subsidiariteit en proportionaliteit niet overschrijden. Voor het slagen van een beroep op noodweer is voldoende dat de verdediging aannemelijk maakt dat de feitelijke omstandigheden die zo’n situatie opleveren zich hebben voorgedaan. De rechtbank vindt dat daarvan in het onderhavige geval geen sprake is en overweegt hiertoe als volgt.
Het door de verdediging aangevoerde scenario dat verdachte zich moest verdedigen tegen aangever vindt geen steun in de overige bewijsmiddelen. Verdachte bevond zich in de woning van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] [slachtoffer 2] . Hem werd gevraagd weg te gaan, maar dat deed hij niet. Daarmee heeft verdachte een illegale situatie gecreëerd. De rechthebbende of iemand namens hem heeft de vordering om de woning te verlaten kracht bijgezet door hem naar buiten te duwen. Verdachte had weg kunnen gaan op de momenten dat hij niet werd vastgehouden door aangever. Ook ervan uitgaande dat aangever verdachte een duw gaf, betekent niet dat zodanige noodweersituatie ontstond dat verdachte zich moest verweren en niet kon onttrekken, laat staan dat hij zich mocht verdedigen door met een helm te slaan.
De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer.
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht geen onvoorwaardelijke straf op te leggen langer dan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en heeft verzocht een voorwaardelijk strafdeel op te leggen met als bijzondere voorwaarde klinische opname in een verslavingskliniek.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee mishandelingen en een bedreiging. Eén mishandeling was gericht tegen een politieagente terwijl zij aan het werk was. Verdachte heeft de politieagente in een nekklem gehouden, haar zo meegesleurd en op de grond gegooid, en haar ook nog getrapt en op haar gelegen. Zij heeft deze situatie als heel bedreigend ervaren en gevreesd voor haar leven. Terwijl zij gewoon haar werk deed en er voor dit buitensporige geweld geen aanleiding was. Daarnaast heeft hij de eigenaar van een chalet op een camping, waar hij lag te slapen en niet wakker was te krijgen, mishandeld en die eigenaar en zijn zoon bedreigd.
Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank allereerst gelet op het strafblad van 30 juni 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in 2023 is veroordeeld voor een poging tot zware mishandeling.
Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 7 november 2025. Hieruit blijkt het volgende. Verdachte heeft een belast verleden en heeft geen vangnet om zich heen, behoudens de betrokken hulpverlening. Hij kampt al jaren met een ernstige drugsverslaving en heeft als gevolg daarvan financiële problemen en een negatief sociaal netwerk. Diverse pogingen om zijn drugsgebruik via ambulante behandeling en kortdurende klinische behandeling te laten stoppen zijn niet gelukt. De reclassering vindt het psychosociaal functioneren van verdachte reden tot zorg. Er zijn signalen dat er sprake is van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. De reclassering ziet dat verdachte vol wantrouwen in het leven staat en hij heeft in een gesprek met de reclassering laten weten dat hij weinig waarde aan het leven hecht. Suïcidale gedachten en handelingen zijn hem niet vreemd. Verdachte is impulsief en heeft beperkte handelingsvaardigheden. De reclassering ziet op basis van de ervaringen binnen het toezicht enkel nog mogelijkheden binnen een klinisch zorgtraject.
In het kader van een eerdere strafzaak is verdachte geplaatst in FVK [kliniek] . De reclassering heeft geadviseerd het volwassenenstrafrecht toe te passen en een voorwaardelijke straf op te leggen met de bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij reclassering, opname in een zorginstelling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang en meewerken aan middelencontrole.
Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gedeeld dat hij recent informatie heeft ontvangen van de reclassering. De reclassering heeft in de eerder genoemde strafzaak, waarin verdachte was geplaatst in FVK [kliniek] , de zaak van verdachte terug gemeld nadat een paar dagen voorafgaand aan de zitting een incident heeft plaatsgevonden. Verdachte is naar aanleiding van het incident niet meer welkom bij FVK [kliniek] en er is een vordering tenuitvoerlegging ingediend voor de voorwaardelijke opgelegde straf, waarbij de klinische opname als bijzondere voorwaarde is opgelegd. De reclassering ziet geen mogelijkheden meer voor reclasseringsinterventies. De raadsman heeft deze stand van zaken bevestigd. Daarmee is het wederom opleggen van een behandelingstraject op dit moment niet meer aan de orde.
De rechtbank overweegt dat de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) wat betreft bedreiging uitgaan van een geldboete van € 350,00 en wat betreft mishandeling met lichamelijk letsel uitgaan van een geldboete van €1.000,00. Tevens staat vermeld dat voor strafverzwaring kan aanleiding zijn als het feit is gepleegd tegen een slachtoffer in het kader van de uitoefening van werkzaamheden in het publieke domein. De rechtbank weegt mee dat sprake is van recidive en dat verdachte ernstig geweld heeft gebruikt ten opzichte van een politieagent. De rechtbank vindt de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend, mede omdat de rechtbank tot een minder vergaande bewezenverklaring komt dan de officier van justitie. Alles overwegende acht de rechtbank een taakstraf van 100 uren passend, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
8. De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in verband met het onder 1 ten laste gelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 93,69 aan materiële schade (kosten eigen risico zorgverzekering) en € 1.500,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de gevorderde materiële schade en heeft ten aanzien van de immateriële schade gesteld dat het toe te wijzen bedrag van de vordering dient te worden gematigd tot een bedrag van € 250,00.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank overweegt dat de materiële schade niet is betwist en voldoende is onderbouwd en redelijk voor komt. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de materiële schade kan worden toegewezen.
Smartengeld
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.
Door de mishandeling heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel in de vorm van blauwe plekken en schaafwonden opgelopen. Verder was er sprake van een bijzonder bedreigende situatie waarin de benadeelde partij voor haar leven vreesde. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Dat verdachte wordt vrijgesproken van de primaire en subsidiaire variant doet geen afbreuk aan de omstandigheden waaronder de bewezen verklaarde mishandeling heeft plaatsgevonden.
De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 750,00 vaststellen.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Verdachte is vanaf 29 april 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag aan smartengeld verschuldigd en vanaf 19 mei 2025 over het toegewezen bedrag aan materiële schade.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9. De beoordeling van het beslag
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen helm verbeurd dient te worden verklaard, omdat verdachte feit 2 daarmee heeft gepleegd.
De verdediging heeft zich ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank zal de helm die aan verdachte toebehoort en met betrekking tot welke feit 2 is begaan verbeurd verklaren.
10. De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 08/280336-22)
De politierechter van de rechtbank Overijssel heeft verdachte op 17 augustus 2023 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand.
Standpunten
De officier van justitie heeft verzocht om afwijzing van de vordering, omdat op 9 september 2026 de behandeling van de vordering tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijke straf gepland staat.
De raadsman heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen, nu de vordering tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf wegens de schending van de bijzondere voorwaarden (in verband met de eerder vermelde opname in FVK [kliniek] en het incident aldaar) op korte termijn wordt behandeld door de rechtbank Almelo.
11. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 33, 33a, 36f, 57, 63, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
12. De beslissing
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten;
verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 meer subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op een taakstraf van 100 (honderd) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen;
beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Overijssel van 17 augustus 2023 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 1 maand af (parketnummer 08/280336-22);
verklaart verbeurd de helm;
heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.H. Hovens (voorzitter), mr. J.M. Breimer en
mr. R.D. Leen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Fliert, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 september 2026.
Mr. F.J.H. Hovens is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.