RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/131891-25
Datum uitspraak : 4 september 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2002 in [geboorteplaats] ,
verblijvende aan de [adres] , [postcode] te [plaats] .
Raadsvrouw: mr. R.M. Bissumbhar, advocaat in Barneveld.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 29 april 2025 in de gemeente Lochem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] (agent van politie Eenheid Oost-Nederland) opzettelijk van het leven te beroven, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag met kracht zijn, verdachtes, arm om de nek van die [slachtoffer] heeft gelegd en die [slachtoffer] vervolgens met kracht heeft vastgehouden en/of een armklem om de nek van die [slachtoffer] heeft aangezet en vervolgens meermalen, in ieder geval éénmaal, met kracht de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgedrukt/dichtgeknepen (waardoor de adamsappel in de keel van die [slachtoffer] werd gedrukt), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 29 april 2025 in de gemeente Lochem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] (agent van politie Eenheid Oost-Nederland)
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag met kracht zijn, verdachtes, arm om de nek van die [slachtoffer] heeft gelegd en die [slachtoffer] vervolgens met kracht heeft vastgehouden en/of een armklem om de nek van die [slachtoffer] heeft aangezet en vervolgens meermalen, in ieder geval éénmaal, met kracht de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgedrukt/dichtgeknepen (waardoor de adamsappel in de keel van die [slachtoffer]
werd gedrukt), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 29 april 2025 in de gemeente Lochem, een ambtenaar, [slachtoffer] (agent van politie Eenheid Oost-Nederland), gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door terwijl die [slachtoffer] op de grond lag met kracht zijn, verdachtes, arm om de nek van die [slachtoffer] te leggen en die [slachtoffer] vervolgens met kracht vast te houden en/of een armklem om de nek van die [slachtoffer] aan te zetten en vervolgens meermalen, in ieder geval éénmaal, met kracht de keel van die [slachtoffer] dicht te drukken/knijpen (waardoor de adamsappel in de keel van die [slachtoffer] werd gedrukt).
2. De ontvankelijkheid van de officier van justitie
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte, omdat sprake is van een zodanige ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Het openbaar ministerie heeft geen openheid verschaft over de medische behandeling van verdachte en het toegebrachte permanente letsel aan verdachte door verbalisant [slachtoffer] . Daarnaast heeft [slachtoffer] aan verdachte tijdens het incident de toezegging gedaan dat hij op verzoek van verdachte een supervisor erbij zou halen. Verder heeft verdachte op een kalme manier gereageerd en er zijn meerdere uitspraken van verdachte niet geverbaliseerd in het proces-verbaal van de bodycambeelden van [slachtoffer] . Voorts heeft [slachtoffer] een stroomstootwapen de eerste keer onnodig getrokken en was bij het gebruik van het stroomstootwapen een harde klap van het hoofd van verdachte op de stenen hoorbaar. [slachtoffer] heeft een tweede keer zijn stroomstootwapen gebruikt, terwijl verdachte al op de grond lag. Hij kon toen geen gevolg geven aan de opdracht van [slachtoffer] om zich om te draaien als gevolg van het gebruik van het stroomstootwapen daarvoor. Er was sprake van disproportioneel politiegeweld.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde. Indien wel sprake zou zijn van een vormverzuim, dan zou niet-ontvankelijkheid niet het rechtsgevolg moeten zijn. Het waren juist de beide verdachten die onaanvaardbaar geweld hebben gebruikt tegen twee politieagenten.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging als in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) voorzien rechtsgevolg van een onherstelbaar vormverzuim slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt. Daarvoor is alleen plaats ingeval het in het voorbereidend onderzoek begane vormverzuim daarin bestaat dat door met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat in de bewoordingen van het Europees Hof voor de rechten van de mens “the proceedings as a whole were not fair” (o.a. HR 8 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1965).
Indien de vormverzuimen zijn hersteld zodat per saldo wel sprake is van een eerlijk proces, is niet-ontvankelijkverklaring niet meer aan de orde, maar kan wel strafvermindering plaatsvinden (HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889; NJ 2021/169 m.nt. Jörg).
Op grond van het dossier stelt de rechtbank het volgende vast. Verbalisanten [slachtoffer] en [verbalisant 1] hebben een spoedmelding van een bedreiging met een mes op camping de Heksenlaak in Barchem ontvangen. Zij zagen een scooter rijden met twee personen waarvan één persoon, later bleek medeverdachte [medeverdachte] , voldeed aan het signalement. De andere persoon bleek later verdachte te zijn. Verdachte werd gevraagd naar zijn identiteitsbewijs. Verdachte weigerde een identiteitsbewijs te laten zien en wilde ook niet meewerken aan fouillering ter vaststelling van zijn identiteit. [slachtoffer] heeft een arm van verdachte vastgepakt om hem te begeleiden richting het dienstvoertuig en verdachte heeft geprobeerd zich los te trekken. [slachtoffer] besloot verdachte te fixeren, sloeg een arm om hem heen en belandde met zijn rechterzij op verdachte op de grond. Hij voelde dat hij een arm om zijn keel kreeg, die verdachte aanzette. [slachtoffer] zat toen in een wurggreep en deed er alles aan om los te komen. Verdachte zette zijn arm nog meer aan, waardoor de adamsappel van [slachtoffer] in zijn keel werd gedrukt en [slachtoffer] zonder lucht kwam te zitten. Op een gegeven moment kon [slachtoffer] loskomen van de wurggreep. [slachtoffer] heeft tegen verdachte gezegd dat hij op de grond moest blijven liggen, maar verdachte stond op. Toen heeft [slachtoffer] zijn stroomstootwapen uit zijn holster gehaald en op verdachte gericht. [slachtoffer] zei tegen verdachte dat hij op zijn buik moest gaan liggen, maar verdachte voldeed daar meermalen niet aan. [slachtoffer] heeft de trekker van het stroomstootwapen overgehaald en verdachte viel achterover op de grond. Daarna zei [slachtoffer] opnieuw tegen verdachte dat hij op zijn buik moest gaan liggen, maar hier gaf verdachte wederom geen gehoor aan. [slachtoffer] heeft toen nog een keer stroom toegediend. Vervolgens probeerde verdachte op zijn buik te gaan liggen. Daarna is hij geboeid en aangehouden.
De rechtbank merkt op dat ten tijde van het onderzoek naar de identiteit van verdachte geen sprake was van een verdenking van verdachte met betrekking tot de mishandeling en bedreiging op de camping. Anders dan de raadsvrouw kennelijk veronderstelt, is voor het vragen om een identiteitsbewijs ook geen verdenking van een concreet strafbaar feit vereist. Aangezien medeverdachte [medeverdachte] voldeed aan het signalement, en verdachte samen met hem op een scooter zat, werd ook naar het identiteitsbewijs van verdachte gevraagd.
Een afspraak tussen [slachtoffer] en verdachte dat zou worden gewacht tot er een ‘supervisor’ zou zijn, is niet komen vast te staan en kan ook in het bijzonder niet worden afgeleid uit het woordje “prima” dat [slachtoffer] zou hebben gezegd toen hij terug liep en verdachte blijft weigeren zijn identiteitskaart te tonen. De rechtbank merkt op dat geen enkele verbalisant verplicht is een dergelijk verzoek van een staande gehouden burger uit te voeren en het is in werkelijkheid ook moeilijk voorstelbaar dat een staande gehouden burger opdrachten kan geven aan de verbalisant.
Ten aanzien van het gebruik van het stroomstootwapen merkt de rechtbank het volgende op. Er was sprake van een gevaarlijke situatie gezien de context van een melding van een bedreiging met een mes, twee verbalisanten die tegenover verdachte en medeverdachte [medeverdachte] stonden en de wurggreep van verdachte bij [slachtoffer] enerzijds en de nekklem van [medeverdachte] bij [verbalisant 1] anderzijds. Verdachte heeft meermalen niet voldaan aan verzoeken van [slachtoffer] en [slachtoffer] heeft, nadat hij loskwam uit de wurggreep van verdachte, gepoogd verdachte buiten gevecht te stellen. De rechtbank oordeelt dat [slachtoffer] gelet op de feiten en omstandigheden niet in strijd met de Politiewet 2012 en de Ambtsinstructie heeft gehandeld. Er is dus geen sprake van een vormverzuim ten aanzien van het eerste gebruik van het stroomstootwapen.
Na het eerste gebruik van het stroomstootwapen heeft verdachte de bevelen van [slachtoffer] wederom niet opgevolgd. Het voor de tweede keer overhalen van de trekker van het stroomstootwapen door [slachtoffer] was mogelijkerwijs niet noodzakelijk, maar het handelen van [slachtoffer] is naar oordeel van de rechtbank, gelet op de context, niet van dien aard dat sprake is van een vormverzuim.
Een tweede argument voor het verweer over de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie is gelegen in de vermeende gebrekkige informatievoorziening over het letsel van verdachte als gevolg van het gebruik van het stroomstootwapen. Het openbaar ministerie zou meerdere malen geweigerd hebben hierover informatie op te vragen en mede te delen aan de verdediging. Verdachte [verdachte] zou na zijn aanhouding ter controle naar het Gelre ziekenhuis in Zutphen zijn overgebracht (proces-verbaal van bevindingen, p. 175). Hijzelf zegt echter niets van een verblijf of van medisch onderzoek in het ziekenhuis die dag te kunnen herinneren. Het proces-verbaal van bevindingen van 2 december 2025 (nummer 202512160916.BEV) vermeldt dat het Gelre ziekenhuis te Zutphen, bij navraag hieromtrent door de politie, echter heeft laten weten dat van verdachte geen informatie bekend is op datum 29 april 2025.
Dan zou verdachte op het politiebureau zijn bezocht door een arts van de GGD Oost-Nederland, kennelijk met het oog op de vraag of er medische beletselen waren voor verhoor. Hierover vermeldt hetzelfde proces verbaal: “Het onderzoeksteam nam contact op met GGD Oost Nederland, met het verzoek om medische informatie van verdachte [verdachte] . Er werd gesproken met een GGD- arts ( [arts] ) welke aangaf dat GGD Oost Nederland geen gegevens aan de politie gaat verstreken over betreffende verdachte. GGD-arts gaf aan dat verdachte zelf of middels zijn advocaat deze informatie kan opvragen.”
Anders dan de raadsvrouw beweert, heeft de politie dus wel degelijk onderzoek gedaan en daarover gerapporteerd. De omstandigheden dat de verdediging zelf ook geen bruikbare medische informatie boven water heeft kunnen krijgen, kan zij niet het openbaar ministerie verwijten.
De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van vormverzuimen met betrekking tot het handelen van [slachtoffer] . De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte.
3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde en dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Er is geen sprake van (voorwaardelijk) opzet en geen aanmerkelijke kans op de dood en het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] . Ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging bepleit dat [slachtoffer] niet in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening handelde, omdat verdachte geen verdachte was in de zin van artikel 27 Sv. Verder heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het dossier niet volledig is. Verdachte heeft letsel opgelopen doordat hij is getaserd. De raadsvrouw heeft geprobeerd medische stukken daaromtrent te ontvangen, maar dat niet is gelukt.
Beoordeling door de rechtbank
Bewijsmiddelen
Agent [slachtoffer] en hoofdagent [verbalisant 1] van de politie Eenheid Oost-Nederland hebben op 29 april 2025 een spoedmelding van een bedreiging met een mes op een camping ontvangen. De verbalisanten zagen in de buurt van de camping een scooter rijden met daarop twee personen waarvan één persoon (medeverdachte [medeverdachte] ) voldeed aan het signalement. De andere persoon bleek later verdachte te zijn. [slachtoffer] heeft toen zijn bodycam aangezet. Verdachte werd gevraagd naar zijn identiteitsbewijs en verdachte voldeed daar niet aan. Verdachte wilde niet meewerken aan fouillering en [slachtoffer] heeft een arm van verdachte vastgepakt om hem te begeleiden richting het dienstvoertuig zodat hij hem kon fouilleren. Verdachte heeft geprobeerd zich los te trekken. [slachtoffer] besloot verdachte te fixeren, sloeg een arm om hem heen en probeerde verdachte naar de grond te krijgen door zijn gewicht in te zetten. Verdachte belandde op de grond en [slachtoffer] belandde met zijn rechterzij op verdachte. Hij voelde vervolgens dat hij een arm om zijn keel kreeg, die verdachte aanzette. [slachtoffer] zat toen in een wurggreep en deed er alles aan om los te komen. Verdachte zette zijn arm nog meer aan, waardoor de adamsappel van [slachtoffer] zijn keel in werd gedrukt en [slachtoffer] zonder lucht kwam te zitten. Daaropvolgend heeft [slachtoffer] verdachte klappen gegeven in zijn nekstreek, want hij kon daar alleen bij. Op een gegeven moment kon [slachtoffer] loskomen van de wurggreep. [slachtoffer] heeft tegen verdachte gezegd dat hij op de grond moest blijven liggen, maar verdachte stond op. Toen heeft [slachtoffer] zijn stroomstootwapen uit zijn holster gehaald en op verdachte gericht. [slachtoffer] zei tegen verdachte dat hij op zijn buik moest gaan liggen, maar verdachte voldeed daar niet aan. [slachtoffer] heeft de trekker overgehaald en verdachte viel achterover op de grond. Daarna zei [slachtoffer] opnieuw tegen verdachte dat hij op zijn buik moest gaan liggen, maar hier gaf verdachte wederom geen gehoor aan. [slachtoffer] heeft toen nog een keer stroom toegediend. Vervolgens probeerde verdachte op zijn buik te gaan liggen. Daarna is verdachte geboeid en aangehouden.
De bodycambeelden zijn bekeken door een verbalisant en daarop is te zien dat [verbalisant 1] en [slachtoffer] verdachte en [medeverdachte] meerdere keren om hun identiteitsbewijs vragen. Verdachte voldoet daar niet aan. [slachtoffer] zegt daarna tegen verdachte dat hij hem gaat fouilleren en dat hij zijn handen tegen de auto moet zetten. [slachtoffer] pakt verdachte vast, waarna [medeverdachte] zich ermee bemoeit en wordt weggetrokken door [verbalisant 1] . Verdachte wordt tegen de achterkant van de politieauto gedrukt, terwijl [medeverdachte] achter hem staat. Verdachte probeert zich los te rukken door met zijn armen te zwaaien. Er ontstaat een worsteling tussen verdachte en [slachtoffer] , waarbij [slachtoffer] op de grond terechtkomt. Verdachte is even niet zichtbaar, maar even later zit verdachte boven op [slachtoffer] . [slachtoffer] roept: 'los! los!’ Verdachte zegt daarop: ‘ja, ja, oké. laat me.’ [slachtoffer] staat op, richt zijn taser op verdachte en roept: ‘omdraaien, op je buik liggen.’ Verdachte roept: ‘wacht!’ waarop [slachtoffer] opnieuw zegt: ‘op je buik.’ Verdachte zegt: 'wacht dan, mijn slippers.’ [slachtoffer] waarschuwt: ‘laatste waarschuwing, of er wordt getaserd.’ Verdachte zegt opnieuw ‘wacht’. Opnieuw zegt [slachtoffer] ‘laatste waarschuwing’. Vervolgens wordt er met de taser geschoten. Verdachte schreeuwt en verstijft, waarna hij achterover op de grond valt. [slachtoffer] roept daarna meerdere malen: ‘op je buik liggen.’ Omdat verdachte ondanks meerdere verzoeken van [slachtoffer] niet reageert, wordt er opnieuw een schok toegediend met de taser. Hierna draait verdachte zich op zijn buik. Het is goed te horen dat [slachtoffer] buiten adem is. Wanneer de hand van [slachtoffer] in beeld komt, is er bloed te zien.
Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij in het plaatsje Zwiep in de gemeente Lochem was en dat hij zag dat een agent en een man op de grond vielen. De man lag op zijn rug op de grond en de agent lag op de rug van de man. De man die onderop lag, hield de agent met zijn arm in een houdgreep of wurggreep. Hij deed dit door met zijn arm de hals of keel van de agent dicht te knijpen. Volgens de getuige ging het snel en hij denkt dat het een seconde of tien heeft geduurd, maar hij vindt het lastig te zeggen. Hij dacht dat de agent stress had, omdat hij zag dat de agent met zijn armen aan het zwaaien was en zich uit de wurggreep wilde wringen.
[slachtoffer] had bloeduitstortingen op zijn rechterbovenarm en zijn linkeronderbeen. Daarnaast had hij meerdere schaafwonden op zijn linkeronderarm en linkeronderbeen.
Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] van achteren vast heeft gepakt.
Poging tot doodslag of zware mishandeling (het primair en subsidiair ten laste gelegde)
Voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag of zware mishandeling is vereist dat verdachte met zijn handelen een aanmerkelijke kans op het overlijden dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel in het leven heeft geroepen en dat hij deze kans bewust heeft aanvaard.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het voorgaande dat verdachte zijn arm dusdanig om de nek van [slachtoffer] heeft geklemd dat zijn adamsappel en zijn keel werden dichtgedrukt, waardoor hij zonder lucht kwam te zitten. Niet elk dichtdrukken van de keel levert echter zonder meer een aanmerkelijke kans op overlijden dan wel zwaar lichamelijk letsel op. Daarvoor is van belang dat kan worden vastgesteld met welke kracht en intensiteit het dichtdrukken van de keel heeft plaatsgevonden en hoe lang dit dichtdrukken heeft geduurd. De getuige [getuige] heeft het over een seconde of tien. Dat spoort ook met de camerabeelden.
Uit de medische stukken blijkt niet dat [slachtoffer] letsel heeft opgelopen aan zijn hals of nek, maar wel aan zijn armen en been.
De officier van justitie heeft tijdens zijn requisitoir verwezen naar een lopend forensisch medisch onderzoek waaruit zou kunnen blijken dat verwurging niet altijd van buitenaf zichtbare tekens of verwondingen achterlaat zodat uit het ontbreken daarvan geen conclusies kunnen worden getrokken. Aan deze enkele opmerking komt echter geen enkele bewijskracht toe.
Gelet op het voorgaande (het ontbreken van feitelijke informatie over de toedracht en het letsel bij [slachtoffer] ) is de rechtbank van oordeel dat niet vastgesteld kan worden dat verdachte met zijn handelen daadwerkelijk een aanmerkelijke kans op het overlijden dan wel zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] in het leven heeft geroepen en - zo die kans zou hebben bestaan - dat hij deze kans, gelet op de context van zijn handelen, ook bewust heeft aanvaard. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het primair en subsidiair tenlastegelegde.
Mishandeling (het meer subsidiair ten laste gelegde)
De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat hij verbalisant [slachtoffer] tijdens zijn werkzaamheden heeft mishandeld door hem met kracht vast te houden, een nekklem aan te leggen en met kracht de keel van [slachtoffer] dicht te drukken, waardoor de adamsappel van [slachtoffer] in zijn keel werd gedrukt. [slachtoffer] heeft hierbij letsel aan zijn armen en been opgelopen.
Rechtmatige uitoefening van de bediening
Anders dan de raadsvrouw suggereert, was het optreden van verbalisant [slachtoffer] niet onrechtmatig wegens het ontbreken van een verdenking van betrokkenheid bij het mesincident dan wel bedreiging op de camping. Als eerder overwogen, is voor de vordering tot het tonen van een identiteitskaart geen strafrechtelijke verdenking vereist. Als betrokkene weigert zich te identificeren, is de verbalisant ingevolge artikel 55b Sv bevoegd hem aan zijn kleding te onderzoeken. Dat is precies wat [slachtoffer] van plan was voordat beide verdachten zich begonnen te verzetten.
4. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 29 april 2025 in de gemeente Lochem, een ambtenaar, [slachtoffer] (agent van politie Eenheid Oost-Nederland), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag met kracht zijn, verdachtes, arm om de nek van die [slachtoffer] te leggen en die [slachtoffer] vervolgens met kracht vast te houden en/of een [de rb. leest:] nekklem om de nek van die [slachtoffer] aan te zetten en vervolgens meermalen, in ieder geval éénmaal, met kracht de keel van die [slachtoffer] dicht te drukken/knijpen (waardoor de adamsappel in de keel van die [slachtoffer] werd gedrukt).
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
meer subsidiair:
mishandeling, gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
6. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
7. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
8. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot 150 dagen gevangenisstraf met aftrek waarvan 135 dagen voorwaardelijk, proeftijd 3 jaar en 200 uur taakstraf.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat toepassing dient te worden gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Een gevangenisstraf of een taakstraf zal de klinische opname en de intensieve therapie, die verdachte volgt, doorkruisen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een mishandeling van een politieagent, terwijl de agent aan het werk was. Verdachte was buitengewoon recalcitrant en beledigend tegen beide agenten in plaats van te voldoen aan de volstrekt normale verzoeken/ opdrachten van de agent. Hij heeft de agent om zijn nek vastgepakt, en met kracht de keel van de agent dichtgedrukt. De rechtbank vindt dit een ernstig feit, want verdachte heeft geweld gebruikt tegen een politieagent.
Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van 29 juni 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor vermogensmisdrijven.
Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 19 maart 2026. Hieruit blijkt het volgende. Verdachte was tussen 17 april 2025 en 23 september 2025 dak- en thuisloos. In die periode had hij geen inkomen en er was sprake van een negatief sociaal netwerk en middelengebruik. Vanwege de aanwezige problematiek wilde verdachte graag langdurig klinisch worden opgenomen. Uiteindelijk is klinische opname als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke straf opgelegd en is verdachte per 23 september 2025 opgenomen in de forensische verslavingskliniek [kliniek] . De klinische opname verloopt voorspoeding. Verdachte stelt zich behandelbaar op en doorloopt diverse behandelingen, waarbij hij tot nieuwe inzichten is gekomen. Aansluitend aan de klinische opname zal gekeken worden welke begeleid wonen omgeving geschikt is. Verdachte wil niet terugkeren in de regio Twente, maar elders een nieuwe start maken. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen, omdat verdachte al in beeld is bij de hulpverlening en de reclassering. Een gevangenisstraf zou het reeds gestarte hulpverleningstraject kunnen doorkruisen en dit is niet wenselijk volgens de reclassering.
De rechtbank overweegt dat de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) wat betreft mishandeling met lichamelijk letsel uitgaan van een geldboete van € 1.000,00. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het feit dat geweld is gebruikt tegen een politieagent. De rechtbank weegt mee dat verdachte eerder is veroordeeld. De rechtbank vindt de oplegging van een gevangenisstraf niet passend, mede omdat de rechtbank tot een minder vergaande bewezenverklaring komt dan de officier van justitie. Alles overwegende acht de rechtbank een taakstraf van 80 uren passend met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
9. De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 54,05 aan materiële schade wegens gemaakte medische kosten: tetanusprik, antibioticakuur en eigen risico. Daarnaast vordert hij € 1.050,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden gematigd.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank overweegt dat de materiële schade voldoende is onderbouwd en redelijk voor komt. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de materiële schade kan worden toegewezen.
Verdachte is vanaf 7 mei 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
Smartengeld
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.
Door de mishandeling heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel in de vorm van blauwe plekken en schaafwonden opgelopen en een zeer beangstigende ervaring toen gedurende enige tijd zijn keel werd dicht geknepen. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 750,00 vaststellen.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Verdachte is vanaf 29 april 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht de aan de benadeelde partij toegewezen bedragen aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
10. De vorderingen tot tenuitvoerlegging (parketnummers 08/063216-22 en 21/000144-23)
08/063216-22
De politierechter van de rechtbank Overijssel heeft verdachte op 30 mei 2022 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken.
Standpunten
De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van die straf en omzetting van de 2 weken gevangenisstraf naar 60 uur taakstraf.
De raadsvrouw heeft bepleit dat de proeftijd wordt verlengd met 1 jaar.
De beoordeling door de rechtbank
Bewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank is van oordeel dat de voorwaardelijk opgelegde straf daarom ten uitvoer moet worden gelegd. Gelet op de klinische opname van verdachte acht de rechtbank het ten uitvoer leggen van een gevangenisstraf niet wenselijk. De rechtbank zal daarom in plaats van een gevangenisstraf een taakstraf van 60 uur gelasten.
21/000144-23
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwaren heeft verdachte op 7 juni 2023 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden.
Standpunten
De officier van justitie vordert afwijzing van de vordering.
De raadsvrouw heeft bepleit dat de vordering dient te worden afgewezen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen, nu de opname van verdachte in de forensische verslavingskliniek als bijzondere voorwaarde bij de voorwaardelijke straf is opgenomen en de rechtbank het belangrijk vindt dat de klinische opname wordt voortgezet.
11. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
12. De beslissing
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten;
verklaart bewezen dat verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op een taakstraf van 80 (tachtig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 (veertig) dagen;
beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
beveelt de tenuitvoerlegging van de op 30 mei 2022 door de politierechter van de rechtbank Overijssel voorwaardelijk opgelegde straf, te weten 2 weken gevangenisstraf (parketnummer 08/063216-22);
gelast in plaats van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf een taakstraf gedurende 60 (zestig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen;
wijst de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 juni 2023 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 12 maanden af (parketnummer 21/000144-23).
Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.H. Hovens (voorzitter), mr. J.M. Breimer en mr. R.D. Leen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Fliert, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 september 2026.
Mr. F.J.H. Hovens is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.