ECLI:NL:RBGEL:2026:7666

ECLI:NL:RBGEL:2026:7666

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 01-10-2026
Datum publicatie 05-10-2026
Zaaknummer 16/312624-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Zutphen

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt een 58-jarige man voor aanranding tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. Daarnaast legt de rechtbank een beroepsverbod op voor de duur van 5 jaar.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer: 16/312624-25

Datum uitspraak : 1 oktober 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1968 in [geboorteplaats],

wonende aan de [adres 1], [postcode 1] in [woonplaats].

Raadsvrouwen: mr. B. Ketelaers en C. Isitman, beide advocaat in Almere, waarnemend voor kantoorgenoot mr. A. Derks.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

17 september 2026.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 22 december 2024 te Lelystad, althans in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer], een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten- het betasten en/of aftrekken van de penis van die [slachtoffer], en/of- het in zijn, verdachtes, mond brengen/bewegen van de penis van die [slachtoffer],terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door- gebruik/misbruik te maken van zijn, verdachtes, uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, zowel door het grote leeftijdsverschil als door het feit dat verdachte een begeleider/coach is geweest van die [slachtoffer], en/of- voornoemde handelingen (deels) te verrichten in een rijdend voertuig, waardoor die [slachtoffer] zich niet of in onvoldoende mate kon onttrekken aan de handelingen van verdachte, en/of- plotseling/onverhoeds zijn, verdachtes, hand in de broek van die [slachtoffer] te brengen, en/of- de deuren van de auto op slot te doen, en/of- voorbij te gaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet en/of weerstand;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 22 december 2024 te Lelystad, althans in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten- het betasten en/of aftrekken van de penis van die [slachtoffer], en/of- het in zijn, verdachtes, mond brengen/bewegen van de penis van die [slachtoffer],terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak;

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde, te weten opzetaanranding waarbij sprake was van dwang.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat verdachte integraal van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Verdachte ontkent dat de tenlastegelegde seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. De verdediging stelt verder dat de verklaringen van aangever tegenstrijdigheden bevatten en daarom onbetrouwbaar zijn. Daarnaast ontbreekt het vereiste steunbewijs.

Beoordeling door de rechtbank

Als een verdachte in een zedenzaak ontkent, is er vaak niet veel bewijs. Er zijn in veel gevallen geen ooggetuigen die het verhaal van aangever of het verhaal van de verdachte kunnen bevestigen. De verklaring van aangever staat in zo’n geval tegenover die van verdachte, net als in deze zaak. Bij de beoordeling van het bewijs in dit soort zaken moet de rechtbank de betrouwbaarheid van de verklaring van aangever beoordelen, bekijken of er ander bewijs in het dossier zit dat die verklaring ondersteunt (steunbewijs) en beoordelen of er tegenaanwijzingen zijn (contra-indicaties). Voor het steunbewijs geldt dat dit afkomstig moet zijn van een andere bron dan aangever. Het kunnen daarom geen bewijsmiddelen zijn die bestaan uit ‘de auditu’-verklaringen (‘van horen zeggen’). Bijvoorbeeld een getuige die verklaart dat hij de aangever iets heeft horen zeggen of dat de aangever iets aan de getuige heeft vertelt. Voor steunbewijs geldt dat het ook dat het op een voor de beschuldiging relevante wijze in verband moet staan met de verklaring van aangever. Er kan wel sprake zijn van steunbewijs als de getuigenverklaring een zelfstandige, eigen waarneming inhoudt ten aanzien van de emotionele of fysieke toestand van aangever (vlak) nadat het strafbare feit plaatsvindt.

In dit kader overweegt de rechtbank als volgt.

Vast staat dat aangever op 22 december 2024 aan verdachte per whatsapp bericht gevraagd heeft om hem op te halen in Almere Buiten, omdat hij niet genoeg geld had om met het OV terug te gaan naar de woongroep in [plaats] waar aangever op dat moment verbleef. Verdachte heeft aangever vervolgens met zijn auto opgehaald en hem van Almere Buiten naar [plaats] gebracht. Aangever heeft verklaard dat verdachte hem, tijdens deze autorit, heeft afgetrokken en hem heeft gepijpt. Verdachte ontkent echter dat hij deze seksuele handelingen heeft verricht.

[slachtoffer] (hierna: aangever) heeft, na het informatieve zedengesprek op

27 december 2024, op 17 januari 2025 aangifte gedaan van aanranding. Aangever heeft beide keren verklaard dat verdachte tijdens het rijden de opmerking maakte “Hoe groot is ie”. Vervolgens zat verdachte uit het niets aan zijn knie. Verdachte ging vervolgens bovenlangs in de broek van aangever en zat met zijn hand aan het geslachtsdeel van aangever en trok hem af. Aangever bevroor en kon niks meer zeggen. Aangever heeft uiteindelijk twee keer stop gezegd. Verdachte reageerde hier helemaal niet op en ging verder met aftrekken. Verdachte heeft de auto vervolgens bij een stuk bos in Lelystad geparkeerd. Volgens verdachte was dit een homo ontmoetingsplaats. Nadat verdachte de auto stopte, deed hij de deuren op slot. Verdachte trok de broek van aangever naar beneden tot op zijn bovenbeen. Aangever heeft toen ook stop gezegd. Verdachte begon aangever te pijpen. Nadat aangever weer een paar keer stop had gezegd, stopte verdachte uiteindelijk. Verdachte heeft aangever toen teruggebracht naar [plaats]. Tijdens deze rit zei verdachte “Dit kan eigenlijk echt niet”. Aangever heeft verklaard dat hij op dat moment niet heel veel kon en niks fysieks heeft gedaan in de richting van verdachte.

De volgende ochtend, op 23 december 2024 stuurt aangever een aantal whatsapp berichten aan verdachte met de tekst: “Ik vond het echt niet tof van je dat je dat deed”, “Je belt me niet je appt me niet. Je laat me nu met rust, want dit kan echt niet en je hoort van me” en “als ik erachter kom dat je ook aan mijn broertje hebt gezeten dan ben je nog langer niet jarig maat” .

Een dag na het incident, op 23 december 2024, stuurt aangever een whatsapp bericht aan zijn getuige [getuige], zijn opa. Aangever begint het bericht met het volgende: “ik vertrouw je dat je niks zegt”. Aangever stuurt vervolgens dat hij verdachte de dag ervoor had gevraagd om hem op te halen uit Almere Buiten, dat verdachte de opmerking maakte “Hoe groot is je lul”, dat verdachte vervolgens uit het niets zijn hand in de broek van aangever heeft gedaan en dat hij bevroor. Dat hij niet wist wat hij moest doen en dat verdachte hem begon te pijpen terwijl aangever dat niet wilde. Aangever sluit het whatsappbericht af door te zeggen dat hij bang is om dit aan zijn opa te vertellen en dat hij dit echt niet verzint. Hij schaamt zich kapot, kan er niet van slapen en weet niet wat hij moet doen.

Getuige [getuige] is op 6 februari 2025 gehoord. Hij heeft verklaard dat zijn kleinzoon begin januari bij hem op visite kwam. Hij zag gelijk dat er iets met hem was. Hij was van slag. [getuige] heeft verklaard dat hij heeft gevraagd of hij wilde vertellen wat er aan de hand was. Aangever vertelde vervolgens dat hij met verdachte mee was en dat verdachte toen zijn broek naar beneden trok en hem begon te pijpen. [getuige] heeft vervolgens gevraagd waarom hij niks heeft gedaan. Aangever gaf aan dat hij verstijfde en perplex was. Aangever heeft het verhaal ook aan hem op whatsapp verteld. Aangever kon er niet van slapen en zat er erg mee.

Op 13 oktober 2025 wordt getuige [getuige] nogmaals gehoord. Hij heeft toen verklaard dat aangever stil en teruggetrokken was tijdens de visite van begin januari 2025, voordat aangever zijn verhaal aan [getuige] vertelde. Aangever leek zenuwachtig omdat hij beefde en ‘een beetje raar deed’. Hij durfde het verhaal eerst niet te vertellen. Hij stotterde een beetje en zat te beven. Hij huilde ook. Volgens getuige [getuige] was er echt iets aan de hand, anders doet hij nooit zo. Hij kon aan aangever zien dat hij zich schaamde.

Betrouwbaarheid

Aangever heeft meerdere keren consistent en gedetailleerd verklaard over de seksuele handelingen die hebben plaatsgevonden. Ook zijn er geen andere omstandigheden naar voren gekomen die maken dat de verklaringen van aangever niet op een betrouwbare wijze tot stand zijn gekomen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid daarvan en acht de verklaringen van aangever bruikbaar als bewijsmiddel.

Steunbewijs

De verklaringen van aangever worden op specifieke onderdelen ondersteund door de getuigenverklaringen van opa en het whatsappbericht dat aangever hem, vlak nadat het was gebeurd, heeft gestuurd. Uit de verklaringen van opa volgt dat aangever duidelijke emoties laat zien als hij over de seksuele handelingen vertelt die verdachte bij hem heeft verricht. Opa benoemt dat het leek alsof aangever zich schaamde. Aangever was zenuwachtig, hij beefde en hij stotterde. Ook moest hij huilen. Ook geeft hij aan dat aangever anders was dan anders toen hij binnenkwam. Aangever was stil en teruggetrokken, terwijl hij normaal vrolijk was.

Hiermee is sprake van een waarneming van opa van de emotionele toestand van aangever nadat de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Deze emoties staan in rechtstreeks verband met de verklaring van aangever, omdat hij deze toont als hij over de seksuele handelingen die verdachte bij hem heeft verricht vertelt en hij zich duidelijk anders gedroeg dan normaal gesproken. Niet vereist is dat de emoties meteen na het feit worden waargenomen, zoals door de verdediging bepleit. Er is dus sprake van steunbewijs. De rechtbank heeft geen tegenaanwijzingen vastgesteld. Integendeel, aangever schrijft in zijn whatsappbericht naar opa dat hij bang is om het aan hem te vertellen en benoemt dezelfde emotie als die hij later aan hem laat zien; dat hij zich schaamt.

Voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte het geslachtsdeel van aangever heeft betast, dat hij aangever heeft afgetrokken en dat hij het geslachtsdeel van aangever in zijn mond heeft gebracht.

Kwalificatie

De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden hoe deze handelingen moeten worden gekwalificeerd. Hierbij is het volgende van belang.

Verdachte heeft ‘uit het niets’ het geslachtsdeel van aangever aangeraakt en is hem gaan aftrekken en pijpen. Aangever heeft meerdere keren ‘stop’ gezegd. Toch is verdachte doorgegaan. Ook heeft aangever verklaard dat hij bevroor.

De rechtbank stelt vast dat verdachte aangever niet alleen de mogelijkheid heeft ontnomen om zijn wil te uiten door uit het niets tot de seksuele handelingen over te gaan, maar hij heeft vervolgens ook de signalen dat aangever niet wilde genegeerd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte wist dat bij aangever de wil ontbrak voor het ondergaan van de seksuele handelingen. Hiermee is sprake van de ten laste gelegde opzetaanranding.

De rechtbank stelt verder vast dat de verdachte ten tijde van het feit 58 jaar oud was, terwijl aangever net 18 jaar oud was. Verdachte is jarenlang de jeugdcoach van de aangever geweest toen hij nog minderjarig was. In die periode heeft aangever een tijd bij verdachte gewoond en heeft hij regelmatig bij hem gelogeerd. Er was dus sprake van een vertrouwensband, die voortvloeide uit een relatie waarin aangever afhankelijk was van de zorg van verdachte. Dit blijkt ook uit het feit dat aangever verdachte belt om hem op te halen als hij bij niemand anders terecht kan. Bovendien had verdachte overwicht op aangever. Zo heeft aangever verklaard dat hij bevroor omdat hij bang was dat verdachte boos werd en hem ging slaan. Hij is wel eens vaker boos op hem geweest en dan gaat hij schreeuwen.

Tot slot heeft verdachte de handelingen deels verricht in een rijdende auto en deels in een auto die hij op slot had gedaan toen hij op een parkeerplaats stond. Dit is een situatie waar aangever zich niet of niet eenvoudig aan kon onttrekken.

De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden sprake is van dwang.

De rechtbank acht de primair ten laste gelegde opzetaanranding vergezeld van dwang dus wettig en overtuigend bewezen.

3. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 22 december 2024 te Lelystad, althans in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer], een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten- het betasten en/of aftrekken van de penis van die [slachtoffer], en/of- het in zijn, verdachtes, mond brengen/bewegen van de penis van die [slachtoffer],terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door- gebruik/misbruik te maken van zijn, verdachtes, uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, zowel door het grote leeftijdsverschil als door het feit dat verdachte een begeleider/coach is geweest van die [slachtoffer], en/of- voornoemde handelingen (deels) te verrichten in een rijdend voertuig, waardoor die [slachtoffer] zich niet of in onvoldoende mate kon onttrekken aan de handelingen van verdachte, en/of- plotseling/onverhoeds zijn, verdachtes, hand in de broek van die [slachtoffer] te brengen, en/of- de deuren van de auto op slot te doen, en/of- voorbij te gaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet en/of weerstand;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

opzetaanranding, vergezeld van dwang

5. De strafbaarheid van het feit.

Het feit is strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7. De overwegingen ten aanzien van straf

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot 20 maanden gevangenisstraf waarvan 8 voorwaardelijk. Zij eist een proeftijd van twee jaren en oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in het rapport van

4 augustus 2026, met uitzondering van de bijzondere voorwaarde die ziet op het verbod tot het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte als bijkomende straf een beroepsverbod voor ieder beroep in de jeugdzorg wordt opgelegd voor de duur van 5 jaren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat, als de rechtbank tot een veroordeling komt, bij het opleggen van de straf rekening moet wordt gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Een gevangenisstraf zou grote gevolgen voor hem hebben. Het zou het einde van zijn carrière betekenen. Verder stelt de verdediging zich op het standpunt dat de door de reclassering geadviseerde voorwaarden het ‘vermijden contact met minderjarigen’ en het ‘verbod bepaalde werkzaamheden’ verdachte onevenredig hard zouden treffen gezien zijn werkzaamheden als jongerencoach en het feit dat hij pleegouder is van een minderjarig kind. De verdediging verzoekt de rechtbank dan ook om deze voorwaarden niet aan verdachte op te leggen.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetaanranding van een 18-jarige jongen vergezeld van dwang door in een rijdende auto uit het niets de penis van het slachtoffer te betasten en af te trekken, terwijl hij geen kant op kon. Ondanks dat het slachtoffer meerdere keren “stop” zei en bevroor, is verdachte gewoon doorgegaan. Hij ging zelfs nog een stap verder door de auto te parkeren, de deuren van de auto op slot te doen en nog ingrijpendere seksuele handelingen te verrichten door de penis van het slachtoffer in zijn mond te nemen. Hiermee heeft verdachte een grote inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Wat het nog kwalijker maakt is dat verdachte lange tijd de jeugdcoach van het slachtoffer is geweest en dat hij nog altijd een vertrouwensband met hem had. Hiervan heeft hij op een grove wijze misbruik gemaakt. Het slachtoffer heeft verklaard dat zijn vertrouwen ernstig is beschadigd. Niet alleen in verdachte, maar ook in andere hulpverleners en begeleiders. Hij is jong en heeft nog altijd hulp nodig, maar door wat er is gebeurt durft hij de mensen die hem willen helpen niet langer te vertrouwen. Ook heeft hij nog altijd herbelevingen en slaapt hij slecht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de justitiële documentatie van verdachte waaruit volgt dat hij niet eerder veroordeeld is voor een strafbaar feit.

Uit het advies van de reclassering volgt dat zij zorgen heeft over het werk van verdachte als jongerencoach en pleegouder in het geval er een veroordeling volgt. Ook geeft de reclassering aan dat er vragen zijn over het morele kompas van verdachte en worden er in het geval van veroordeling risicoverhogende factoren op het gebied van dagbesteding, houding en psychosociaal functioneren en enige mate van seksuele preoccupatie gesignaleerd.

De reclassering heeft een risico-inschatting gemaakt met de risico-instrumenten die van toepassing zijn in zedenzaken. Zij komt op basis hiervan tot de conclusie dat sprake is van een gemiddeld risico op een nieuw zedendelict. Om dit risico te verkleinen adviseert de reclassering om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden:

Gelet op de ernst van het feit is het uitgangspunt dat een flinke onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken. De rechtbank zal als bijkomende straf een beroepsverbod aan verdachte opleggen, inhoudende dat het hem niet is toegestaan voor een periode van vijf jaar een beroep in de jeugdzorg uit te oefenen. Gezien de bewezen verklaarde feiten is voldaan aan de vereisten van artikel 254a Sr van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte heeft geen inzicht willen geven in zijn handelen en daarvoor geen verantwoordelijkheid genomen. Hij komt als jongerencoach en pleegouder van een minderjarige zoon nog steeds in contact met jongeren en de rechtbank is van oordeel dat dit, gelet op de inhoud van het reclasseringsadvies, een onaanvaardbaar risico vormt. Om de kans op herhaling zo ver mogelijk terug te dringen acht de rechtbank het daarom noodzakelijk om als bijkomende straf een beroepsverbod aan verdachte op te leggen. De rechtbank geeft de reclassering de opdracht toezicht te houden op de naleving van het beroepsverbod.

De rechtbank ziet in dat dit beroepsverbod een grote impact zal hebben op verdachte. Dit zal immers ook betekenen dat hij de zorg voor zijn minderjarige pleegzoon niet langer op zich kan nemen. De rechtbank is echter van oordeel dat, gelet op de impact van dit soort feiten op het slachtoffer, het verkleinen van de kans op herhaling voorop moet staan.

Verder acht de rechtbank het van belang dat verdachte zich verplicht laat behandelen, zoals door de reclassering geadviseerd. Zij zal daarom een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar passend en geboden. De rechtbank zal aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering geadviseerd, waaronder de voorwaarden ‘verbod op contact met minderjarigen’ en het ‘verbod bepaalde werkzaamheden’. De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat deze voorwaarden noodzakelijk zijn om het recidiverisico zo klein mogelijk te maken.

Het bewezenverklaarde misdrijf is gericht tegen - en heeft gevaar veroorzaakt voor - de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, in dit geval een minderjarige die met verdachte een vertrouwensband had opgebouwd die is ontstaan in de periode dat hij aan de zorg van verdachte is toevertrouwd. Verdachte heeft op dit moment de zorg over een minderjarige pleegzoon en verricht nog altijd werk als jongerencoach. Tegelijkertijd constateert de rechtbank dat hij geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelingen en dat hij (nog) geen behandeling heeft gevolgd. Gelet hierop moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. De rechtbank zal daarom de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden bevelen.

8. De beoordeling van de civiele vorderingen

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met het tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 115,65 aan materiële schade en € 8.000,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op de bepleitte vrijspraak. Subsidiair moet de hoogte van het smartengeld worden gematigd.

Overweging van de rechtbank

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank overweegt dat de schadeposten die zien op kleding en medicatie niet inhoudelijk zijn betwist. De schadeposten zijn (verder) voldoende onderbouwd en komen redelijk voor.

Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de kleding en medicatie tot een hoogte van € 115,65 kan worden toegewezen. Over de ingangsdatum van de wettelijke rente is geen standpunt ingenomen. De rechtbank zal deze daarom toewijzen vanaf de datum van het vonnis, 1 oktober 2026.

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen.

Smartengeld

De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast. Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen deze categorie valt.

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. In dat verband heeft zij onder meer gekeken naar de Rotterdamse schaal en, gelet op het ten laste gelegde feit, in het bijzonder naar paragraaf 15.3 ‘Aanranding (art 246 oud)’. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van de categorie (a) ‘ernstig’ met een bandbreedte van € 5.000,- tot € 6.500,-. De rechtbank acht een bedrag van € 6.500,- redelijk en billijk en weegt daarbij mee de uitgeoefende dwang, de afhankelijkheidsrelatie en het verschil in leeftijd tussen verdachte en slachtoffer. Verdachte is over dit bedrag wettelijke rente verschuldigd vanaf de pleegdatum, 22 december 2024.

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen.

9. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 28, 36f, 241 en 254a van het Wetboek van Strafrecht.

10. De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden;

 stelt als bijzondere voorwaarden dat:

Beveelt dat voormelde voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

 geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:

 bepaalt dat verdachte voor de duur van 5 (vijf) jaren wordt ontzet van het recht tot de uitoefening van een beroep in de jeugdzorg;

 geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van het beroepsverbod;

De benadeelde partij [slachtoffer]

 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 115,65 aan materiële schade. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kan 1 dag gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.M. Klaasen
  • mr. R.M. Schoo

Griffier

  • mr. D. van Doorn

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand