uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 oktober 2026
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tiel.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek van verzoeker om een voorlopige voorziening te treffen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), inhoudende dat aan hem noodopvang wordt toegekend.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter kan op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in een aantal gevallen uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. De voorzieningenrechter vindt in deze zaak een zitting niet nodig, omdat hij kennelijk onbevoegd is. Hij legt dat hieronder verder uit.
3. Verzoeker stelt dat hij vanaf aankomende zondag geen onderdak meer heeft. In verband met gezondheidsproblemen is dag- en nachtopvang geen geschikte plek voor hem. Hij wenst dat het college noodopvang voor hem regelt dat past bij zijn beperkingen.
4. Het college heeft de voorzieningenrechter geïnformeerd dat er geen aanvraag door verzoeker is ingediend en dat er geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is genomen. Daarnaast stelt het college dat verzoeker verwezen is naar Iriszorg voor dag- en nachtopvang. Verzoeker is bekend bij Iriszorg en heeft een contactpersoon. Iriszorg heeft laten weten dat hij daar kan verblijven en dat ondersteuning kan worden geboden. Ook heeft het college verzoeker verwezen naar de GGD, maar de GGD heeft te kennen gegeven dat verzoeker daar geen hulpvraag heeft ingediend. Voor een aanvraag op grond van de Wmo kan verzoeker zich volgens het college richten tot de gemeente Buren, omdat verzoeker heeft verklaard dat hij in [plaatsnaam] verblijft.
5. Uit de door verzoeker overgelegde documenten is de voorzieningenrechter niet gebleken dat hij een aanvraag heeft ingediend. Ook is door hem geen schriftelijk besluit overgelegd als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Er wordt daarom niet aan de vereisten voor een verzoek om een voorlopige voorziening voldaan. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat hij niet bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen. Dat betekent dat hij geen oordeel geeft over het verzoek. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De voorzieningenrechter en de griffier zijn verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: