RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 oktober 2026
Stichting Milieuwerkgroep Buren en omstreken, uit Beusichem, de stichting
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Buren
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/8632
in de zaak tussen
en
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [bedrijf] uit [plaats]
(gemachtigde: mr. C. Schimmel-Blom).
Als partij van rechtswege neemt aan de zaak deel: de gemeenteraad.
1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning voor het aanleggen van een pottenveld, het bouwen van een pompgebouw en het plaatsen van boompalen. De stichting is het niet eens met de omgevingsvergunning. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de omgevingsvergunning niet in stand kan blijven. De stichting krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 4 oktober 2024 heeft het college een omgevingsvergunning verleend.
De stichting heeft beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning.
Met het besluit van 11 september 2025 heeft het college de omgevingsvergunning hersteld.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de stichting [persoon 1] en [persoon 2] , de gemachtigde van het college, namens de derde-partij [persoon 3] en de gemachtigde van de derde-partij.
Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Omdat de feitelijke werkzaamheden van de stichting op de zitting door het college ter discussie zijn gesteld, heeft de rechtbank aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen.
De rechtbank heeft het onderzoek op 17 maart 2026 heropend en de stichting in de gelegenheid gesteld om nader in te gaan op de feitelijke werkzaamheden die zijn verricht voor het aflopen van de beroepstermijn. De stichting heeft hiervan gebruik gemaakt. Het college en de derde-partij hebben hierop gereageerd.
Partijen hebben geen bezwaren geuit tegen het achterwege laten van een nadere zitting. De rechtbank heeft het onderzoek daarom op 7 september 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
3. De derde-partij exploiteert een boomkwekerij en is gevestigd op het adres [adres 1] in Lienden. De derde-partij wil op het perceel sectie [x] , nummer [nummer] , in Lienden, een pottenveld aanleggen. Op 10 augustus 2021 heeft de derde-partij daarom een omgevingsvergunning aangevraagd. Het gaat om de aanleg van een pottelveld voor boomteelt, het aanbrengen van verharding, het plaatsen van teeltondersteunende voorzieningen en het realiseren van een waterberging. De aanvraag ziet op de activiteiten “bouwen” , “gebruik van gronden en/of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan” en “het uitvoeren van een werk en/of werkzaamheden”.
Van toepassing is het bestemmingsplan “Buitengebied Buren” (bestemmingsplan) en het perceel heeft de bestemming “Agrarisch”. Ook is het “Paraplubestemmingsplan archeologie van toepassing” (parapluplan). Het perceel is gelegen binnen drie verschillende verwachtingsniveaus. “Archeologisch Waardevol 2”, “Archeologisch Verwachtingsgebied 3” en “Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied 5”.
De gronden met de agrarische bestemming zijn bestemd voor onder andere grondgebonden agrarische productie. Als gebruik in strijd met de bestemming “Agrarisch” wordt in ieder geval gebruik voor niet-grondgebonden agrarische productie in de vorm van teelt op tray-velden of op stellingen en/of containerteelt op lavas of beton. Pottenteelt is volgens het college in strijd met het bestemmingsplan. Verder voldoet het pompgebouw ook niet aan de regels van het bestemmingsplan, omdat dit buiten het bouwvlak gerealiseerd wordt.
Het college heeft het besluit voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uitgebreide procedure). Op 9 april 2024 heeft het college het ontwerpbesluit ter inzage gelegd, samen met de ontwerpweigering verklaring van geen bedenkingen (vvgb) van de raad van de gemeente Buren. De stichting heeft een zienswijze ingediend tegen het ontwerpbesluit.
Op 17 september 2024 heeft de gemeenteraad een vvgb afgegeven. Op 4 oktober 2024 heeft het college de omgevingsvergunning verleend omdat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
Op 11 september 2025 heeft het college de omgevingsvergunning gewijzigd voor zover dat ziet op de motivering van het archeologisch onderzoek. Het college heeft de activiteit “uitvoeren van een werk en/of werkzaamheden” ook verleend voor zover dat ziet op het aanleggen van de waterberging.
Is het beroep ontvankelijk?
4. Het college heeft op de zitting het belang van de stichting ter discussie gesteld. Volgens het college is niet gebleken van enige feitelijke werkzaamheden die de stichting uitvoert. De stichting kan daarom niet als belanghebbende worden aangemerkt en het beroep is volgens het college daarom niet ontvankelijk.
De rechtbank stelt voorop dat het college de omgevingsvergunning heeft voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Op 18 april 2024 heeft het college het ontwerpbesluit ter inzage gelegd waarin staat dat iedereen een zienswijze in kan dienen. De stichting heeft dat gedaan. Hierdoor kan het niet zijn van belanghebbende niet aan de stichting worden tegengeworpen.
Staat het relativiteitsvereiste aan een inhoudelijke beoordeling in de weg?
5. Volgens vaste rechtspraak moet een belangenorganisatie, naast de statutaire doelstelling, ook enige feitelijke werkzaamheden verrichten die invulling geven aan één of meer van de algemene belangen die zij volgens haar statuten behartigt. Is dat niet het geval, dan kan het relativiteitsvereiste worden tegengeworpen. Dit betekent dat een belangenorganisatie zich niet met succes kan beroepen op de algemene belangen die zij volgens haar statuten behartigt, als zij in het geheel geen feitelijke werkzaamheden heeft verricht.
De stichting heeft volgens artikel 3 van haar statuten tot doel:
“a. een bijdrage leveren tot het bevorderen van de belangstelling voor de biologische waarden van het milieu;
b. een zo goed mogelijke bescherming en verbetering van natuur, landschap en milieu waaronder mede archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden, het woonmilieu en de verkeersveiligheid, alles in de ruimste zin des woord;”
De feitelijke werkzaamheden van de stichting zijn, zo blijkt uit de stukken die zij na de heropening van het onderzoek heeft overgelegd, onder meer het jaarlijks overzetten van amfibieën tussen half februari en eind maart (paddentrek), het beheren van rabatten aan de Lekdijk, het informeren van inwoners en het houden van open tuinen waarbij geïnteresseerden worden geïnformeerd over de inrichting en het beheer van een natuurvriendelijke tuin. Gelet op deze feitelijke werkzaamheden kan de stichting zich met succes beroepen op de algemene belangen die zij volgens haar statuten behartigt. De rechtbank zal de beroepsgronden van de stichting daarom inhoudelijk bespreken.
Had het bestemmingsplan gewijzigd moeten worden?
6. De stichting betoogt dat sprake is van een grootschalig project omdat het perceel 3,8 hectare groot is. Volgens de stichting had het college niet met een buitenplanse afwijking de omgevingsvergunning mogen verlenen. Een forse afwijking van het geldende bestemmingsplan moet volgens de stichting worden geregeld in een nieuw bestemmingsplan.
In artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3° van de Wabo staat niet dat een dergelijke omgevingsvergunning alleen kan worden verleend voor ontwikkelingen met minimale planologische gevolgen. Een initiatiefnemer heeft dus bij een ontwikkeling die in strijd is met het bestemmingsplan de keuze om een aanvraag om een omgevingsvergunning in de dienen of om te vragen om een herziening van het bestemmingsplan. In dit geval heeft de derde-partij de keuze gemaakt om een omgevingsvergunning aan te vragen. Het college moet beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. De omgevingsvergunning wordt alleen geweigerd als vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo niet mogelijk is. Voor de toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3° van de Wabo geldt dat het project in overeenstemming moet zijn met een goede ruimtelijke ordening en dat de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Ook bij een planwijziging moet sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. Er is geen verplichting voor de initiatiefnemer, het college of de raad om een bestemmingsplanprocedure te volgen. De beroepsgrond slaagt niet.
Is het plan in strijd met de Omgevingsvisie gemeente Buren?
7. De stichting betoogt dat pottenteelt in strijd is met de Omgevingsvisie van de gemeenteraad. In de Omgevingsvisie staat in enkele zinnen dat meer mogelijkheden geboden moeten worden voor containerteelt, waarbij gedacht wordt aan een doorgroeigebied bij Ommeren. De omgrenzing van het doorgroeigebied is indicatief. Volgens de stichting is het perceel van de derde-partij gelegen op minder dan 100 meter afstand van het weidevogelgebied Ingensche en Ommerensche Veld. Dat is volgens de stichting in strijd met het uitgangspunt van de Omgevingsvisie dat de doorgroeigebieden niet ten koste gaan van de overgang tussen de oeverwallen en de komgebieden. Het perceel van de derde-partij ligt volgens de stichting wel op die overgang.
In de Omgevingsvisie staat:
“Voor bedrijven die willen doorgroeien in niet grondgebonden teelten en dus op een groter oppervlak gebruik willen maken van containerteelt, (…), wijzen we een doorgroeigebied voor niet grondgebonden teelten aan. Voor het doorgroeigebied geldt een aantal eisen:
We willen dat het gebied goed ontsloten is op of nabij een N-weg en niet een dorp hoeft te doorkruisen.
We willen dat de doorgroeigebieden niet ten koste gaan van de openheid in de komgebieden of de overgang tussen de oeverwallen en de komgronden onherkenbaar maakt.
Een groot deel van de N320 ligt op de grens van de oeverwal en de komgronden. Ter hoogte van Ommeren, Lienden en Ingen ligt de N320 op de grens van de oeverwal en de oude stroomruggen (zie hoofdstuk 2). Daarom wijzen we de doorgroeigebieden voor niet grondgebonden teelten aan in dit gebied. De begrenzing van de doorgroeigebieden is indicatief.”
Het college stelt zich op het standpunt dat het evident is dat het perceel in het doorgroeigebied is gelegen. Het perceel ligt direct ten zuiden van de N320 ter hoogte van Ommeren. De locatie bevindt zich in het landschapstype Stroomruggen. Ook is het pottenveld landschappelijk goed ingepast, zodat voldaan wordt aan de voorwaarden uit de Omgevingsvisie.
Hoewel het college niet gebonden is aan de Omgevingsvisie, heeft het college de Omgevingsvisie wel ten grondslag gelegd aan het besluit. De motivering steunt daarmee op het uitgangspunt dat de aanvraag in overeenstemming is met de Omgevingsvisie. De rechtbank overweegt in dit verband dat niet duidelijk is welke gebieden als doorgroeigebieden zijn aangewezen en op welke wijze dit is aangewezen. Dit volgt niet uit de Omgevingsvisie. Daarmee is niet duidelijk of het perceel van de derde-partij gelegen is in een doorgroeigebied, zoals bedoeld in de Omgevingsvisie. Bij de Omgevingsvisie zit een kaart met landschapstypen. Op deze kaart is niet goed te zien binnen welk landschapstype het perceel van de derde-partij valt. Volgens het college is dit Stroomruggen, maar Oeverwallen van de Lek en Nederrijn en de komgronden liggen ook in de omgeving. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd hoe dit zich verhoudt tot het uitgangspunt dat de overgang tussen de oeverwallen en de komgronden herkenbaar blijft. Bovendien heeft het college niet gemotiveerd hoe de pottenteelt zich verhoudt tot het weidevogelgebied. De rechtbank kan daarom niet beoordelen of het college zich op het standpunt mocht stellen dat voldaan wordt aan de Omgevingsvisie, terwijl dat door het college wel ten grondslag is gelegd aan de omgevingsvergunning. De beroepsgrond slaagt.
Zijn de boompalen in strijd met het bestemmingsplan?
8. De stichting betoogt dat het college ten onrechte heeft besloten dat de boompalen voldoen aan het bestemmingsplan. Er is een omgevingsvergunning gevraagd voor pottenteelt op een perceel van 3,8 hectare. De boompalen moeten volgens de stichting in samenhang en als één geheel worden gezien. Volgens de stichting wordt in dat geval ook de maximaal toegestane 10 m2 voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, overschreden.
Het college stelt zich op het standpunt dat de boompalen voldoen aan artikel 4, dertiende lid, van het bestemmingsplan. De boompalen worden in een rij onderling verbonden door draden. Een rij met palen die onderling verbonden zijn, beschouwt het college als één bouwwerk, geen gebouw zijnde. De palen die worden toegepast hebben een oppervlakte van 0,00856 m2 of 0,0182 m2 per stuk. Ongeveer 50 palen worden met draden verbonden, die dan een gezamenlijk oppervlakte hebben van minder dan 1 m2. Op de zitting heeft het college zich aanvullend op het standpunt gesteld dat de boompalen voor agrarisch gebruik zijn en ook daarom voldoen aan het bestemmingsplan.
In artikel 4, dertiende lid, van de planregels staat:
Bij de bouw van de in lid 10 sub c bedoelde overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden:
a. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 10 m2;
b. de hoogte mag niet meer bedragen dan 2,5 m.
In artikel 4, tiende lid, onder c, van de planregels staat:
Op de gronden met de bestemming “Agrarisch”, voorzover gelegen buiten de agrarische bouwpercelen, mogen uitsluitend worden gebouwd:
(…)
c. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de bestemming.
De rechtbank oordeelt dat het college ten onrechte heeft besloten dat de boompalen niet in strijd zijn met het bestemmingsplan. De boompalen worden namelijk geplaatst voor de pottenteelt. In artikel 4, derde lid, onder b, van de planregels wordt als strijdig gebruik in ieder geval begrepen het gebruik voor niet-grondgebonden agrarische productie in de vorm van teelt op tray-velden of op stellingen en/of containerteelt op lavas op beton. Dit betekent dat de boompalen niet gebouwd worden ten behoeve van de bestemming en al om die reden niet konden worden vergund. Het college heeft dit ten onrechte niet onderkend. De beroepsgrond slaagt.
Heeft het college een spuitvrije zone van 50 meter moeten aanhouden?
9. De stichting betoogt dat een spuitvrije zone van 50 meter rond alle gevoelige functies moet worden aangehouden. Het gaat volgens de stichting om een nieuwe situatie waarvoor de standaardregels gehanteerd moeten worden voor het spuiten in de buurt van woningen. De stichting respecteert (met tegenzin) het bestaande beleid dat inhoudt dat bestaande activiteiten ongewijzigd mogen worden voortgezet. Maar in dit geval is sprake van een nieuwe activiteit. Omdat er geen locatiespecifiek onderzoek is uitgevoerd, moet het aanvaardbare woon- en leefmilieu worden gegarandeerd door het in acht nemen van een spuitvrije zone van 50 meter rond alle aangrenzende woningen.
Het college stelt zich op het standpunt dat op het perceel het telen van bomen als grondgebonden agrarische productie is toegestaan. In het bestemmingsplan is geen spuitvrije zone vereist bij deze teelt. Het telen van bomen op deze locatie zonder spuitvrije zone is toegestaan en vindt ook feitelijk plaats. Daarbij speelt ook de overweging dat door de aanleg van de waterberging met plas-draszone langs de [adres 2] een natuurlijke spuitvrije zone wordt gecreëerd en de afstand van de laanboomteelt tot de twee woningen aan [adres 2] [huisnummer] en [huisnummer] wordt vergroot.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, niet onredelijk wordt geacht. Het is mogelijk die afstand te verkleinen als daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag ligt. Deze motivering moet gebaseerd zijn op een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek.
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is van een nieuwe activiteit, namelijk het gebruik van niet-grondgebonden pottenteelt in strijd met het bestemmingsplan. Het staat niet ter discussie dat binnen 50 meter van het perceel gevoelige functies liggen. De rechtbank stelt vast dat het college niet een op de locatie toegesneden onderzoek heeft gedaan om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de gevoelige functies te garanderen. De afweging van het college dat in het bestemmingsplan geen spuitvrije zone is vereist, is onvoldoende. De omgevingsvergunning voor een nieuwe activiteit in afwijking van het bestemmingsplan vereist namelijk een nieuwe beoordeling of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Deze beoordeling heeft het college ten onrechte niet gemaakt. Dat de afstand tot [adres 2] [huisnummer] en [huisnummer] door de plas-draszone wordt vergroot, maakt dit ook niet anders. Er liggen namelijk nog andere gevoelige functies binnen 50 meter van het perceel. De beroepsgrond slaagt.
Is nader archeologisch onderzoek nodig?
10. De stichting betoogt dat voorafgaand aan de vergunningverlening ten onrechte geen archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Voor de aanleg van het containerveld worden ruim 3400 boompalen de grond ingebracht tot een diepte van 90 à 100 centimeter. Volgens de stichting wordt daardoor het hele perceel verstoord omdat het overal ‘doorzeefd’ wordt met boompalen. Op grond van het parapluplan had het college daarom een archeologisch onderzoek moeten doen. Ook wordt bijna 14.000 m2 aan oppervlakteverharding aangebracht. Dat is volgens de stichting aanzienlijk meer dan de vrijgestelde 100 m2. Op de zitting heeft de stichting toegelicht dat de beroepsgrond die ziet op de aanleg van de plas-dras zone en de waterberging is ingetrokken. Op de grond die wordt afgegraven voor de compensatie die het waterschap eist, heeft het college een archeologisch onderzoek laten uitvoeren. Voor het overige heeft het college geen archeologisch onderzoek laten uitvoeren, zodat de stichting haar beroepsgrond in zoverre niet intrekt.
Het college stelt zich op het standpunt dat in de ruimtelijke onderbouwing beschreven is dat er een verstoring plaatsvindt die ruim onder 100 m2 blijft. De maximale oppervlakte van alle boompalen afzonderlijk bedraagt namelijk 38,796 m2. Dit betekent volgens het college dat voor het plaatsen van 3400 boompalen geen omgevingsvergunning is vereist. Voor het aanbrengen van oppervlakteverharding stelt het college zich op het standpunt dat geen omgevingsvergunning vereist is omdat de verharding wordt aangelegd zonder dieper te graven dan 30 cm onder het maaiveld.
De rechtbank stelt vast dat de grondwerkzaamheden plaatsvinden in drie verschillende verwachtingsgebieden. Het overgrote deel van de werkzaamheden vindt plaats binnen de bestemming “Waarde – Archeologisch Waardevol Gebied 2”. Deze gronden zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de op en/of in deze gronden voorkomende en aantoonbaar te verwachten archeologische waarden. In artikel 4.2.1. van het parapluplan staat dat voor bouwwerken een omgevingsvergunning nodig is tenzij het nieuw te bouwen oppervlak niet groter is dan 100 m2. In artikel 4.3.1 van het parapluplan staat dat voor het aanleggen van verhardingen een omgevingsvergunning nodig is voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden. Een uitzondering op de vergunningplicht is als de werkzaamheden tot een diepte van 30 centimeter onder het bestaande maaiveld gaan of geen grotere oppervlakte dan 100 m2 betreft.
De rechtbank oordeelt dat voor het aanbrengen van de oppervlakteverhardingen geen omgevingsvergunning vereist is. De oppervlakte is weliswaar groter dan 100 m2, maar de werkzaamheden gaan niet dieper dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld. Daarmee vallen de werkzaamheden onder de uitzondering op de vergunningplicht. In zoverre slaagt de beroepsgrond niet.
De rechtbank is van oordeel dat het college onvoldoende gemotiveerd heeft dat voor het plaatsen van de boompalen geen omgevingsvergunning is vereist zoals bedoeld in artikel 4.2.1, onder c, van het parapluplan. Het parapluplan heeft geen wijze van meten voor het bepalen van de oppervlakte van bouwwerken geen gebouwen zijnde. Door een oppervlakte van maximaal 100 m2 vrij te stellen van de vergunningplicht, lijkt de planwetgever te hebben willen voorzien in een uitzondering op de bescherming van archeologische waarden, als de verstoring van die waarden slechts in beperkte mate in het geding kan zijn. De boompalen worden echter verspreid over het hele perceel geplaatst. De verstoring vindt daarmee verspreid over het perceel plaats. Daarnaast is in de aanvraagvereisten opgenomen dat bij het plaatsen van palen een of meerdere palenplannen moet worden overgelegd waaruit volgt wat het aantal palen is, het type/soort, de omvang/diameter, de lengte, de onderlinge afstand tussen de rijen en de wijze van aanbrengen, zodat de mate van verstoring bepaald kan worden. Ook dit wekt de indruk dat de mate van verstoring wordt bepaald op basis van de wijze van plaatsing en het oppervlak wat daarmee wordt bestreken. De uitleg van het college dat desondanks moet worden uitgegaan van de optelsom van de oppervlakte per boompaal kan zonder nadere motivering niet worden gevolgd. De rechtbank oordeelt daarom dat het college de omgevingsvergunning op dit punt onvoldoende gemotiveerd heeft. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond. Het college heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe de pottenteelt op het perceel van de derde-partij past binnen de Omgevingsvisie en hoe dit zich verhoudt tot het weidevogelgebied. Het college heeft verder ten onrechte geconcludeerd dat de boompalen in overeenstemming zijn met het bestemmingsplan. Daarnaast moet er een locatiespecifiek onderzoek worden uitgevoerd, omdat er gevoelige functies binnen 50 meter van de spuitzone liggen. Het college moet voor deze onderdelen opnieuw een afweging maken of hij het plan ruimtelijk aanvaardbaar vindt. Tot slot moet het college nader motiveren dat er geen belemmeringen zijn voor de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Omdat nader onderzoek nodig is, zal de rechtbank het college opdragen opnieuw op het bezwaar te beslissen.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan de stichting vergoeden. De stichting heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de omgevingsvergunning van 4 oktober 2024;
- draagt het college op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 371,- aan de stichting moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van D. van Til, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.