RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 september 2026
in de zaken tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Overbetuwe
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 26/3875 en 26/3876
en
(gemachtigden: mr. N. Thorborg en mr. M.J. Tunnissen).
Als derde-partij nemen aan de zaak deel: [persoon 1] uit [woonplaats] (vergunninghouder 1: [x] ), en [persoon 2] (vergunninghouder 2: [x] ).
1. Deze uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening gaat over de aan vergunninghouders bij afzonderlijke besluiten van 13 juli 2026 verleende omgevingsvergunningen voor het plaatsen van een chalet op de percelen [adres] [huisnummer 1] en [huisnummer 2] in Oosterhout . Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt en verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen. Daartoe voert zij een aantal gronden aan. 1.1. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of de bezwaren een redelijke kans van slagen hebben. Dat kan een reden zijn om de bestreden besluiten te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekster.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventueel bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met de bestreden besluiten van 13 juli 2026 heeft het college vergunninghouders 1 en 2 een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bouwwerk. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 15 september 2026 gelijktijdig op zitting behandeld. Hieraan hebben verzoekster en vergunninghouders deelgenomen. Van de zijde van het college was [persoon 3] aanwezig, bijgestaan door mr. Tunnissen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Verzoekster woont op park Tergouw in Oosterhout. Dit was voorheen een recreatiepark, maar met de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Oosterhout , Park Tergouw” mag er ter plaatse gewoond worden.
4. Vergunninghouders hebben een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het plaatsen van een chalet.
5. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunningen verleend voor de activiteit ‘het bouwen van een bouwwerk’.
6. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunningen. Volgens verzoekster zijn de op het park aanwezige nutsvoorzieningen verouderd en vertonen deze gebreken. De riolering en stroomvoorziening zijn ontoereikend voor het gebruik dat ervan wordt gemaakt. De stroom valt geregeld uit, stroomkastjes zouden ontploffen door overbelasting en de riolering is regelmatig verstopt. Verzoekster vreest dat door het plaatsen van extra chalets, die ook op de verouderde nutsvoorziening aangesloten moeten worden, de problemen verergeren.
7. Ter zitting is vastgesteld dat vergunninghouder 2 al werkzaamheden verricht ten behoeve van het plaatsen van het chalet. Niet in geschil is daarom dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de beoordeling van het verzoek.
Wettelijk kader
8. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel waar de voorzieningen gerealiseerd zijn/worden, was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘Oosterhout, Park Tergouw’ van kracht. Dat bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Overbetuwe. Volgens dat bestemmingsplan geldt op het perceel de bestemming Wonen – 2 en de dubbelbestemmingen Leiding – Hoogspanningsverbinding en Waarde – Archeologische verwachting 2.
9. De te plaatsen chalets zijn in strijd met het omgevingsplan, omdat een hoofdgebouw in de bestemming Tuin wordt opgericht. Bovendien mogen er geen nieuwe hoofdgebouwen worden gebouwd binnen de bestemming “Leiding Hoogspanningsverbinding”. 10. Een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleent.
11. In artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).
12. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college alleen een omgevingsvergunning heeft verleend voor de bouw van de chalets en niet voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa). Uit de tekst van de verleende omgevingsvergunning blijkt dat het college dat wel beoogd heeft te doen. De voorzieningenrechter is echter voorshands van oordeel dat, hoewel het college niet uitdrukkelijk een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsactiviteit heeft verleend, het college dit gebrek in bezwaar kan herstellen indien de daartoe relevante afwegingen wel zijn gemaakt. Het college heeft beoordeeld of het bouwen in de bestemming Tuin voldoet aan ETFAL en of daarnaast wordt voldaan aan de in het bestemmingsplan opgenomen regels om in afwijking van de hoofdregel toch bouwwerken toe te staan op gronden met de bestemming Leiding – Hoogspanningsverbinding.
Verplicht advies gemeenteraad?
13. Uit artikel 16.15 van de Omgevingswet volgt dat in sommige gevallen bestuursorganen in de gelegenheid worden gesteld om aan het bevoegd gezag advies uit te brengen over een aanvraag. Artikel 16.15a, onder b, onder 1, van de Omgevingswet bepaalt dat de raad, bij een aanvraag tot verlening van een omgevingsvergunning, in de gelegenheid wordt gesteld om advies uit te brengen in de door de raad aangewezen gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Als een college ten onrechte de raad niet om advies vraagt, ontbreekt de bevoegdheid van het college om op de vergunningaanvraag te beslissen.
Op 23 maart 2021 heeft de gemeenteraad regels vastgesteld over het adviesrecht van de gemeenteraad. Als sprake is van het toevoegen van 4 of meer woningen binnen de bebouwde kom, dan wel het toevoegen of bouwen van 1 of meer woningen in het buitengebied (tenzij sprake is van functieveranderingsbeleid), dient verplicht advies bij de gemeenteraad te worden ingewonnen. Dit betekent dat geen advies nodig is voor de twee chalets als de plek waar deze zijn voorzien behoort tot de bebouwde kom.
Onder ‘bebouwde kom’ wordt volgens het besluit van de gemeenteraad verstaan: dat gebied dat volgens de Bouwverordening gemeente Overbetuwe als zodanig is aangemerkt. Het buitengebied is het gebied buiten de bebouwde kom.
Op de zitting is de vraag aan de orde gesteld of park Tergouw binnen of buiten de bebouwde kom is gelegen. Verzoekster heeft gesteld dat het park binnen de bebouwde kom ligt, maar het college moest deze vraag schuldig blijven. Daardoor is onduidelijk gebleven of het college eerst een bindend advies aan de gemeenteraad had moeten vragen. Het college zal dit bij de beoordeling van het bezwaarschrift nader moeten onderzoeken. Omdat de voorzieningenrechter ervan uitgaat dat dit mogelijke gebrek in de beslissing op het bezwaarschrift kan worden hersteld, ziet hij hierin geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.
Is voldoende onderbouwd dat wordt afgeweken van het bestemmingsplan? 14. Voor zover in afwijking van het bestemmingsplan voor een deel in de bestemming ‘Tuin’ wordt gebouwd, heeft het college in de vergunning verwezen naar een stedenbouwkundig advies. Uit dit stedenbouwkundig advies zou blijken dat niet in strijd wordt gehandeld met ETFAL. Hoewel het stedenbouwkundig advies niet is overgelegd wordt dit door verzoekster ook niet betwist, zodat de voorzieningenrechter hier in het kader van de beoordeling van het verzoek vanuit zal gaan. Het college zal dit bij de beoordeling van het bezwaarschrift wel nader moeten beoordelen.
Voor zover de bouwwerken worden opgericht in de bestemming Leiding-Hoofspanningsverbinding heeft het college overwogen dat het bevoegd gezag op grond van artikel 10.3 door middel van een omgevingsvergunning kan toestaan dat gebouwen worden gebouwd, mits:
a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de hoogspanningsverbinding;
b. vooraf een schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de hoogspanningsverbinding.
Uit een opgevraagd advies blijkt dat de beheerder van de hoogspanningsverbinding, Tennet, akkoord is.
Verzoekster heeft betoogd dat Tennet niet op de hoogte zou zijn gebracht van het bestaan van grondvervuiling door groot puin en asbesthoudende materialen. Verder heeft zij erop gewezen dat in principe geen nieuwe 'gevoelige gebouwen' worden gebouwd binnen de magneetveldzone. Het college had volgens verzoekster moeten controleren of de grens van 0,4 microtesla (μ T) zou worden overschreden.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vraag of Tennet op de hoogte is van eventuele grondvervuiling en of het college had moeten controleren of de grens van 0,4 µ T wordt overschreden hier niet voor ligt. Het omgevingsplan staat bebouwing immers al toe, mits Tennet akkoord is. Daarvan is sprake.
Verzoekster stelt dat het college bij de afweging van de belangen om een vergunning te verlenen ook de problemen met de nutsvoorzieningen had moeten betrekken die de bewoners op het park ervaren. De voorzieningenrechter overweegt dat het college bij de ruimtelijke afweging slechts de gevolgen van die afwijking kan betrekken. In dit geval maakt het omgevingsplan de bouw van de woningen mogelijk, zij het dat in strijd met het omgevingsplan een klein deel van de chalets in de bestemming Tuin wordt gerealiseerd en binnen de bestemming hoogspanningsverbinding. De door verzoekster geschetste problemen hangen echter niet samen met deze afwijkingen. Het aantal woningen dat volgens het bestemmingsplan is toegestaan wordt niet vergroot. De problemen met de nutsvoorzieningen, het riool en de gasvoorziening zijn het gevolg van het feit dat de woningen door bestemmingswijziging permanent bewoond mogen worden, terwijl de nutsvoorzieningen daar niet op zijn berekend. De problemen met de nutsvoorzieningen moeten dan ook op een andere manier worden opgelost. Dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning zou leiden tot (mogelijk) ernstige nadelige voor de gezondheid en de gevraagde omgevingsvergunning op die grond geweigerd zou moeten worden, is niet aannemelijk gemaakt. De enkele stelling daartoe en het bestaan van problemen met de nutsvoorzieningen is niet genoeg.
15. Wel overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Het college is verantwoordelijk voor de handhaving van eisen die worden gesteld aan voorzieningen van de woningen op het park en de daaraan gestelde bouwkundige eisen, zoals op het gebied van brandveiligheid. In dit kader moet het college ook toezicht houden op de naleving van deze regels op het park en bij vermoedens van overtredingen onderzoeken of handhavend moet worden opgetreden. De vraag of die regels worden nageleefd en handhavend moet worden opgetreden ligt in deze zaak echter niet voor. Voor liggen de besluiten tot verlening van een ruimtelijke vergunning voor twee nieuwe chalets. Een vergunning voor een technische bouwactiviteit is niet aangevraagd en dus ook niet verleend. Of de aanvragen voldoen aan de eisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving ligt daarom niet voor.
Conclusie en gevolgen
16. De voorzieningenrechter concludeert dat het college nader dient te beoordelen of Park Tergouw binnen of buiten de bebouwde kom ligt en of advies gevraagd had moeten worden aan de gemeenteraad. Dit eventuele gebrek kan evenwel in de beslissing op bezwaar worden hersteld. Ook kan het college in de beslissing op bezwaar alsnog toevoegen dat ook een bopa wordt verleend, zoals door het college ook bij de primaire besluiten is beoogd te doen. Voor het overige is er geen reden om aan te nemen dat de verleende omgevingsvergunningen in bezwaar niet in stand zullen blijven. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is daarom geen reden. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken daarom af.
17. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y Snoeren-Bos, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerd publicatie op rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: