RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/118730-20
Datum uitspraak: 28 september 2026
Beslissing van de meervoudige kamer als bedoeld in artikel 6:6:10 van het Wetboek van Strafvordering
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[betrokkene], (hierna: betrokkene)
geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats],
verblijvende in het Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) [kliniek] (hierna: de kliniek).
Raadsman: mr. A.R. Ytsma, advocaat te Amsterdam.
Procedure
Betrokkene is op 22 mei 2024 bij arrest van het Gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden vanwege het misdrijf bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf en terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege. Deze maatregel is ingegaan op 20 juni 2024.
Bij vordering van 8 mei 2026, ingekomen op diezelfde datum, heeft de officier van justitie gevorderd dat deze maatregel wordt verlengd voor de duur van één jaar.
De rechtbank heeft verder kennis genomen van de volgende processtukken:
Ter zitting van 14 september 2026 zijn gehoord:
De standpunten
De officier van justitie heeft ter zitting de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling met één jaar gehandhaafd, nu aan de voorwaarden voor verlenging is voldaan.
De raadsman van betrokkene heeft zich niet verzet tegen de verlenging van de terbeschikkingstelling met één jaar.
De beoordeling
Indexdelict
De terbeschikkingstelling is opgelegd vanwege bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft overwogen dat de bewezen verklaarde feiten geen misdrijven betreffen die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer pers(o)on(en), zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling is beperkt tot de maximale duur van vier jaren. De maatregel is dus gemaximeerd.
Stoornis
Pro Justitia-rapporteurs stelden in 2020 in classificerende zin een aanpassingsstoornis vast, daarnaast stelde de psycholoog een dwangmatige persoonlijkheidsstoornis vast, en de psychiater een dwangmatige en vermijdende persoonlijkheidsstoornis. De rapporteurs beschreven onder meer een levenslang patroon van zich insufficiënt voelen, angst voor het negatieve oordeel van anderen, rigiditeit, perfectionisme en koppigheid.
Uit het rapport van de kliniek blijkt – in lijn met wat bovenvermelde rapporteurs beschreven – dat bij betrokkene sprake is van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis, waarbij dwangmatige en vermijdende kenmerken op de voorgrond staan. Van een aanpassingsstoornis is volgens de kliniek geen sprake meer. Betrokkene is tot op heden beperkt in staat geweest om verantwoordelijkheid te nemen voor delictgedrag en er is nog sprake van externaliseren en bagatelliseren. De indruk van de kliniek is dat hier geen antisociale dynamiek aan ten grondslag ligt, maar dit dient ter bescherming van het kwetsbare zelfbeeld.
Hieruit blijkt dat een persoonlijkheidsstoornis met dwangmatige en vermijdende kenmerken nog aanwezig is.
Verloop van de maatregel
Op 5 maart 2025 is betrokkene opgenomen op afdeling [afdeling] van de [kliniek].
Betrokkene functioneert in de dagelijkse omgeving van de afdeling rustig, hij is doorgaans vriendelijk en beleefd en hij verleent medewerking aan het assessment, ondanks dat hij de veroordeling en tbs-plaatsing zeer onterecht vindt en vindt dat zijn familie en behandelteam zich zouden moeten inzetten om de waarheid boven tafel te krijgen. Betrokkene verdraagt confrontatie met daderschap nauwelijks, probleembesef en ziekte-inzicht zijn nog beperkt. Desondanks stelt betrokkene zich wel open voor geïndiceerde behandelinterventies gericht op de persoonlijkheidsproblematiek en emotieregulatie; er kan contact worden gemaakt met lijden en in periodes ook met een veranderwens.
In het afgelopen jaar zijn twee wisselende gemoedstoestanden te zien, van enerzijds meer rust, schaamte, verdriet en gemis, en anderzijds een gemoedstoestand waarin betrokkene overspoeld wordt door woede, onrecht en wantrouwen. In deze conditie kan betrokkene ook in de kliniek nog dreigende uitspraken doen over slachtoffer en ongespecificeerde derden.
De afgelopen jaren is sprake geweest van meerdere incidenten. In juni 2025 vond een incident plaats waarin betrokkene agressief gedrag liet zien. Het probleembesef en - inzicht ten aanzien van de agressieregulatieproblematiek bleek erg beperkt. In februari 2026 deed betrokkene na een netwerkbijeenkomst met familie dreigende uitspraken over zijn delict/ex-partner, te weten dat hij het niet bij bedreigen had moeten laten en dat hij haar in elkaar slaat als hij haar ziet. De woede en het gebrek aan gedragscontrole dat vervolgens zichtbaar werd baart het behandelteam zorgen. Betrokkene is meer teruggetrokken aanwezig en lijkt zich meer vast te bijten in het gevecht tegen het systeem en het onrecht dat hij ervaart, waar dit voorheen een kortere periode betrof. In maart 2026 ontving betrokkene conform afspraken rond informatieverstrekking een brief van ex-partner, waarin stond beschreven hoe het met de kinderen gaat. Betrokkene zei op enig moment dat hij 'ze' (ongespecificeerd) allemaal afmaakt als hij hier uitkomt. Hij maakte daarbij het gebaar dat hij een geweer doorlaadde en de trekker overhaalde. Hij zei pas echt tbs te hebben verdiend als hij dat doet. In gesprek met zijn persoonlijk begeleider nadien is betrokkene stuurbaar, maar laadde zichtbaar op in spanning als hij over het onderwerp vertelde. In de traumascreening waar betrokkene in deze periode aan meewerkt geeft hij wel aan dat zijn pestverleden en ook jeugdervaringen momenteel getriggerd worden en extra lading geven. Hij is inmiddels gestart met individuele psychotherapie. Bespreking van de conceptaanvraag dubbel begeleid verlof met betrokkene verliep aanvankelijk moeizaam, maar uiteindelijk stelde betrokkene zich open en toegankelijker op. Op 9 april is de aanvraag dubbel begeleid verlof door de interne verlofcommissie goedgekeurd.
Ter zitting heeft de deskundige toegelicht dat verlof inmiddels ruim twee maanden geleden is gemachtigd, maar dat het verlof nog niet beoefend is. Enkel begeleid verlof is nog niet aangevraagd. De kliniek wil eerst ervaring opdoen met dubbel begeleide verloven. De afgelopen maanden staat bij betrokkene de boosheid zo op de voorgrond dat de kliniek eerst meer stabiliteit wil bereiken. In mei is er nog sprake geweest van bedreiging van personeel van de kliniek. Betrokkene werkt wel hard; hij volgt meerdere vormen van therapie en is daarin trouw. Er wordt in meerdere sessies grote bereidheid gezien om dingen anders aan te pakken. De deskundige heeft aangegeven dat het doel is om de rust terug te laten keren, dat er meer overeenstemming is over de probleemgebieden waaraan gewerkt moet worden en dat uiteindelijk de vervolgstap naar de onbegeleide fase gemaakt kan worden.
Recidivegevaar
Bij betrokkene kan de woede nog steeds op de voorgrond staan, waarbij betrokkene eerdere zorgverleners en kliniekmedewerkers beschouwt als misdadigers, vindt dat hem niets mankeert en hij geen behandeling nodig heeft. Deze intense boosheidsreactie is moeilijk te reguleren, waarbij betrokkene blijkens de bovenvermelde incidenten nog altijd kan vervallen in dreigende uitspraken over ex-partner en andere betrokkenen, met controleverlies ook in houding.
Indien de tbs-maatregel nu beëindigd zou worden, wordt het risico op terugval in delictgedrag hoog geacht, met mogelijk een korte aanlooptijd. Aangejaagd door woede en gevoel van onrecht, zal betrokkene naar verwachting telefonisch of fysiek ex-partner benaderen, met een realistische kans op terugval in delictgedrag. Bij beëindiging van de tbs maatregel wordt het risico op gewelddadig gedrag zowel op de korte als de lange termijn eveneens als hoog ingeschat. In geval van voorwaardelijke beëindiging van het bevel tot verpleging schat de kliniek het risico op recidive ook in als hoog.
Hieruit blijkt dat de kans op herhaling bij onmiddellijke of voorwaardelijke beëindiging van de terbeschikkingstelling onverminderd groot is.
Conclusie
Om volgende stappen verantwoord mogelijk te maken, is het noodzakelijk dat betrokkene meer zelfcontrole en copingvaardigheden ontwikkelt om met ervaren onrecht en woede om te gaan. Zijn bereidheid om kliniek en ketenpartners mee te laten denken over de toekomst is hierin een positief teken. De kernproblematiek is ook in de beveiligde omgeving van de tbs-kliniek nog zichtbaar en de begeleidbaarheid van betrokkene is in geval van oplopende woede beperkt, waardoor de kliniek nu ook nog geen basis ziet voor verdergaande vrijheden dan dubbel begeleid verlof. Meer stabiliteit in psychisch functioneren, afwezigheid van dreiging en verantwoordelijkheid kunnen nemen voor gedragscontrole zijn nodig om in een latere fase van het gemaximeerde tbs-traject de overgang naar een lager beveiligingsniveau verantwoord te kunnen maken. Dit is nu nog niet aan de orde en gaat volgens de kliniek gepaard met een hoog risico op recidive.
Op grond van op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen, de algemene veiligheid van personen de verlenging van de maatregel eist. Het recidiverisico bij (voorwaardelijke) beëindiging is onverminderd hoog. Net als de kliniek is de rechtbank wel van oordeel dat het op basis van de beperkte tijdsduur van de maatregel passend is om over één jaar opnieuw te toetsen hoe de vorderingen zijn in behandeling en vrijhedenkader. Tegen die tijd resteert er dan nog een laatste jaar binnen de gemaximeerde maatregel en kan het verdere traject worden besproken. De rechtbank zal de terbeschikkingstelling daarom, overeenkomstig de vordering en het advies, met één jaar verlengen.
De beslissing
De rechtbank:
verlengt de termijn van de terbeschikkingstelling van [betrokkene] met één jaar.