RECHTBANK GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11331114 \ CV EXPL 24-7834
Vonnis van 13 mei 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. H. Aydemir,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. G.J. Gerrits.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 30 juli 2025.
Bij e-mail van 23 januari 2026 heeft de kantonrechter een zittingsagenda aan de gemachtigden van partijen verzonden.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 februari 2026. [eiser] is verschenen in aanwezigheid van de heer [persoon 1] , bijgestaan door mr. H. Aydemir. [gedaagde] is verschenen in aanwezigheid van de heer [persoon 2] , bijgestaan door mr. G.J. Gerrits.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[eiser] is van 1 februari 2022 tot medio november 2022 in dienst geweest bij de voormalige onderneming van [gedaagde] , [voormalige onderneming] , in de functie van Chauffeur. [eiser] werd door [gedaagde] te werk gesteld bij [transportbedrijf] , een transportbedrijf.
Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg en de Verhuur van Mobiele Kranen van toepassing. In de cao staat:
“ Artikel 19
Inschaling bij indiensttreding
1. Bij indiensttreding wordt de werknemer ingeschaald in de bij zijn functie behorende loonschaal op de trede die overeenkomt met het aantal onafgebroken ervaringsjaren in dezelfde of soortgelijke functie, zowel in deze als in andere bedrijfstakken, direct voorafgaande aan de indiensttreding. Bij de vaststelling van het aantal ervaringsjaren blijven onderbrekingen van minder dan twee jaar buiten beschouwing.
(…)
Artikel 26 a
Loonberekening
1.a. De functielonen gelden voor 160 diensturen per periode van 4 weken, respectievelijk 173,92 diensturen per maand.
(…)
2.b. De diensturen moeten door de werknemer worden geregistreerd op een door de werkgever te verstrekken urenverantwoordingsstaat. Een registratieplicht geldt eveneens voor de uren besteed aan rust, pauzes en correcties.
(…)
Artikel 29
Vergoeding overuren
(…)
3. Overuren worden – met inachtneming van artikel 30 – vergoed door het uurloon vermeerderd met een toeslag van 30%.(…)”
Op 17 augustus 2023 heeft (de gemachtigde van) [eiser] aan [gedaagde] bericht dat hij nog loon aan [eiser] verschuldigd is.
3. De vordering en het verweer
[eiser] vordert – na wijziging van eis – dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot:
I. betaling van een bedrag van € 6.980,17 bruto ten titel van het verkeerd toegepaste uurloon;
II. betaling van een bedrag van € 5.532,26 netto ten titel van niet volledig betaald nettoloon;
III. betaling van een bedrag van € 7.213,27 bruto ten titel van overwerk;
IV. betaling van een bedrag van € 388,63 bruto aan vakantietoeslag;
V. betaling van de wettelijke verhoging van 50% over de bedragen onder I. tot en met IV.;
VI. betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.167,59;
VII. betaling van een bedrag van € 2.132,30 aan kosten voor conservatoir beslag;
VIII. betaling van de wettelijke rente over de vordering I. tot en VI. vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot aan de dag van algehele voldoening;
IX. overlegging van een bruto netto specificatie van de onder I. tot en met VII. genoemde vorderingen, binnen vijf dagen ha het wijzen van vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag (een gedeelte van een dag voor een hele gerekend) dat [gedaagde] in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen;
X. correcte afdracht van de werknemers- en werkgeverspremies over de periode van 1 februari 2022 tot 1 november 2022, binnen twee weken na het wijzen van het vonnis, aan het pensioenfonds Vervoer, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag (een gedeelte van een dag voor een hele gerekend) dat [gedaagde] in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen;
XI. betaling van de werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand, althans de proceskosten conform de liquidatietarieven kanton.
[eiser] legt – kort samengevat – aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij niet conform de toepasselijke cao is ingeschaald en uitbetaald. Verder heeft hij niet het nettoloon uitbetaald gekregen zoals is vermeld op de loonstroken en heeft hij niet alle gemaakte overuren uitbetaald gekregen. Tot slot stelt [eiser] dat hij een bedrag van € 1.000,00 aan [gedaagde] heeft betaald, welk bedrag [gedaagde] nooit heeft terugbetaald.
[gedaagde] heeft verweer gevoerd waarop hierna, voor zover van belang, wordt ingegaan.
4. De beoordeling
Klachtplicht
[gedaagde] beroept zich ten aanzien van de vorderingen van [eiser] op de klachtplicht, hetgeen volgens [gedaagde] moet leiden tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] . Volgens [gedaagde] heeft [eiser] zich pas een jaar na het einde van het dienstverband bij [gedaagde] beklaagd over de betaling van achterstallig loon en heeft het vervolgens nog een jaar geduurd voordat een dagvaarding is uitgebracht. Als gevolg hiervan heeft [gedaagde] tijdens het dienstverband niet de mogelijkheid gehad om te kunnen acteren en/of reageren op de klachten van [eiser] . Omdat hij in de tussenliggende periode zijn eenmanszaak heeft beëindigd, is het voor hem niet meer eenvoudig om waar nodig bewijs te leveren van sommige stellingen, aldus [gedaagde] .
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de klachtplicht van artikel 6:89 BW in beginsel van toepassing is op alle verbintenissen, waaronder ook die uit hoofde van een arbeidsovereenkomst en die tot betaling van een geldsom. Of in een concreet geval gedeeltelijk is gepresteerd of in het geheel niet, hangt af van de omstandigheden van het geval (ECLI:NL:HR:2024:1278).
De klachtplicht in het arbeidsrecht houdt – kort gezegd – in dat werknemers tijdig moeten klagen over gebreken in de prestatie van de werkgever, zoals het niet (volledig) ontvangen van loon, omdat anders hun recht daarop vervalt. Bij de beoordeling van het beroep op de klachtplicht moet het bijzondere karakter van de arbeidsverhouding in aanmerking worden genomen, waarbij onder meer acht moet worden geslagen op de aard en inhoud van de rechtsverhouding, de aard en inhoud van de prestatie en de aard van het gestelde gebrek in de prestatie. Het bijzondere karakter van de arbeidsverhouding kan onder omstandigheden meebrengen dat een werknemer niet altijd de ruimte of gelegenheid ervaart om bij de werkgever te klagen. Tot de in aanmerking te nemen omstandigheden behoort verder het antwoord op de vraag of de werkgever nadeel lijdt door het late tijdstip waarop de werknemer heeft geklaagd.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] geen beroep op de klachtplicht toekomt. Hoewel toegegeven moet worden dat de gemachtigde van [eiser] zich eerst bijna een jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst heeft gewend tot [gedaagde] , kan dit niet aan [eiser] worden verweten. Zo heeft [eiser] toegelicht dat hij als internationaal vrachtwagenchauffeur veel onderweg is en daarom weinig mogelijkheden om een advocaat te zoeken. Bovendien is [eiser] de Nederlandse taal niet machtig en heeft hij toegelicht dat hij de cao niet kende en heeft hij onbetwist gesteld dat hij zijn loonstroken pas na uitdiensttreding heeft ontvangen zodat hij toen pas kon uitzoeken hoe hij bij [gedaagde] was ingeschaald.
Verder heeft [eiser] gemotiveerd gesteld dat partijen tijdens en kort na afloop van het dienstverband wel hebben gesproken over de loonbetalingen. Ter onderbouwing van zijn stellingen verwijst [eiser] allereerst naar de brief van de heer [persoon 3] , werkzaam bij [transportbedrijf] , van 21 februari 2025. In deze brief staat dat de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] is geëindigd omdat er verschil van inzicht is ontstaan over de uitbetaling van het loon en dat [transportbedrijf] dit destijds ook heeft besproken met [gedaagde] . De directeur van [transportbedrijf] , de heer [directeur] , heeft bij e-mail van 1 juli 2025 bevestigd dat hetgeen de heer [persoon 3] heeft omschreven juist is en dat [transportbedrijf] met [gedaagde] overleg had over de samenwerking. De enkele betwisting van [gedaagde] de stelling dat hij contact heeft gehad met [transportbedrijf] , acht de kantonrechter in het licht van voorgaande verklaringen onvoldoende.
Verder volgt uit het door [eiser] overgelegde WhatsAppbericht van 2 december 2022 dat [eiser] , nadat hij van [gedaagde] de salarisspecificaties heeft ontvangen, aan [gedaagde] vraagt of de 14 verlofdagen wel zijn berekend, waarop [gedaagde] reageert: “Ik heb het een beetje druk. Laten we later praten.” Blijkens de WhatsAppcorrespondentie tussen partijen is op 6 december 2022 nogmaals contact geweest over een overboeking door [gedaagde] . [gedaagde] heeft dit verder niet meer weersproken en ook niet toegelicht waarover dit, anders dan over salaris, zou gaan. Uit het e-mailbericht van de boekhouder van 18 november 2024 kan evenmin worden afgeleid dat [eiser] niet eerder zou hebben geklaagd. Het enkele feit dat partijen bij aanvang van het dienstverband zouden zijn overeengekomen dat een bepaald salaris zou worden betaald, ontslaat [gedaagde] niet van de verplichting om het loon conform de cao aan [eiser] te voldoen en zegt niets over de tussentijdse rappellen van [eiser] .
De kantonrechter weegt verder mee dat dat [gedaagde] onvoldoende heeft gemotiveerd welk nadeel hij lijdt als gevolg van de eventuele late melding van [eiser] . Zo is [gedaagde] als ondernemer verplicht om zijn boekhouding deugdelijk bij te houden en te bewaren, ook na het beëindigen van de onderneming. Bovendien heeft [eiser] gemotiveerd gesteld, hetgeen door [gedaagde] niet is betwist, dat partijen voorafgaand aan het dienstverband bij [gedaagde] samen hebben gewerkt voor een ander transportbedrijf, zodat [gedaagde] op de hoogte moet zijn geweest van in elk geval enig arbeidsverleden van [eiser] . Bij haar oordeel betrekt de kantonrechter verder dat [gedaagde] een groot deel van de vordering van [eiser] heeft erkend. Tot slot ligt het op de weg van [gedaagde] om zijn werknemers te verlonen en inschalen conform de afspraken die zijn vastgelegd in de cao. Als [gedaagde] dat niet heeft gedaan en een werknemer vervolgens om nabetaling vraagt, dient dit voor rekening en risico van [gedaagde] te komen.
Al deze omstandigheden tezamen leiden tot het oordeel dat het beroep van [gedaagde] op de klachtplicht niet slaagt. Dit betekent dat de kantonrechter in het hiernavolgende zal beoordelen of en hoeveel salaris [gedaagde] nog aan [eiser] is verschuldigd.
Welk uurloon is van toepassing?
[eiser] is bij aanvang van het dienstverband ingeschaald in salarisschaal D1. Daarbij hoort een bruto uurloon van € 13,49. [eiser] stelt dat hij voorafgaand aan zijn dienstverband met [gedaagde] 27 jaar ervaring had als internationaal vrachtwagenchauffeur. Hij meent dat hij op basis daarvan had moeten worden ingeschaald in salarisschaal D6 van de cao. Bij deze salarisschaal hoort een bruto uurloon van € 16,41.
[gedaagde] voert aan dat het hem bij aanvang van het dienstverband niet bekend was dat [eiser] meer werkervaring had als internationaal vrachtwagenchauffeur; [eiser] heeft hem daarover niet geïnformeerd. Omdat [eiser] dit heeft nagelaten kan hij niet achteraf aanspraak maken op een hoger uurloon en is de verloning op grond van salarisschaal D1 de juiste. Verder voert [gedaagde] aan dat uit de door [eiser] overgelegde stukken niet kan worden afgeleid dat zijn werkervaring 27 jaar bedroeg.
Zoals hiervoor al is overwogen is het de verantwoordelijkheid van de werkgever om de werknemer bij indiensttreding in te schalen in de voor de betreffende werknemer toepasselijke salarisschaal. Uit de door [eiser] gegeven toelichting over de voorgeschiedenis tussen partijen, leidt de kantonrechter af dat [gedaagde] op de hoogte moet zijn geweest van in ieder geval enig relevant arbeidsverleden van [eiser] . Het lag daarom op de weg van [gedaagde] om bij aanvang van het dienstverband [eiser] hierop actief te bevragen. Dat [eiser] uiteindelijk heeft ingestemd met het voorstel van [gedaagde] kan hem, gelet op het ontbreken van kennis over de Nederlandse wet- en regelgeving en in het bijzonder de gelende cao en het niet machtig zijn van de Nederlandse taal, niet worden verweten. Het was de verantwoordelijkheid van [gedaagde] als werkgever om [eiser] juist in te schalen.
In artikel 19 lid 1 van de cao staat dat de werknemer bij indiensttreding wordt ingeschaald in de bij zijn functie behorende loonschaal op de trede die overeenkomt met het aantal onafgebroken ervaringsjaren in dezelfde of soortgelijke functie, zowel in deze als in andere bedrijfstakken, direct voorafgaande aan de indiensttreding. Bij vaststelling van het aantal ervaringsjaren blijven onderbrekingen van minder dan twee jaar buiten beschouwing. [eiser] is in dienst getreden op 1 februari 2022. Dit betekent dat hij stukken moet overleggen waaruit blijkt dat hij in de periode na 1 februari 2020 heeft gewerkt in dezelfde of soortgelijke functie.
In aanvulling op de door hem als productie 5 in het geding gebrachte bewijsstukken, heeft [eiser] als productie 16 verklaringen overgelegd van voormalig werkgevers. Daaruit kan worden afgeleid dat hij van 1 maart 2019 tot 30 juli 2019 in dienst was bij Tetnak als vrachtwagenchauffeur, in de periode van 23 november 2019 tot 22 februari 2021 bij Solid Trans en in de periode van 30 maart 2021 tot 19 augustus 2021 bij SHT. [eiser] heeft hiermee aangetoond dat hij in elk geval drie jaar voorafgaand aan het dienstverband bij [gedaagde] , vanaf 1 maart 2019, werkzaam was als vrachtwagenchauffeur. Dit betekent dat [eiser] in trede D3 ingeschaald had moeten worden. Bij deze schaal en trede hoort een bruto uurloon van € 14,59.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiser] nog recht heeft op uitbetaling van het verschil tussen het reeds uitbetaalde loon tegen het uurloon van € 13,49 bruto en het uurloon waar [eiser] eigenlijk recht op had, te weten € 14,59 bruto. Dit betreft een verschil van € 1,10 bruto per uur. Uit overgelegde loonstroken maakt de kantonrechter op dat er tot op heden in totaal 1.698,50 uur aan [eiser] is uitbetaald. Hij heeft over deze uren recht op een bedrag van in totaal € 1.868,35 bruto (1698,5 uur x € 1,10 bruto). Dit bedrag wordt dan ook toegewezen.
Aantal gewerkte uren waarover loon verschuldigd is
Tussen partijen is niet langer in geschil dat voor de berekening van het totaal door [eiser] gewerkte uren moet worden uitgegaan van de rittenstaten zoals die door [eiser] zijn overgelegd bij de dagvaarding. Hoewel partijen van dezelfde rittenstaten uitgaan, verschillen zij desondanks van mening over het totaal aantal door [eiser] gewerkte uren.
Volgens [eiser] heeft [gedaagde] 194,02 uur te weinig uitbetaald. [gedaagde] heeft erkend dat hij nog 110,58 uur aan [eiser] moet betalen tegen 100% van het uurloon en dat [eiser] bovendien nog recht heeft op 70,5 uur aan zaterdag- en zondaguren, welke uren moeten worden uitbetaald op basis van 150% van het uurloon. Volgens [gedaagde] betreft dit in totaal 181,08 uur.
De kantonrechter heeft naar aanleiding van de verklaringen van partijen op de mondelinge behandeling de volgende discrepanties uit de berekeningen van partijen over en weer kunnen destilleren.
[eiser] heeft gesteld dat hij in week 16 50,66 uur heeft gewerkt, terwijl [gedaagde] over deze periode 37,33 uur aan [eiser] heeft uitbetaald. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij de uren van vrijdag 22 april 2022, te weten 13,33 uur, niet heeft uitbetaald aan [eiser] omdat deze uren niet door [eiser] , maar door [gedaagde] zelf zijn gewerkt. Nu [eiser] dit verweer verder niet heeft weersproken en op de urenstaat inderdaad de naam van [gedaagde] als chauffeur vermeld staat, moet ervan worden uitgegaan dat [eiser] in week 16 37,33 heeft gewerkt, welke uren al aan [eiser] zijn uitbetaald. In week 16 zijn er dus niet te weinig uren aan [eiser] uitbetaald. Uitgaande van de berekening van [eiser] , betekent dit dat de door [eiser] berekende 194,02 uur moeten worden verminderd met 13,33 uur. Dan resteert 180,69 uur dat aan [eiser] moet worden uitbetaald.
Tijdens de mondelinge behandeling is komen vast te staan dat een ander verschil in de berekeningen van partijen is gelegen in week 35 (september). Volgens de rittenstaten zou [eiser] in die week 19,25 uur heeft gewerkt. [gedaagde] heeft erkend dat hij over deze periode 8,75 uur te weinig aan [eiser] heeft gerekend. Dit betekent dat [gedaagde] over die periode nog 8,75 (100%) uur aan [eiser] moet uitbetalen, welke uren al zijn verdisconteerd in de berekening van [eiser] .
In week 35 (augustus) zou volgens de rittenstaten door [eiser] 25,25 uur zijn gewerkt. Namelijk op maandag 29 augustus 2022 4,5 uur, op dinsdag 30 augustus 2022 11,50 uur en op woensdag 31 augustus 2022 9,25 uur. [eiser] heeft gesteld dat hij deze week 34,5 uur heeft gewerkt. De kantonrechter gaat ervan uit dat [eiser] bij week 35 (augustus) de gewerkte uren op zondag 28 augustus 2025 per abuis heeft meegerekend. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling onweersproken toegelicht dat zij 9,25 uur van week 35 heeft verloond in week 34. Dit betekent dat op het totaal aantal uren van 180,69 nog 9,25 uur in mindering dient te strekken. Dit komt neer op 171,44 uur die [gedaagde] nog aan [eiser] moet betalen tegen 100% van het uurloon.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] nog toegelicht dat hij de uren van 28 augustus 2025 ten onrechte heeft belast tegen 150% van het toepasselijke tarief in plaats van 200%. Dit betekent dat [gedaagde] over 9,25 uur nog 50% loon verschuldigd is aan [gedaagde] .
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiser] nog 171,44 aan reguliere uren uitbetaald moet krijgen, dit komt neer op een bedrag van € 2.501,31 bruto
(171,44 uur x € 14,59 bruto). Aan zaterdaguren moet [gedaagde] nog een bedrag van
€ 1.543,25 bruto (70,5 uur x € 21,89 bruto (130%)) aan [eiser] uitbetalen. Tot slot heeft [eiser] nog recht op nabetaling van een bedrag van € 67,53 bruto (9,25 uur x € 7,30 bruto (50% van het uurloon)). In totaal komt dit neer op een bedrag van € 4.112,09 bruto. Dit bedrag wordt toegewezen.
Loon maand juli
Uit de salarisspecificaties volgt dat [eiser] geen salaris heeft gekregen over de maand juli 2022. [eiser] stelt dat hij in die maand op vakantie is geweest en zijn vakantiedagen heeft opgenomen. [gedaagde] betwist dit en voert aan dat partijen zijn overeengekomen dat [eiser] in de maand juli niet zou worden opgeroepen voor werk en dat hij over die maand ook geen loon zou ontvangen.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] nog recht heeft op het salaris voor de maand juli 2022. Partijen zijn in de arbeidsovereenkomst overeengekomen dat [eiser] twintig vakantiedagen heeft op basis van een fulltime dienstverband. Niet gesteld of gebleken is dat, als het verweer van [gedaagde] wordt gevolgd, deze nog openstaande vakantiedagen bij einde van het dienstverband aan [eiser] zijn uitbetaald of dat [eiser] zijn vakantiedagen op een ander moment heeft opgenomen. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat [eiser] zijn vakantiedagen heeft opgenomen in de maand juli, zodat [eiser] nog recht heeft op doorbetaling van zijn salaris tijdens vakantie.
Op grond van artikel 26a van de cao is de arbeidsomvang op grond van de cao 173,92 uur per periode. Het salaris over de maand juli 2022 bedraagt daarom € 2.537,49 bruto (173,92 x € 14,59 bruto). Dit bedrag wordt toegewezen.
Overwerk
Zoals hiervoor al is geoordeeld moet er op basis van de loonstroken vanuit worden gegaan dat [eiser] 1.698,50 aan uren uitbetaald heeft gekregen. Voor de berekening van het aantal overuren moeten daarbij de niet uitbetaalde uren, in totaal 171,44 worden opgeteld. [eiser] heeft dan in totaal 1.869,94 gewerkt.
Op grond van artikel 26a van de cao is de arbeidsomvang op grond van de cao 173,92 uur per periode. Uitgaande van acht gewerkte perioden zou de standaard arbeidsomvang in totaal 1.391,36 uur hebben bedragen (173,92 uur x 8 maanden). De kantonrechter laat de maand juli buiten beschouwing omdat [eiser] in die maand niet heeft gewerkt en zijn vakantiedagen wordt geacht in die maand te hebben opgenomen (r.o. 4.22). Bovendien is [gedaagde] bij de berekening van de overuren in zijn conclusie van dupliek ook uitgegaan van 8 gewerkte maanden in plaats van 9 (punt 16 conclusie van dupliek).
Dit betekent dat [gedaagde] nog over 478,58 uur overwerktoeslag verschuldigd is. Op grond van artikel 29 lid 3 van de cao worden overuren vergoed door het uurloon te vermeerderen met 30%. Dit betekent dat [eiser] nog recht heeft op een bedrag van € 2.096,18 bruto aan overwerktoeslag (478,58 uur x € 4,38 (30% van € 14,59)). Dit bedrag wordt toegewezen.
Vakantietoeslag
Uitgaande van de arbeidsomvang van 173,92 uur per maand en het uurloon van € 14,59 bruto, had [eiser] gedurende het dienstverband recht op € 1.826,99 bruto aan vakantietoeslag (8% van € 2.537,49 x 9 maanden). Blijkens de salarisspecificaties heeft [gedaagde] € 1.666,27 bruto aan vakantietoeslag berekend. Dit betekent dat [eiser] nog recht heeft op een nabetaling van € 196,72 bruto (1.826,99 - € 1.666,27) aan vakantietoeslag. De vordering van [eiser] wordt tot dit bedrag toegewezen.
Verschil in netto loonbetalingen
[eiser] stelt dat hij niet het nettoloon heeft ontvangen zoals dat op zijn loonstroken is vermeld. [eiser] heeft nog recht op een bedrag van € 4.532,26 netto (productie 6). Op grond van de loonstroken zou hij recht hebben op € 25.171,11 netto, terwijl een bedrag van € 20.639,00 netto is uitbetaald.
Uit de door [gedaagde] overgelegde betalingsbewijzen (productie 2 tot en met 11) volgt dat hij € 21.047,15 netto aan [eiser] heeft uitbetaald. Verder heeft [eiser] niet weersproken dat bij het salaris van de maand mei een bedrag van € 524,89 is ingehouden op het salaris in verband met ticketkosten. Ook heeft [eiser] onvoldoende gemotiveerd weersproken dat hij voor de maand juli 2022 een voorschot van € 300,00 heeft ontvangen. De enkele blote betwisting van [eiser] is hiervoor onvoldoende.
De overige verweren van [gedaagde] , waaronder het verrichten van contante betalingen, betalingen aan derden in het kader van huurbetalingen en betalingen ten behoeve van [eiser] maar aan de zoon van [gedaagde] omdat [eiser] zijn bankpas tijdelijk mocht gebruiken, zijn niet komen vast te staan. Gelet op de gemotiveerde betwisting door [eiser] lag het op de weg van [gedaagde] zijn verweer op deze onderdelen nader te onderbouwen. Dat heeft hij nagelaten. Aan een bewijsopdracht wordt daarom niet toegekomen.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat [gedaagde] aan [eiser] een bedrag van
€ 3.299,07 netto (€ 25.171,11 - € 21.047,15 - € 524,89 - € 300,00) te weinig aan loon aan [eiser] heeft uitbetaald. Dit bedrag wordt dan ook toegewezen.
Betaling van € 1.000,00 aan [gedaagde]
[eiser] stelt dat hij op 30 september 2022 € 1.000,00 aan [gedaagde] heeft betaald, nadat [gedaagde] hem daarom vroeg in verband met financiële problemen. [eiser] stelt dat hij dit bedrag, althans zo begrijpt de kantonrechter zijn stellingen, in het kader van een geldleningsovereenkomst aan [gedaagde] heeft betaald, althans in het kader van een terugbetaling van ontvangen loon. Ter onderbouwing heeft [eiser] verwezen naar het WhatsAppbericht van 30 september 2022 waaruit volgt dat [eiser] aan [gedaagde] schrijft: “Er is zojuist een overboek gedaan naar jullie rekening. 1000 euro.”. Daarop schrijft [gedaagde] aan [eiser] : “Bedankt broer”.
[gedaagde] erkent dat hij het bedrag van € 1.000,00 van [eiser] heeft ontvangen, maar heeft betwist dat hij dit bedrag van [eiser] heeft geleend en dat terugbetaald moest worden. Het bedrag zou eerder door [gedaagde] aan [eiser] zijn geleend en de betaling betrof was de terugbetaling daarvan. Gelet op dit verweer ligt het op de weg van [eiser] onderbouwd te stellen en gelet op de betwisting te bewijzen dat hij dit bedrag aan [gedaagde] heeft betaald ten titel van geldlening en hij recht heeft op terugbetaling daarvan. Dat heeft [eiser] niet gedaan. Uit het WhatsApp-bericht kan niet worden afgeleid dat er is betaald op basis van een geldleningsovereenkomst, althans dat er sprake is geweest van terugbetaling van het loon dat door [gedaagde] op enig moment terugbetaald zou moeten worden. Ook overigens heeft [eiser] ter zake onvoldoende gesteld. Zo is onduidelijk van welk deel van de vordering van [eiser] dit bedrag onderdeel uitmaakt. [eiser] heeft dit bedrag niet afzonderlijk genoemd in het petitum van de dagvaarding. Hij heeft het enkel opgenomen in productie 6 bij de door hem gemaakte berekeningen van de achterstand in betalingen. Het voorgaande leidt ertoe dat deze vordering wordt afgewezen.
Wettelijke verhoging
[eiser] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging. De kantonrechter ziet aanleiding de wettelijke verhoging van artikel 7:625 te matigen tot 10%. Daarbij betrekt de kantonrechter dat de onderneming van [gedaagde] is opgeheven en de prikkel voor de werkgever om tot tijdige betaling van het loon over te gaan in die zin thans zinledig is. Tegelijkertijd heeft [gedaagde] reeds bij conclusie van dupliek van 30 juli 2025 een groot deel van de vordering van [eiser] erkend maar waren er desondanks op de datum van de mondelinge behandeling nog geen betalingen verricht.
Buitengerechtelijke incassokosten
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Gelet op het toegewezen deel van de hoofdsom wordt een bedrag van € 1.108,46 toegewezen.
Wettelijke rente
De door [eiser] gevorderde wettelijke rente over de onderscheidenlijke vorderingen wordt toegewezen als vermeld in de beslissing.
Overlegging bruto/netto specificatie
[gedaagde] wordt veroordeeld tot het overleggen van een bruto- netto specificatie van de aan [eiser] verschuldigde bedragen. De kantonrechter ziet aanleiding de termijn waarbinnen [gedaagde] de specificatie moet verstrekken te bepalen op 30 dagen na de datum van betekening van het vonnis. De gevorderde dwangsom wordt toegewezen en gemaximeerd zoals vermeld in de beslissing.
Correcte afdracht pensioenpremie
Omdat [gedaagde] bij de verloning is uitgegaan van een onjuist uurloon, wordt hij veroordeeld om binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis over te gaan tot correcte afdracht van de werknemers- en werkgeverspremies aan het pensioenfonds Vervoer. De gevorderde dwangsom wordt toegewezen en gemaximeerd zoals vermeld in de beslissing.
Kosten conservatoir beslag
De gevorderde kosten van het door [eiser] gelegde conservatoir beslag worden afgewezen. [eiser] heeft nagelaten de beslagstukken in het geding te brengen. De enkele factuur van de deurwaarder en de factuur van het griffierecht volstaat niet.
Proceskosten
De door [eiser] gevorderde betaling van de reële proceskosten wordt afgewezen. Van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door [gedaagde] , als gevolg waarvan moet worden afgeweken van de gebruikelijke tarieven is niet gebleken.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
135,97
- griffierecht
€
706,00
- salaris gemachtigde
€
1.900,50
(3,5 punten × € 543,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.877,47
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 1.868,35 bruto als gevolg van de onjuiste inschaling, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf 17 augustus 2023 tot aan de dag van algehele voldoening,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 4.112,09 bruto aan achterstallig loon, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf 17 augustus 2023 tot aan de dag van algehele voldoening,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 2.537,49 bruto aan achterstallig loon over de maand juli 2022, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf 17 augustus 2023 tot aan de dag van algehele voldoening,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 2.096,18 bruto aan overwerktoeslag, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf 17 augustus 2023 tot aan de dag van algehele voldoening,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 196,72 bruto aan vakantietoeslag, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf 17 augustus 2023 (de datum van de eerste sommatie van de gemachtigde van [eiser] ) tot aan de dag van algehele voldoening,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 3.299,07 netto aan onbetaald gelaten loon, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf 17 augustus 2023 tot aan de dag van algehele voldoening,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke verhoging van 10% over de bedragen onder r.o. 5.1. tot en met 5.6., te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf 23 september 2024 tot aan de dag van algehele voldoening,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van
€ 1.108,46 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf 23 september 2024 tot aan de dag van algehele voldoening;
veroordeelt [gedaagde] om binnen 30 dagen na de datum van betekening van het vonnis aan [eiser] een gecorrigeerde bruto- netto specificatie te verstrekken op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag met een maximum van € 20.000,00 voor elke dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft,
veroordeelt [gedaagde] om binnen 30 dagen na de datum van betekening van het vonnis over te gaan tot correcte afdracht van de werknemers- en werkgeverspremies aan het pensioenfonds Vervoer, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag met een maximum van € 20.000,00 voor elke dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.877,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.W. de Groot en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
34124 / 498