RECHTBANK GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 12264932 \ VV EXPL 26-79
Vonnis in kort geding van 20 juli 2026
in de zaak van
STICHTING WOONSERVICE IJSSELLAND,
te Doesburg ,
eisende partij,
hierna te noemen: IJsselland,
gemachtigde: mr. M.J. Seijbel,
tegen
[bedrijf] Q.Q. BEWINDVOERDER VAN DE ONDER BEWIND GESTELDE GOEDEREN DIE (ZULLEN) TOEBEHOREN AAN MEVROUW [gedaagde],
te [plaats 1] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de bewindvoerder q.q.,
procederend in persoon,
en
[gedaagde]
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 24 juni 2026
- de akte aan de zijde van IJsselland van 8 juli 2026 met producties 12 en 13,- de mondelinge behandeling van 9 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
De datum van het vonnis is bepaald op heden,
2. De feiten
IJsselland heeft met [gedaagde] per 29 september 2020 een huurovereenkomst gesloten voor de woning aan de [adres 1] te [plaats 2] (hierna: het gehuurde).
Op 27 januari 2026 heeft in het gehuurde een brand gewoed, waardoor het gehuurde ernstig is beschadigd en herstel noodzakelijk was voordat deze weer kon worden bewoond.
In verband hiermee heeft IJsselland aan [gedaagde] tijdelijke woonruimte aangeboden, aan de [adres 2] te [plaats 2] (hierna: de tijdelijke woning). Tussen partijen is op 6 februari 2026 een gebruiksovereenkomst gesloten met betrekking tot de tijdelijke woning. In de gebruiksovereenkomst staat, voor zover van belang:
“(…)
WIJ heeft Gebruiker tijdelijk – voor de duur van de herstelwerkzaamheden aan het gehuurde – en zonder verplichting daartoe om niet een andere woning voor haar bewoning aangeboden, te weten de woning met onroerende aanhorigheden aan de [adres 2] in [plaats 2] (hierna ook te noemen: “de tijdelijke woning”). Gebruiker accepteert die tijdelijke vervangende woonruimte onder de in deze gebruikersovereenkomst vermelde voorwaarden;
Gebruiker is zich ervan bewust dat haar geen huurbescherming toekomt ter zake de tijdelijke woning, omdat van een huurovereenkomst uitdrukkelijk geen sprake is nu zij als Gebruiker voor het gebruik van de tijdelijke woning geen vergoeding aan WIJ verschuldigd is. Daarentegen zal Gebruiker de gebruikelijke huurpenningen voor het gehuurde aan WIJ blijven voldoen nu partijen ervoor kiezen om de huurovereenkomst van het gehuurde in stand te laten;(…)
Artikel 1. Duur en omvang gebruik
Gebruiker zal met ingang van 6 februari 2026 gebruik kunnen maken van de tijdelijke woonruimte aan de [adres 2] in [plaats 2] , dit voor onbepaalde tijd doch niet langer dan noodzakelijk is voor het zodanig herstellen van de door de brand op 27 januari 2026 veroorzaakte schade aan het gehuurde aan de [adres 1] te [plaats 2] dat het gehuurde weer voor normale bewoning geschikt is.(…)
De opzegtermijn van deze gebruikersovereenkomst is één maand, zowel voor WIJ als voor Gebruiker, zonder benodigde opgaaf van reden.
Gebruiker zal de tijdelijke woning enkel als haar eigen woonruimte gebruiken en deze niet onderverhuren of aan derden in gebruik geven anders dan voord en normale ontvangst van bezoek.(…)”
Omdat [gedaagde] de tijdelijke woning niet in gebruik nam, heeft IJsselland haar bij brief van 31 maart 2026 gesommeerd de tijdelijke woning in gebruik te nemen.
Omdat [gedaagde] geen gevolg gaf aan deze sommatie, heeft IJsselland de gebruiksovereenkomst ten aanzien van de tijdelijke woning bij brief van 20 april 2026 opgezegd tegen 20 mei 2026.
Bij e-mail van 29 april 2026 bericht de bewindvoerder q.q. aan IJsselland dat zij van de rechtbank een machtiging heeft gekregen voor de opzegging van de huurovereenkomst van het gehuurde. In diezelfde e-mail wordt de huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde met inachtneming van een opzegtermijn van één maand opgezegd tegen 29 mei 2026. De huur voor het gehuurde is tot aan die datum betaald.
[gedaagde] heeft de tijdelijke woning medio mei 2026 alsnog betrokken en de tijdelijke woning niet opgeleverd naar aanleiding van de opzegging van IJsselland van 20 april 2026.
De bewindvoerder q.q. heeft de rechtbank gevraagd tot ontslag van de bewindvoerder over te gaan. De mondelinge behandeling van dit verzoek staat gepland op 24 juli 2026.
3. Het geschil
IJsselland vordert dat de kantonrechter, bij wijze van voorlopige voorziening, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] , althans de bewindvoerder q.q., te veroordelen de woning gelegen aan de [adres 2] te [plaats 2] ( [postcode] ), met alle daarin bevindende personen en zaken die geen eigendom zijn van IJsselland te ontruimen, te verlaten en ontruimd te laten en schoon, zonder schade en onder afgifte van alle sleutels ter vrije beschikking van IJsselland te stellen, binnen zeven dagen na betekening van het te wijzen vonnis, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn;
II. [gedaagde] , althans de bewindvoerder q.q., te veroordelen om aan IJsselland te betalen een vergoeding gelijk aan de voorheen als huurpenningen voor het gehuurde bedoelde gelden, voor de periode gelegen vanaf 20 mei 2026 en tot en met de dag van de onder I. gevorderde ontruiming;
III. [gedaagde] , althans de bewindvoerder q.q. hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
IJsselland legt aan de vordering ten grondslag dat zij de gebruiksovereenkomst voor de tijdelijke woonruimte mocht opzeggen omdat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming daarvan door de woning niet te betrekken, terwijl de tijdelijke woning juist was bedoeld in om haar woonbehoefte te voorzien nadat het gehuurde door brand deels was verwoest. In verband met de opzegging door IJsselland, verblijft [gedaagde] op dit moment zonder recht of titel in de tijdelijke woning, hetgeen een veroordeling tot ontruiming van de tijdelijke woning rechtvaardigt. Daar komt bij dat [gedaagde] , nadat zij de tijdelijk woning uiteindelijk in gebruik nam, ernstige overlast is gaan veroorzaken. Zij gedraagt zich derhalve niet als een goed gebruiker, waardoor zij ook om die reden tekortschiet in de nakoming van de gebruiksovereenkomst.
De bewindvoerder q.q. is tijdens de mondelinge behandeling verschenen en heeft een toelichting gegeven op de door haar gedane opzegging van de huurovereenkomst. Verder heeft de bewindvoerder q.q. toegelicht dat zij de rechtbank heeft verzocht om te worden ontslagen als bewindvoerder. Volgens de bewindvoerder q.q. is het bewind onuitvoerbaar wegens gebrek aan contact met [gedaagde] . Bovendien is haar uitkering beëindigd zodat er geen inkomen meer is. Omdat er geen constructief contact is met [gedaagde] ziet de bewindvoerder q.q. zich genoodzaakt zich niet te verweren tegen de vorderingen van IJsselland.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
[gedaagde] is hoewel behoorlijk opgeroepen niet tijdens de zitting verschenen. Omdat de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, is tegen haar verstek verleend. Omdat de bewindvoerder q.q. wel is verschenen, wordt de zaak tegen zowel [gedaagde] als IJsselland q.q. als een procedure op tegenspraak beschouwd.
De kantonrechter stelt voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht van de gebruiker. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.
Nog los van het feit dat uit de overgelegde getuigenverklaringen volgt dat omwonenden overlast ervaren van [gedaagde] , staat, als onweersproken, vast dat IJsselland de gebruikersovereenkomst met inachtneming van een opzegtermijn van één maand mocht opzeggen omdat [gedaagde] de tijdelijke woning niet als haar hoofdverblijf in gebruik nam, ook niet nadat zij daartoe was gesommeerd. De opzegging van 20 april 2026 tegen 20 mei 2026 heeft er dan ook toe geleid dat de gebruiksovereenkomst op 20 mei 2026 is geëindigd. Dit heeft tot gevolg dat [gedaagde] , nadat zij de tijdelijke woning na de opzegging alsnog in gebruik nam, de tijdelijke woning gebruikt zonder recht of titel. De door IJsselland gevorderde ontruiming van de tijdelijke woning wordt daarom toegewezen. De ontruimingstermijn zal conform de eis van IJsselland worden bepaald op zeven dagen na de datum van betekening van dit vonnis.
De gevorderde veroordeling tot betaling van de gebruiksvergoeding wordt toegewezen te berekenen vanaf 30 mei 2026 omdat de huurtermijnen voor het gehuurde tot en met 29 mei 2026 zijn betaald, te weten de datum waartegen die huurovereenkomst is beëindigd als gevolg van de opzegging van die huurovereenkomst door de bewindvoerder.
De bewindvoerder q.q. en [gedaagde] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van IJsselland worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
308,68
- griffierecht
€
139,00
- salaris gemachtigde
€
577,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.168,68
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt de bewindvoerder q.q. en [gedaagde] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis het pand aan de [adres 2] te [plaats 2] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van IJsselland zijn, en de sleutels af te geven IJsselland,
veroordeelt de bewindvoerder q.q. en [gedaagde] tot betaling van een vergoeding gelijk aan de huurtermijn voor het voormalig gehuurde, voor de periode vanaf 30 mei 2026 tot en met de dag van algehele ontruiming,
veroordeelt de bewindvoerder q.q. en [gedaagde] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.168,68, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de bewindvoerder q.q. en/of [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt de bewindvoerder q.q. en [gedaagde] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.C. Zandman en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
34124 / 68707