uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 30 september 2026
in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen, de inspecteur,
en
de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 17 december 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Namens de inspecteur hebben [persoon 1] en [persoon 2] aan de zitting deelgenomen. Namens belanghebbende is, met kennisgeving vooraf, niemand verschenen.
Feiten
1. Op 19 oktober 2023 heeft belanghebbende aangifte bpm gedaan voor een Astin Martin V8 Vantage Roadster 4.7 V8 S (de auto).
2. Op 20 oktober 2023 heeft belanghebbende € 3.396 aan bpm op aangifte voldaan.
3. Met dagtekening 23 februari 2024 heeft de inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag bpm van € 4.555 opgelegd. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag opgelegd omdat volgens hem belanghebbende een afschrijvingspercentage van 94,4% heeft gebruikt, terwijl dit volgens de inspecteur 86,7% had moeten zijn.
4. Op 22 april 2024 heeft de inspecteur een bezwaarschrift van de gemachtigde ontvangen.
5. Op 16 december 2024 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden waarvan een verslag is opgemaakt dat aan de gemachtigde is toegezonden. In het verslag is het volgende opgenomen:
“(…) Op 16 december 2024 om 10:00 uur heeft het hoorgesprek plaatsgevonden over het bovengenoemde dossier.
Ik heb het gesprek geopend en hierbij aangegeven dat het bezwaarschrift niet tijdig is en dat ik het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaar.
U gaf aan dat u niet op de hoogte was dat het bezwaarschrift te laat is ingediend.
U heeft aangegeven dat als u het voertuig voor 1 juli 2023 ingevoerd had, en na 1 juli 2023 op export had gedaan, meer bpm terug zou krijgen bij export dan er is betaald. U bent van mening dat dit onder discriminatie valt.
U vroeg aan mij of er nog meer bezwaren in behandeling zijn met dezelfde grieven. Ik heb aangegeven dat ik het niet wist omdat er meerdere bezwaar behandelaren zijn op verschillende locaties.
Als u akkoord gaat met het hoorverslag of een aanvulling heeft op het hoorverslag, zie ik graag een bevestiging of een reactie tegemoet. (…)”
6. Met dagtekening 17 december 2024 heeft de inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
7. Belanghebbende heeft tijdig beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.
Beoordeling door de rechtbank
8. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
9. De rechtbank komt tot het oordeel dat de inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
10. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken. De bezwaartermijn tegen de naheffingsaanslag bpm met dagtekening 23 februari 2024 eindigde op vrijdag 5 april 2024. De inspecteur heeft het bezwaarschrift op 22 april 2024 ontvangen. Het bezwaarschrift is dus buiten de termijn ontvangen.
11. Het bezwaar wordt dan in beginsel niet-ontvankelijk verklaard, maar de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar blijft achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbenden in verzuim is geweest (en de termijnoverschrijding dus verschoonbaar is).
12. De gemachtigde van belanghebbende heeft in het aanvullend beroepschrift het volgende geschreven over de termijnoverschrijding:
Artikel 6:11 Awb bepaalt dat niet-ontvankelijkverklaring van een te laat ingediend bezwaar achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat indiener in verzuim is geweest. In casu heeft de gemachtigde van cliënt onverwijld bezwaar ingediend zodra de termijnoverschrijding werd geconstateerd. De vertraging in indiening vond plaats als gevolg van een interne miscommunicatie, waarbij de verantwoordelijk behandelaar buiten de schuld van cliënt om een termijnbewakingsfout heeft gemaakt. Cliënt mag niet de dupe worden van een administratieve tekortkoming van zijn gemachtigde, mede gelet op de fundamentele rechtsbescherming die de Awb beoogt te waarborgen.
13. De rechtbank leidt uit deze passage af dat de gemachtigde te laat bezwaar heeft gemaakt als gevolg van een administratieve tekortkoming van zijn eigen organisatie. Naar het oordeel van de rechtbank is de termijnoverschrijding daarom niet verschoonbaar. De gemachtigde is een professionele rechtsbijstandverlener die veelvuldig procedeert in bpm-zaken. Van een professionele rechtshulpverlener mag worden verwacht dat deze de termijnen op een juiste wijze bewaakt. Het handelen van gemachtigde rekent de rechtbank toe aan belanghebbende.
14. De door de inspecteur in acht te nemen zorgvuldigheid brengt mee dat hij niet het bezwaar niet-ontvankelijk verklaart voordat hij belanghebbende in de gelegenheid stelt zich uit te laten over de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Dat is niet anders indien het bezwaar is ingediend door een beroepsmatig optredende gemachtigde.
15. In het hoorverslag is vermeld dat de inspecteur tijdens het hoorgesprek heeft aangegeven dat het bezwaarschrift niet tijdig was ingediend, dat hij het bezwaar niet-ontvankelijk zal verklaren en dat de gemachtigde daarop te kennen heeft gegeven dat hij hier niet van op de hoogte was. De inspecteur heeft vervolgens het verslag van het hoorgesprek gemaild naar de gemachtigde en daarbij de gemachtigde in de gelegenheid gesteld te reageren op het hoorverslag. Daar heeft de gemachtigde geen gebruik van gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur belanghebbende daarmee de gelegenheid heeft gegeven zich over de niet-ontvankelijkheid uit te laten en voldoende zorgvuldig heeft gehandeld.
Redelijke termijn
16. Belanghebbende heeft in het nader stuk van 19 augustus 2026 verzocht om een vergoeding van immateriële schade in verband met een overschrijding van de redelijke termijn.
17. Het bezwaarschrift is ontvangen op 22 april 2024. De redelijke termijn van twee jaar is met vijf maanden overschreden, afgerond een half jaar. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 50. De rechtbank zal de inspecteur veroordelen tot het betalen van € 20, omdat hij twee maanden langer heeft gedaan voor het doen van een uitspraak dan de voor hem geldende termijn van zes maanden. De rechtbank zal de Staat veroordelen tot het betalen van het resterende bedrag van € 30.
Conclusie en gevolgen
18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke behandeling. Belanghebbende krijgt wel een schadevergoeding van € 50.
19. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet terug. Belanghebbende krijgt een vergoeding van de proceskosten voor het beroep van € 23,35. De inspecteur en de Staat moeten hiervan elk de helft betalen.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Ketner, griffier.
Uitgesproken op 30 september 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.