ECLI:NL:RBGEL:2026:7341

ECLI:NL:RBGEL:2026:7341

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 30-09-2026
Datum publicatie 25-09-2026
Zaaknummer ARN 24/2458
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

BPM; handelsinkoopwaarde; schade.

Uitspraak

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 30 september 2026

in de zaken tussen

[bedrijf] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen, de inspecteur,

en

de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 21 december 2023 en 3 mei 2024.

De inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende twee naheffingsaanslagen belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd en daarbij belastingrente in rekening gebracht:

De inspecteur heeft het bezwaar in zaak 24/2458 ongegrond verklaard. Het bezwaar in zaak 24/6605 heeft hij gegrond verklaard en hij heeft de naheffingsaanslag verminderd tot € 6.476.

De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.

Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Namens de inspecteur hebben [persoon 1] en [persoon 2] aan de zitting deelgenomen. Namens belanghebbende is, met kennisgeving vooraf, niemand verschenen.

Feiten

1. Belanghebbende heeft aangiften bpm gedaan voor de volgende auto’s:

- Porsche Panamera 4.0 GTS (auto 1; zaak 24/2458)

- Mercedes-Benz GLE-klasse Coupé - 53 AMG 4MATIC+ Premium Plus (auto 2; zaak 24/6605)

- BMW 5 M5 (auto 3; zaak 24/6605)

2. In de aangiften zijn de volgende gegevens vermeld:

3. Belanghebbende heeft de bpm op aangifte voldaan.

4. Bij de aangiften zijn taxatierapporten gevoegd, opgemaakt door [taxateur] . In de aangiften zijn de volgende gegevens vermeld:

( i) Op basis van een koerslijst van XRAY.

(ii) Op basis van een koerslijst van Eurotax.

(iii) De taxateur heeft op de koerslijst als uitgangspunt een waardevermindering toegepast van € 19.485. Het taxatierapport vermeldt niet duidelijk hoe dit bedrag tot stand is gekomen. Waarschijnlijk heeft de taxateur 97,51% van de schadecalculatie in aanmerking genomen (97,51% van € 16.085) en de waardevermindering wegens correctie geen oordeel km-stand, maar heeft hij de correctie conform XRAY matrix (iv) cijfermatig buiten beschouwing gelaten.

(iv) Correctie conform XRAY matrix.

( v) Correctie in verband met een huurverleden.

5. Op verzoek van de inspecteur heeft belanghebbende de auto’s getoond bij Domeinen Roerende Zaken (DRZ). DRZ heeft een onderzoek waardebepaling uitgevoerd en daarvan DRZ-rapporten opgemaakt. In de DRZ-rapporten zijn de volgende gegevens vermeld:

6. De inspecteur heeft naar aanleiding van de DRZ-rapporten de naheffingsaanslagen opgelegd. De inspecteur heeft de hoogte van de naheffingsaanslagen als volgt berekend:

* Totaal is € 6.743.

7. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslagen bezwaar gemaakt. De bezwaren zijn door de inspecteur ontvangen op 21 april 2023 en 14 augustus 2023. Het bezwaar met betrekking tot auto 1 heeft de inspecteur ongegrond verklaard. Het bezwaar tegen de naheffingsaanslag met betrekking tot auto 2 en auto 3 heeft de inspecteur gegrond verklaard. Hij heeft de naheffingsaanslag verminderd, omdat moet worden uitgegaan van een hogere historische nieuwprijs. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag verminderd tot € 6.476. De berekening hiervan is als volgt:

Beoordeling door de rechtbank

8. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslagen terecht en niet te hoog zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

9. Bij alle auto’s is de handelsinkoopwaarde in geschil en in het bijzonder of:

10. De rechtbank komt tot het oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Goede procesorde

11. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de goede procesorde is geschonden, omdat de inspecteur in zaak 24/6605 het verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken veel te laat heeft ingediend.

12. De rechtbank heeft de inspecteur op 10 oktober 2024 verzocht de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen en een verweerschrift in te dienen. Op 23 maart 2026 heeft de rechtbank dit verzoek herhaald. Op 14 augustus 2026 heeft de inspecteur de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Op 14 augustus 2026 om 12:18 is naar het door de gemachtigde opgegeven e-mailadres een notificatie gezonden dat deze stukken waren ontvangen.

13. De op de zaak betrekking hebbende stukken betreffen stukken die belanghebbende al bekend waren. De aangiften en de taxatierapporten zijn van belanghebbende afkomstig. Het overzicht vastgestelde gegevens, de berekening en de DRZ-rapporten heeft de inspecteur volgens de kennisgevingen naheffingsaanslag als bijlagen meegezonden. Voor het overige betreft het correspondentie tussen de inspecteur en belanghebbende in de bezwaarfase, waarvan mag worden verondersteld dat belanghebbende hiermee bekend is. De rechtbank ziet daarom geen reden om deze stukken buiten beschouwing te laten, belanghebbende wordt hierdoor ook niet benadeeld.

14. De gemachtigde heeft in het nader stuk van 12 augustus 2026 aangegeven dat hij niet op de zitting zou verschijnen, mede gelet op het ontbreken van een verweerschrift. Daarna is de gemachtigde ervan op de hoogte gesteld dat de inspecteur een verweerschrift had ingediend. Hierin heeft de gemachtigde geen reden gezien om toch op de zitting te verschijnen of voorafgaand aan de zitting een schriftelijke reactie in te dienen. Daar komt bij dat de rechtbank, naar aanleiding van een bericht van de inspecteur, bij bericht van 24 augustus 2026 partijen ervan op de hoogte heeft gesteld dat de zitting doorgaat. Ook hierin heeft de gemachtigde geen reden gezien alsnog te verschijnen. De gemachtigde heeft daarom wel de gelegenheid gehad zich over het verweerschrift uit te laten, maar hij heeft hier geen gebruik van gemaakt. Daar komt bij dat het verweer van de inspecteur in wezen geen nieuwe stellingen bevat dan die zijn ingenomen in de bezwaarfase. De rechtbank ziet daarom geen reden het verweerschrift buiten beschouwing te laten.

15. De rechtbank voegt daar aan toe dat zij geen feiten voor waar heeft aangenomen die voor het eerst ter zitting door de inspecteur zijn gesteld en door de afwezigheid van belanghebbende niet zijn weersproken.

Schade (alle auto’s)

16. Belanghebbende stelt zich voor alle drie de auto’s op het standpunt dat de inspecteur met (meer) schade rekening had moeten houden en zij wijst daarbij op de bij de aangiften gevoegde taxatierapporten. Daarbij voert zij aan dat het relatief jonge voertuigen uit het hogere c.q. duurdere segment betreft en dat bij dit soort voertuigen eigenlijk iedere schade is te kwalificeren als bovenmatig gebruiksspoor. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van meer dan normale gebruiksschade, dan wel dat hij niet met meer schade rekening hoefde te houden en wijst daarbij op de DRZ-rapporten.

17. De rechtbank komt tot het oordeel dat belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat (i) de auto’s 1 en 2 meer dan normale gebruiksschade hadden en dat (ii) de inspecteur bij auto 3 met meer schade rekening had moeten houden dan hij heeft gedaan. Belanghebbende heeft niet concreet gesteld welke schades aanwezig zou zijn en uit de foto’s bij de taxatierapporten en de DRZ-rapporten kan dit niet worden afgeleid.

Overige stellingen auto 1 en auto 2

18. Belanghebbende heeft zich bij auto 1 op het standpunt gesteld dat zij zich kan vinden in de vaststelling van de handelsinkoopwaarde door DRZ van € 70.636. DRZ, en in navolging daarvan de inspecteur, heeft de handelsinkoopwaarde vastgesteld op basis van een koerslijst van XRAY. Auto 1 komt dus voor in een algemeen toepasbare koerslijst. Omdat auto 1 geen meer dan normale gebruiksschade heeft en wel voorkomt in een koerslijst, is de taxatiemethode niet van toepassing. Voor een nadere waardevermindering uitgaande van een hoger percentage van de begrote herstelkosten en ‘geen oordeelkilometerstand’ is dan geen plaats.

19. Hetzelfde heeft te gelden voor auto 2. Voor auto 2 kan in zoverre ook geen extra waardevermindering in verband met een huurverleden in aanmerking genomen worden.

Waardevermindering geen oordeel kilometerstand (auto 3)

20. In het taxatierapport voor auto 3 heeft de taxateur een extra waardevermindering van € 3.800 in verband met ‘geen oordeel kilometerstand’ in aanmerking genomen. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur hier ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat er geen concreet onderzoek verricht is naar de specifieke situatie en dat algemene stellingen geen waardevermindering kunnen onderbouwen.

21. Naar het oordeel van de rechtbank kan het ontbreken van een oordeel door de RDW over de kilometerstand een waardedrukkende factor zijn, te meer omdat dit in bepaalde situaties zou kunnen duiden op tellerfraude en dit oordeel een omstandigheid is die, ook bij latere overdrachten, aan de auto blijft kleven. De bewijslast dat ook bij auto 3 sprake is van een dergelijk waardedrukkend effect, rust op belanghebbende.

22. Belanghebbende heeft niet gesteld dat sprake is van onregelmatigheden met betrekking tot de kilometerstand. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat overigens sprake is van een waardevermindering door het ontbreken van een oordeel door de RDW over de kilometerstand die niet reeds in de koerslijst is verdisconteerd. Belanghebbende heeft volstaan met algemene stellingen die niet zijn toegespitst op de concrete situatie van de onderhavige auto. In het taxatierapport wordt door de taxateur ook geen melding gemaakt van een mogelijk onjuiste kilometerstand of anderszins twijfel geuit over de betrouwbaarheid daarvan. Dat de vermelding ‘geen oordeel kilometerstand’ als een waardeverminderend stigma moet worden beschouwd, los van een waardevermindering wegens daadwerkelijke tellerfraude, is in het taxatierapport onvoldoende onderbouwd met de enkele verwijzing naar de daarin opgenomen tabel. Gelet daarop is belanghebbende met het taxatierapport niet erin geslaagd een waardevermindering in verband met ‘geen oordeel kilometerstand’ aannemelijk te maken. Deze beroepsgrond faalt.

Waardevermindering begrote herstelkosten (auto 3)

23. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de waardevermindering wegens schade moet worden vastgesteld op 100% van de herstelkosten Zij voert daartoe aan dat de zogenoemde 31%-norm, die is opgenomen in bijlage I bij de Uitvoeringsregeling belasting op personenauto’s en motorrijwielen 1992 (de Uitvoeringsregeling), geen toepassing kan vinden omdat deze ingevoerd is op basis van een ondeugdelijke onderbouwing en niet gebaseerd is op relevante feiten en omstandigheden. Belanghebbende verwijst naar een WOO-verzoek inzake de recent doorgevoerde wijzigingen in de uitvoeringsregeling. De dataset die is gebruikt voor het bepalen van de 31%-norm bevat enkel binnenlandse voertuigen die ‘economisch total-los’ zijn verklaart. Een dusdanige dataset kan niet toegepast worden op importvoertuigen onder meer omdat deze voertuigen volgens de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet BPM) en de Uitvoeringsregeling geen essentiële gebreken mogen vertonen. VMS Insight plaatst in het eigen rapport namelijk kanttekeningen of de gebruikte dataset representatief is voor alle voertuigen met schade en of de hoogte van de schadecalculatie realistisch is vastgesteld.

24. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende niet heeft bewezen dat de waardevermindering moet worden vastgesteld op een hoger percentage dan 31%. Het percentage van 31% volgt uit het onderzoek. Het eerder gehanteerde percentage van 72% bleek achteraf niet te kloppen en er is mogelijk zelfs sprake geweest van een fout in die zin dat het percentage 28% had moeten zijn.

25. De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond faalt en licht dit oordeel als volgt toe.

26. Belanghebbende heeft bij het doen van de aangifte voor auto 3 ervoor gekozen de handelsinkoopwaarde te bepalen met toepassing van de taxatiemethode. De inspecteur heeft de toepassing van de taxatiemethode bij auto 3 als zodanig niet betwist, maar hij heeft de omvang van de schades en de waardedaling wel betwist. Het ligt dan op de weg van belanghebbende om de feiten aannemelijk te maken die meebrengen dat toepassing van de taxatiemethode leidt tot de door hem verdedigde waardedaling.

27. Bij een schatting van een waardedaling moeten alle van belang zijnde factoren worden meegewogen. Normale gebruikssporen zijn al verdisconteerd in de koerslijst die als uitgangspunt is gebruikt voor de taxatie. Kosten die zien op herstel van normale gebruikssporen mogen daarom niet als waardevermindering in aanmerking genomen worden. De herstelkosten van meer dan normale gebruiksschade leiden ook niet zonder meer tot een waardevermindering voor de omvang van deze kosten, omdat met het herstellen van de meer dan normale gebruiksschade onvermijdelijk ook de normale gebruiksschade zal verdwijnen. Bij het schatten van de waardevermindering zal hier rekening mee gehouden moeten worden.

28. Artikel 10, tiende lid, van de Wet BPM bepaalt dat bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel. In artikel 8 van de Uitvoeringsregeling is hier uitvoering aan gegeven. In het vierde lid van dit artikel is bepaald dat de afschrijving uitsluitend met de taxatiewaarde kan worden bepaald, indien de opgaaf bestaat uit het bij de aangifte gebruikte taxatierapport dat (i) is opgemaakt met inachtneming van de voorwaarden opgenomen in bijlage I en dat (ii)

is opgemaakt door een onafhankelijke, erkende taxateur, in overeenstemming met het eerste aandachtsstreepje, en waarbij de fysieke opname door de taxateur heeft plaatsgevonden ten hoogste een maand vóór het afschrijvingsmoment. In Bijlage I van de Uitvoeringsregeling is (tekst vanaf 1 januari 2023) bepaald dat het taxatierapport in ieder geval dient te voldoen aan de volgende voorwaarden:

“(…)

3.Waardebepaling voertuig

(…)

3.5.De waardevermindering als gevolg van schade aan het te taxeren motorrijtuig ten opzichte van de vastgestelde waarde op basis van het referentiemotorrijtuig wordt, behoudens tegenbewijs, geacht 31% te bedragen van de getaxeerde herstelkosten. Aan het tegenbewijs is in ieder geval voldaan voor zover aannemelijk wordt gemaakt dat met een hoger percentage de taxatiewaarde ten minste het bedrag is dat is vermeld in de inkoopfactuur of inkoopverklaring (exclusief de buitenlandse belastingen, maar inclusief de in Nederland verschuldigde bpm en btw), mits aannemelijk is gemaakt en door de belastingplichtige is verklaard dat het motorrijtuig in dezelfde staat verkeert als ten tijde van de inkoop. Het tegenbewijs kan in ieder geval niet in algemene zin betrekking hebben op het autosegment, de leeftijd of de kilometrage van het motorrijtuig. Op verzoek van de inspecteur moeten nadere bewijsstukken worden overgelegd.

(…)”

29. Belanghebbende heeft geen inkoopfactuur van auto 3 overgelegd en ook overigens geen concrete feiten en omstandigheden gesteld c.q. tegenbewijs geleverd op grond waarvan kan worden geoordeeld dat een hoger percentage van de herstelkosten van de door de inspecteur in aanmerking genomen meer dan normale gebruiksschade, als waardedaling in aanmerking genomen kan worden. Belanghebbende heeft dan ook niet voldaan aan het van hem op grond van Bijlage I bij de Uitvoeringsregeling verlangde tegenbewijs.

30. Belanghebbende neemt in wezen de stelling in dat de 31%-norm buiten toepassing dient te blijven, omdat deze is gebaseerd op foutieve aannames. Deze stelling brengt met zich dat de rechtbank onderdeel 3.5 van bijlage I bij de Uitvoeringsregeling zal toetsen op rechtmatigheid (exceptieve toetsing).

31. Artikel 8 in samenhang met Bijlage I van de Uitvoeringsregeling is een algemeen verbindend voorschrift. De rechtbank kan en mag daarom toetsen of deze bepalingen van de Uitvoeringsregeling in strijd zijn met een algemeen rechtsbeginsel, zoals het evenredigheidsbeginsel, het beginsel van zorgvuldige besluitvorming en het beginsel van een deugdelijke motivering.

32. Artikel 8, vierde lid van de Uitvoeringsregeling in samenhang met onderdeel 3.5 van Bijlage I bij de Uitvoeringsregeling is naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met de Wet BPM. Artikel 10, acht en tiende lid, van de Wet BPM geven de bevoegdheid om bij ministeriële regeling nadere voorwaarden te stellen aan het taxatierapport en nadere regels te stellen ten behoeve van de uitvoering van dit artikel. Niet gezegd kan worden dat met deze bepalingen de in de ministeriële regeling toegekende bevoegdheden zijn overschreden.

33. Onderdeel 3.5 van Bijlage I geeft een belastingplichtige in wezen een verlichting van de bewijslast die op grond van artikel 10 van de Wet BPM op hem rust. Indien een belastingplichtige schades aannemelijk heeft gemaakt die kwalificeren als meer dan normale gebruiksschade, dan hoeft de belastingplichtige geen bewijs te leveren over de omvang van de in aanmerking te nemen waardevermindering als hij uitgaat van 31% van de herstelkosten van die schades.

34. Het gaat om regels van bewijsrechtelijke aard die voorvloeien uit de feitelijke complexiteit van de materie. Deze regels grijpen niet diep in het leven van belastingplichtigen en raken ook geen fundamentele rechten. Hierbij past daarom een terughoudende toetsing door de rechter.

35. De regels van bewijsrechtelijke aard zijn ook begunstigend: voor de waardevermindering die bestaat uit 31% van de herstelkosten van de aannemelijk gemaakte schades hoeft geen nader bewijs te worden geleverd, terwijl de bewijslast wel bij de belastingplichtige ligt.

36. De regel - de waardevermindering als gevolg van schade kan zonder nader bewijs worden vastgesteld op een percentage van de herstelkosten - is geschikt om de bewijspositie van een belastingplichtige te vergemakkelijken. De bepaling houdt ruimte voor het leveren van tegenbewijs en de regelgever heeft ook geen beperking over de te gebruiken bewijsmiddelen opgeworpen. Dat het tegenbewijs in ieder geval niet in algemene zin betrekking kan hebben op het autosegment, de leeftijd of de kilometrage van het motorrijtuig, is een beperking met relatief weinig gevolgen. Het tegenbewijs zal immers altijd betrekking moeten hebben op het voertuig in kwestie, de schades aan dat voertuig en de waardevermindering die deze schades bij dit voertuig tot gevolg hebben. In zoverre is de regel ook evenwichtig.

37. De regelgever heeft de 31%-norm gebaseerd op onderzoek aan de hand van een dataset die is aangeleverd door de verbond van verzekeraars. Het past niet bij een terughoudende toetsing door de rechter om deze 31%-norm, ter uitvoering van een begunstigende bewijsrechtelijke regel, ter discussie te stellen of het aan de norm ten grondslag liggende onderzoek te beoordelen. Weliswaar is de 31%-norm minder gunstig dan de 72%-norm die gold tot 1 januari 2023, maar nog altijd is de regel begunstigend in die zin dat zonder de regel de belastingplichtige altijd nader bewijs voor de waardevermindering als gevolg van schade moet leveren, indien de inspecteur dit betwist.

38. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat onderdeel 3.5 van Bijlage I bij de Uitvoeringsregeling niet onrechtmatig is en daarom niet buiten toepassing kan worden gelaten.

Tussenconclusie

39. Gelet op het voorgaande falen alle beroepsgronden. De naheffingsaanslagen zijn terecht en niet te hoog vastgesteld.

Belastingrente

40. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd. Het beroep is ook in zoverre ongegrond.

Redelijke termijn

41. Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

42. Het eerste bezwaarschrift is ontvangen op 21 april 2023. De redelijke termijn van twee jaar is met 17 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500. De rechtbank is van oordeel dat de stellingen van belanghebbende in beide zaken dusdanig overlappen dat samenhang tussen beide zaken kan worden aangenomen, zodat zij slechts één schadevergoeding toekent. Uitgaande van de laatste uitspraak op bezwaar van 3 mei 2024 heeft de inspecteur 7 maanden langer gedaan over het doen van een uitspraak dan de voorgeschreven termijn van zes maanden. De rechtbank zal de inspecteur daarom veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 617 (7/17 x € 1.500). De rechtbank zal de Staat veroordelen de rest (€ 883) te betalen.

Conclusie en gevolgen

43. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de uitspraken op bezwaar en de naheffingsaanslagen in stand blijven. Belanghebbende krijgt wel een schadevergoeding van € 1.500.

44. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet terug, omdat het verzoek om vergoeding van immateriële schade is gedaan na 31 mei 2024. Belanghebbende krijgt een vergoeding van de proceskosten voor het beroep van € 233,50. De inspecteur en de Staat moeten hiervan elk de helft betalen.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Ketner, griffier.

Uitgesproken op 30 september 2026.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand