RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/408023-24
Datum uitspraak : 14 juli 2026
Tegenspraak
verkort vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1986 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] [woonplaats] .
Raadsman: mr. S. Kriekaard, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 27 december 2024 te Wageningen (te weten op de Markt, ter plaatse deel uitmakend van een/het voetgangersgebied) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [aangever 4] en/of [aangever 5] en/of [aangever 6] en/of [aangever 7] en/of [aangever 8] , opzettelijk van het leven te beroven, immers heeft hij, verdachte,
-als bestuurder van een personenauto meermalen, althans eenmaal, met hoge snelheid op bovengenoemde personen ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 27 december 2024 te Wageningen (te weten op de Markt, ter plaatse deel uitmakend van een/het voetgangersgebied) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [aangever 4] en/of [aangever 5] en/of [aangever 6] en/of [aangever 7] en/of [aangever 8] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers heeft hij, verdachte,
-als bestuurder van een personenauto meermalen, althans eenmaal, met hoge snelheid op bovengenoemde personen ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 27 december 2024 te Wageningen (te weten op de Markt, ter plaatse deel
uitmakend van een/het voetgangersgebied) (een) perso(o)n(en), genaamd [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [aangever 4] en/of [aangever 5] en/of [aangever 6] en/of [aangever 7] en/of [aangever 8] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een door hem bestuurde auto, onder invloed van alcohol, meermalen, althans eenmaal, accelererend en/of agressief, op die perso(o)n(en) af- en/of in te rijden.
2.
hij op of omstreeks 27 december 2024 te Wageningen, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto, merk volvo, type S80, gekentekend [kenteken] ), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 685 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;
3.
hij op of omstreeks 27 december 2024 te Wageningen, in ieder geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Volvo, type S80, gekentekend [kenteken] ), daarmee rijdende op de weg, De Markt(te weten een als zodanig aangeduid en ingericht voetgangersgebied), zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door,
-(telkens) met hoge snelheid, althans met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, met zijn -verdachtes- auto, meerdere malen rondjes te rijden over de Markt in Wageningen, welk gebied als zodanig is aangeduid en ingericht als voetgangersgebied en/of
-daarbij(telkens) met hoge snelheid, althans met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, met zijn, -verdachtes- auto, meerdere malen, op een of meer personen, die zich op dat moment op de Markt bevonden, in de rijden, waarbij een of meer personen nog ternauwernood aan de kant konden springen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 27 december 2024 te Wageningen, in ieder geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Volvo, type S80, gekentekend [kenteken] ), daarmee rijdende op de weg, De Markt(ter plaatse aangeduid en ingericht als voetgangersgebied),-(telkens) met hoge snelheid, althans met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, met zijn -verdachtes- auto, meerdere malen rondjes te rijden over de Markt in Wageningen, welk gebied als zodanig is aangeduid en ingericht als voetgangersgebied en/of-(telkens) met hoge snelheid, althans met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, met zijn, -verdachtes- auto, meerdere malen, op een of meer personen, die zich op dat moment op de Markt bevonden, in de rijden, waarbij een of meer personen nog ternauwernood aan de kant konden springen en/of weggetrokken konden/moesten worden (door derden) voor de aanstormende auto van verdachte door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
4.
hij op of omstreeks 27 december 2024 te Wageningen, in ieder geval in Nederland, [aangever 1] heeft mishandeld door die [aangever 1] , met beide handen (al dan niet met kracht), de keel dicht te knijpen.
2. Vrijspraak (feit 1, primair en subsidiair en feit 3, primair)
Onder feit 1 wordt verdachte primair verweten dat hij een poging tot doodslag heeft gepleegd door – kort gezegd – met zijn auto op een achttal personen (hierna: aangevers) in te rijden. Dit is subsidiair ten laste gelegd als een poging tot zware mishandeling.
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. Verdachte zal van dat feit worden vrijgesproken.
Anders dan de officier van justitie, acht de rechtbank ook niet bewezen dat verdachte zich met zijn gedragingen schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Daartoe overweegt de rechtbank allereerst dat het dossier geen aanwijzingen bevat dat verdachte daadwerkelijk het plan had opgevat om de aangevers zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (vol opzet). In dat geval zou nog sprake kunnen zijn van voorwaardelijk opzet. Daarvoor dient beoordeeld te worden of verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangevers door zijn handelen zwaar gewond zouden raken. De rechtbank overweegt dat verdachte ’s nachts vlak na sluitingstijd van de kroegen, op het moment dat er veel mensen op de Markt in Wageningen stonden, met meer dan geringe snelheid in zijn auto meerdere rondjes om de kerk gereden. Verdachte was op dat moment boos, emotioneel en onder invloed van een forse hoeveelheid alcohol. In zijn algemeenheid kan naar het oordeel van de rechtbank worden gesteld dat onder deze omstandigheden de aanmerkelijke kans bestond dat één of meerdere personen door deze gedragingen zwaar gewond zou raken. Kijkend naar de camerabeelden die zich in het dossier bevinden, wordt door de rechtbank waargenomen dat verdachte op het moment dat hij in de buurt komt van de aangevers, ofwel remt ofwel bijna stilstaat, ofwel uitwijkt. Dit brengt de rechtbank tot de beslissing dat uit de gedragingen van verdachte niet kan worden geconcludeerd dat hij deze aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel ook heeft aanvaard. Van voorwaardelijk opzet is daarom eveneens geen sprake, zodat verdachte zal worden vrijgesproken van de onder feit 1, subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. De rechtbank komt wel tot een bewezenverklaring van de onder feit 1, meer subsidiair ten laste gelegde bedreiging van de aangevers (zie onder paragraaf 3).
De rechtbank is voorts van oordeel dat onder de hiervoor genoemde omstandigheden ook niet bewezen kan worden dat door verdachtes gedragingen levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was als bedoeld in artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994. Verdachte zal daarom eveneens worden vrijgesproken van het onder feit 3, primair ten laste gelegde feit. De rechtbank komt wel tot een bewezenverklaring van het onder feit 3, subsidiair tenlastegelegde (zie onder paragraaf 3).
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1, meer subsidiair, feit 2, feit 3, subsidiair en feit 4 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1, meer subsidiair
hij op of omstreeks 27 december 2024 te Wageningen (te weten op de Markt, ter plaatse deel
uitmakend van een/het voetgangersgebied) (een) perso(o)n(en), genaamd [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [aangever 4] en/of [aangever 5] en/of [aangever 6] en/of [aangever 7] en/of [aangever 8] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een door hem bestuurde auto, onder invloed van alcohol, meermalen, althans eenmaal, accelererend en/of agressief, op die perso(o)n(en) af- en/of in te rijden.
2.
hij op of omstreeks 27 december 2024 te Wageningen, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto, merk volvo, type S80, gekentekend [kenteken] ), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 685 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;
3, subsidiair
hij op of omstreeks 27 december 2024 te Wageningen, in ieder geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Volvo, type S80, gekentekend [kenteken] ), daarmee rijdende op de weg, De Markt (ter plaatse aangeduid en ingericht als voetgangersgebied),-(telkens) met hoge snelheid, althans met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, met zijn - verdachtes - auto, meerdere malen rondjes te rijden over de Markt in Wageningen, welk gebied als zodanig is aangeduid en ingericht als voetgangersgebied en/of-(telkens) met hoge snelheid, althans met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, met zijn, - verdachtes - auto, meerdere malen, op een of meer personen, die zich op dat moment op de Markt bevonden, inaf te rijden, waarbij een of meer personen nog ternauwernood aan de kant konden springen en/of weggetrokken konden/moesten worden (door derden) voor de aanstormende auto van verdachte door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
4.
hij op of omstreeks 27 december 2024 te Wageningen, in ieder geval in Nederland, [aangever 1] heeft mishandeld door die [aangever 1] , met beide handen (al dan niet met kracht), de keel dicht te knijpen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1, meer subsidiair:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, meermalen gepleegd;
feit 2:
overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (685 microgram);
feit 3, subsidiair:
overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;
feit 4:
mishandeling.
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat aan verdachte geen gevangenisstraf wordt opgelegd, althans in ieder geval geen gevangenisstraf die de duur van het voorarrest overschrijdt. Verder is bepleit dat geen onvoorwaardelijke rij-ontzegging wordt opgelegd die langer is dan de tijd die het rijbewijs al ingetrokken is geweest.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
In de nacht van 27 december 2024 ging verdachte naar de kroeg op de Markt in Wageningen. Hij dronk een aanzienlijke hoeveelheid alcohol en begon een ruzie met één van de slachtoffers. Hij greep het slachtoffer met beide handen hard bij zijn keel en maakte zich daarmee schuldig aan mishandeling. Verdachte werd de kroeg uitgezet en haalde thuis zijn auto op. Hij keerde vervolgens boos en emotioneel terug naar het marktplein en reed, in het voetgangersgebied, op snelheid meerdere rondjes om de kerk. Daarbij reed hij een aantal keren op verschillende personen af die op het plein stonden. Hij remde vlak voor hen of week net op tijd uit. Verdachte deed dit naar eigen zeggen om hen te intimideren en bang te maken.
Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan bedreiging van acht slachtoffers, ernstige gevaarzetting in het verkeer en rijden onder invloed. Met deze onbesuisde actie heeft verdachte andere, jonge mensen in gevaar gebracht. Zijn handelen heeft - begrijpelijkerwijs - ook grote indruk gemaakt op omstanders, zo blijkt uit het dossier. Verdachte heeft zich die nacht – zo is achteraf gebleken – enkel laten leiden door zijn eigen emoties. Dit neemt de rechtbank hem kwalijk.
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. De reclassering beschrijft in het rapport van 30 maart 2026 dat verdachte zijn leven op orde heeft. Hij kent een stabiel gezinsleven, werkt al jaren bij dezelfde werkgever en van financiële problematiek is geen sprake. Ook zijn sociale netwerk lijkt uit enkel positieve sociale en beschermende contacten te bestaan. Vanwege de feestdagen kwamen emoties om het gemis van zijn moeder omhoog en had hij meer alcohol dan normaal genuttigd. De reclassering schat het recidiverisico in als laag. Er zijn geen aanwijzingen voor structurele psychische en/of middelenproblematiek. Sinds de huidige verdenking is verdachte ook niet meer met politie en justitie in aanraking geweest. Ook ter terechtzitting heeft verdachte openheid van zaken gegeven en geprobeerd om inzicht te geven in zijn handelen. Hij schaamt zich voor zijn handelen.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van ernstig en gevaarlijk gedrag in het verkeer. Dat maakt dat de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf passend vindt, ook al komt de officier van justitie tot een andere, zwaardere bewezenverklaring. Een gevangenisstraf (al dan niet in voorwaardelijke zin) acht de rechtbank niet passend, gezien de inhoud van het reclasseringsrapport, de proceshouding van verdachte en zijn blanco strafblad.
Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf opleggen van 240 uren en een rij-ontzegging voor de duur van 12 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk. De tijd dat het rijbewijs al ingevorderd is geweest, wordt op deze rij-ontzegging in mindering gebracht. Dat betekent dat verdachte zijn rijbewijs niet (opnieuw) hoeft in te leveren.
8. De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [aangever 8] heeft in verband met het onder feit 1 tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 275,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, nu – zonder nadere onderbouwing – niet zonder meer kan worden aangenomen dat de aard en ernst van de normschending meebrengt dat de benadeelde door de bedreiging geestelijk letsel heeft opgelopen. Ten aanzien van de hoogte van het gevorderde bedrag heeft de raadsman geen verweer gevoerd.
Overweging van de rechtbank
Door de benadeelde is verder een bedrag van € 275,00 aan smartengeld gevorderd. Ter onderbouwing van de vordering heeft de benadeelde beschreven dat hij een paar dagen slecht heeft geslapen, dat hij alerter is geworden in het verkeer en dat zijn tweede kerstavond en de kerstvakantie door het handelen van verdachte zijn verpest. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
Er bestaat alléén recht op vergoeding van smartengeld op basis van een in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek genoemde grondslag. De rechtbank kan smartengeld toewijzen in de gevallen dat sprake is van (1) lichamelijk letsel, (2) als iemand in zijn eer of goede naam is geschaad of (3) als iemand op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van de eerste twee grondslagen is in deze zaak geen sprake, aangezien er geen fysiek letsel is ontstaan en niemand juridisch is geschaad in zijn eer of goede naam. Van aantasting in de persoon op andere wijze is in ieder geval sprake wanneer de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen en dat kan onderbouwen met stukken. Van aantasting in de persoon op andere wijze kan in uitzonderlijke gevallen ook sprake zijn indien de rechtbank grond daarvoor ziet in de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan.
Hoewel de rechtbank de door de benadeelde beschreven impact van het voorval invoelbaar vindt, biedt de huidige stand van de rechtspraak geen ruimte voor toewijzing van smartengeld in een geval als deze. De bewezenverklaarde bedreiging is op zichzelf een onvoldoende ernstige normschending om daarom de aantasting in de persoon op andere wijze aan te nemen. Dit oordeel wordt niet anders als dit wordt beoordeeld tezamen met de door de benadeelde gestelde gevolgen (zoals slechter slapen en alerter zijn in het verkeer). De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot smartengeld.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 14 a, 22c, 22d, 57, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht;
- 5, 8, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
10. De beslissing
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van de onder feit 1, primair en feit 3, primair ten laste gelegde feiten;
verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op een taakstraf van 240 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;
beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;
ontzegt verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest;
bepaalt dat een gedeelte van de rijontzegging, te weten 8 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
verklaart de benadeelde partij [aangever 8] niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld.