ECLI:NL:RBGEL:2026:7337

ECLI:NL:RBGEL:2026:7337

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 30-09-2026
Datum publicatie 25-09-2026
Zaaknummer 21/5036
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

OB. In geschil is of het pensioenfonds is aan te merken als een gemeenschappelijk beleggingsfonds, omdat de deelnemers beleggingsrisico dragen. Beroep ongegrond.

Uitspraak

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 30 september 2026

in de zaak tussen

Stichting Bedrijfstakpensioenfonds Zorgverzekeraars, uit Zeist, belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Amsterdam, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 6 augustus 2021.

Belanghebbende heeft € 49.346 aan omzetbelasting op aangifte voldaan voor het vierde kwartaal 2020.

Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard.

De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

Bij brief van 23 december 2022 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat zij de zaak aanhoudt totdat het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) heeft geantwoord op de door de rechtbank gestelde prejudiciële vragen in beroepen van andere belanghebbenden.

De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het arrest van het HvJ van 5 september 2024, zaaknummers C-639/22 tot en met C-644/22, ECLI:EU:C:2024:688 (het BPL-arrest). Beide partijen hebben hiervan gebruik gemaakt.

Belanghebbende heeft op 8 mei 2026 een nader stuk ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 22 mei 2026 op zitting behandeld. Namens belanghebbende is verschenen [persoon 1] , bijgestaan door [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] en [persoon 5] . Namens de inspecteur zijn verschenen [persoon 6] , [persoon 7] , [persoon 8] , [persoon 9] , [persoon 10] , [persoon 11] , [persoon 12] en [persoon 13] .

Feiten

1. Belanghebbende is een bedrijfstakpensioenfonds. Haar statutaire doel is het verlenen van pensioenen aan (gewezen) deelnemers en hun nagelaten betrekkingen.

2. Een deelnemer van belanghebbende is de werknemer die verplicht is tot deelneming op grond van een tussen zijn werkgever en belanghebbende gesloten uitvoeringsovereenkomst. Een werknemer is degene die op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst is van de werkgever. Een gewezen werknemer kan ook deelnemer zijn, zolang zijn deelname wordt voortgezet.

3. De werkgevers zijn zorgverzekeraars en verwante organisaties, alsmede banken, beleggingsondernemingen, pensioenuitvoeringsorganisaties, sociaal verzekeraars of verzekeraars die op verzoek door het bestuur zijn toegelaten.

4. Belanghebbende voert vanaf 1 januari 2019 drie pensioenregelingen uit: de middelloonregeling, de beschikbare premieregeling en de netto pensioenregeling. Alleen de middelloonregeling is in deze zaak onderwerp van het geschil.

5. Belanghebbende heeft een pensioenreglement voor de middelloonregeling (het pensioenreglement) en een Actuariële- en Bedrijfstechnische Nota (de ABTN) vastgesteld.

6. Uit het pensioenreglement volgt dat tussen werkgever en werknemer een pensioenovereenkomst is gesloten, die onderdeel uitmaakt van de arbeidsovereenkomst tussen werknemer en werkgever. De pensioenovereenkomst is aangemerkt als een uitkeringsovereenkomst. De pensioenaanspraken die voortvloeien uit de pensioenovereenkomst, zijn bij belanghebbende ondergebracht door middel van een tussen de werkgever en belanghebbende gesloten uitvoeringsovereenkomst. De pensioenaanspraken zijn in het pensioenreglement vastgelegd en het pensioenreglement regelt de verhouding tussen de deelnemer en belanghebbende.

7. In het pensioenreglement is het volgende opgenomen over de pensioenaanspraken.

8. Een deelnemer heeft aanspraak op een ouderdomspensioen, een partnerpensioen, een wezenpensioen, onder voorwaarden een tijdelijk partnerpensioen en arbeidsongeschiktheidspensioen, en onder voorwaarden recht op een gedeeltelijk premievrije pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid. Jaarlijks wordt een percentage van de in dat deelnemersjaar geldende pensioengrondslag aan ouderdomspensioen opgebouwd. De pensioengrondslag is het jaarsalaris verminderd met een franchise. Het in aanmerking te nemen jaarsalaris is niet hoger dan het fiscaal maximaal pensioengevend salaris.

9. Het pensioenreglement voorziet in verschillende vormen van toeslagverlening: een reguliere toeslag, een extra toeslag (alleen in de periode 2015-2024) en een voorwaardelijke toeslag.

10. De reguliere toeslag is een toeslag van maximaal de stijging van het prijsindexcijfer. Het bestuur van belanghebbende beslist of de reguliere toeslag wordt verleend, binnen de volgende kaders. Bij een beleidsdekkingsgraad van 110% of lager wordt geen toeslag verleend. Bij een beleidsdekkingsgraad van meer dan 110% kan een toeslag op basis van wettelijke voorschriften worden verleend. Het beleid is om eventueel in het verleden niet toegekende toeslagen niet alsnog toe te kennen. Indien de financiële positie van belanghebbende het toelaat, zijn extra toeslagen mogelijk die indirect kunnen zorgen voor het herstel van niet toegekende toeslagen. Deze extra toeslagen worden op individuele basis verleend.

11. In de periode 2015-2024 konden werkgevers kiezen voor een extra toeslag indien en voor zover de reguliere toeslag minder bedroeg dan de stijging van het loonindexcijfer. De reguliere toeslag werd met de extra toeslag aangevuld tot het loonindexcijfer. Voor de extra toeslag werd een toeslagreserve gevormd die werd gevuld met extra bijdragen van werkgevers. De extra toeslag werd alleen verleend als de toeslagreserve toereikend was, maar werd niet verleend als de beleidsdekkingsgraad niet voldeed aan het minimaal vereiste eigen vermogen als bedoeld in artikel 131 van de Pensioenwet.

12. Werkgevers die niet gebonden zijn aan een cao kunnen ervoor kiezen om jaarlijks een voorwaardelijke toeslag te verlenen. Voor deze voorwaardelijke toeslagverlening is geen reserve gevormd. Het bestuur van belanghebbende besluit jaarlijks in overleg met de betreffende werkgever hierover.

13. Een vermindering van de pensioenaanspraken en pensioenrechten (een korting) is mogelijk indien:

- belanghebbende gezien de beleidsdekkingsgraad niet voldoet aan de op grond van de Pensioenwet gestelde eisen ten aanzien van het minimaal vereist eigen vermogen of het vereist eigen vermogen;

- belanghebbende niet in staat is binnen de daarvoor gestelde hersteltermijn te voldoen aan de op grond van de Pensioenwet gestelde eisen ten aanzien van het minimaal vereist eigen vermogen of het vereist eigen vermogen zonder dat de belangen van deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden, andere aanspraakgerechtigden of aangesloten werkgevers onevenredig worden geschaad; en

- alle overige beschikbare sturingsmiddelen, met uitzondering van het beleggingsbeleid, zijn ingezet zoals uitgewerkt in het herstelplan als bedoeld in de Pensioenwet.

Kortingen zullen plaatsvinden volgens de in de ABTN opgenomen richtlijnen.

14. De werkgever is op grond van de met belanghebbende gesloten uitvoeringsovereenkomst verplicht de kosten van de in het pensioenreglement omschreven pensioenaanspraken (de premie) aan belanghebbende te voldoen. De premie wordt vastgesteld op basis van de actuariële grondslagen die ten tijde van die vaststelling bij belanghebbende in gebruik zijn. In de arbeidsovereenkomst tussen werkgever en werknemer is een regeling voor de verdeling van de premie opgenomen. Indien de werknemer op grond hiervan verplicht is bij te dragen aan de premie, wordt de jaarlijkse bijdrage van de deelnemer door de werkgever in evenveel termijnen op diens salaris ingehouden als waarin dit salaris wordt uitbetaald.

15. De ABTN beschrijft de actuariële en bedrijfstechnische werkwijze van belanghebbende naar de situatie per 1 januari 2020. In de ABTN is onder meer een beschrijving van de pensioenregelingen en de sturingsmiddelen opgenomen. In de ABTN is vermeld dat het jaarlijkse opbouwpercentage voor het ouderdomspensioen 1,875% van de pensioengrondslag is en dat dit percentage in 2021 1,082% bedraagt. Het jaarlijks opbouwpercentage voor het partnerpensioen is 1,3125% van de pensioengrondslag.

16. In het ABTN is verder vermeld dat het bestuur van belanghebbende beschikt over diverse sturingsmiddelen om de financiële doelen te behalen: toeslagbeleid, premiebeleid, beleggingsbeleid en beleid ten aanzien van kortingen en herstel. Bij financiële tegenvallers hebben de sociale partners de voorkeur voor de volgende volgorde van maatregelen: (i) het wijzigen van het risicoprofiel, (ii) het verhogen van de premie en (iii) het versoberen van de regeling (een lagere opbouw). Indien er gekort moet worden, hebben de sociale partners voorkeur voor een zo laag mogelijke korting om de pensioenuitkeringen van de gepensioneerden niet te veel te laten fluctueren. Derhalve wordt voor korten de maximaal toegestane spreiding gehanteerd.

17. In het vierde kwartaal 2020 heeft belanghebbende voor de uitvoering van de middelloonregeling vermogensbeheerdiensten afgenomen van een buitenlandse dienstverlener. Belanghebbende heeft ter zake hiervan in het vierde kwartaal 2020 met toepassing van de verleggingsregeling € 57.902 aan verschuldigde omzetbelasting op aangifte voldaan.

Beoordeling door de rechtbank

18. In geschil is of belanghebbende te veel omzetbelasting op aangifte heeft voldaan over het vierde kwartaal 2020 en daarom recht heeft op een teruggaaf van € 57.902. Daarvoor is van belang of de diensten die door de buitenlandse dienstverlener aan belanghebbende zijn verricht, zijn vrijgesteld van omzetbelasting omdat sprake is van het beheer van door beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen ter collectieve belegging bijeengebrachte vermogens dan wel van het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen.

19. Het geschil spitst zich toe op de vraag of belanghebbende is aan te merken als een gemeenschappelijk beleggingsfonds en in het bijzonder of de deelnemers het beleggingsrisico dragen. Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord, is in geschil of belanghebbende toch moet worden aangemerkt als een gemeenschappelijk beleggingsfonds, omdat belanghebbende vergelijkbaar is met andere pensioenfondsen die door de Nederlandse staat wel als gemeenschappelijk beleggingsfonds zijn aangemerkt.

20. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de deelnemers beleggingsrisico dragen. Uit het BPL-arrest volgt dat de nationale rechter dient vast te stellen of in de rangschikking van alle factoren die het bedrag van de pensioenrechten en -uitkeringen bepalen, de factor beleggingsresultaten op de eerste plaats komt. Daarbij is de financiering volgens belanghebbende wel degelijk een relevant criterium. In het referentiepensioen (1,875% van de pensioengrondslag voor elk opbouwjaar) is het beleggingsresultaat al een belangrijke factor, zo niet de belangrijkste factor. Belanghebbende heeft een deskundigenrapport laten opstellen. In het deskundigenrapport zijn de conclusies van berekeningen aan de hand van 2.000 door De Nederlandse Bank genoemde scenario’s opgenomen. Daaruit volgt dat de pensioenuitkeringen voor 55% uit beleggingsrendement bestaan en dat beleggingsresultaten leiden tot stijging of daling van de pensioenaanspraken en -uitkeringen en dat het bedrag van de pensioenuitkering hierdoor met een factor 10 kan afwijken. De pensioenuitkering is daarom in aanzienlijke mate afhankelijk van het beleggingsrendement en de behaalde beleggingsresultaten werken volledig door in de hoogte van de pensioenuitkeringen. Belanghebbende stelt zich ook op het standpunt dat belanghebbende vanuit het oogpunt van de juridische en financiële situatie van de deelnemer ten opzichte van belanghebbende, vergelijkbaar is met een pensioenfonds dat een individuele defined contribution pensioenregeling (een DC-pensioenregeling) uitvoert. Een DC-pensioenregeling is op grond van een brief van de staatssecretaris van Financiën van 19 september 2014 aan de Tweede Kamer aan te merken als een gemeenschappelijk beleggingsfonds. Beide pensioenregelingen voorzien in het opbouwen en uiteindelijk uitkeren van een pensioen, op basis van de ingelegde premie en de daarmee behaalde beleggingsresultaten, waaraan bepaalde waarborgen en risico’s verbonden zijn. Belanghebbende wijst op onderdelen 4.3 en 4.4 van het deskundigenrapport.

21. De inspecteur stelt zich op het tegenovergestelde standpunt. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt (i) dat toeslagen en kortingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, (ii) dat deze ertoe hebben geleid dat dienstjaren en arbeidsinkomen niet langer de belangrijkste factor zouden zijn voor de bepaling van de omvang van het bedrag aan pensioenaanspraken en pensioenuitkeringen én (iii) dat de belangrijkste factor voor de omvang van het bedrag aan pensioenaanspraken en -uitkeringen de beleggingsresultaten zouden zijn (geworden). De wijze van financiering is geen criterium waar aan moet worden getoetst. Een deelnemer in belanghebbende heeft met een pensioen op basis van de middelloonregeling juridisch en financieel een heel ander product in handen dan een deelnemer in een DC-pensioenregeling. De regelingen zijn daarom niet vergelijkbaar.

22. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Opmerking vooraf

23. De beroepstermijn eindigde op vrijdag 17 september 2021. De rechtbank heeft het beroepschrift ontvangen op maandag 20 september 2021. De rechtbank acht aannemelijk, en op de zitting heeft belanghebbende dat ook bevestigd, dat het beroepschrift vóór het weekend, op vrijdag 17 september 2021, ter post is bezorgd. Omdat het beroepschrift voor het einde van de beroepstermijn ter post is bezorgd en binnen een week na het einde van de termijn is ontvangen, is het beroep tijdig ingediend. De rechtbank is dan ook (ambtshalve) dan oordeel dat het beroep ontvankelijk is.

Rechtskader

24. Artikel 11, eerste lid, aanhef en letter i, ten derde, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) luidt als volgt:

1 Onder bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden zijn van de belasting vrijgesteld:

(…)

i. de volgende leveringen en diensten:

(…)

3° het beheer van door beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen ter collectieve belegging bijeengebrachte vermogens;

(…)

25. Artikel 135, eerste lid, letter g, van de Btw-richtlijn luidt als volgt:

1. De lidstaten verlenen vrijstelling voor de volgende handelingen:

(…)

g) het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen, zoals omschreven door de lidstaten;

(…)

26. Uit rechtspraak van het HvJ kan worden opgemaakt dat fondsen die instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) in de zin van de Icbe-richtlijn vormen, gemeenschappelijke beleggingsfondsen zijn in de zin van artikel 135, eerste lid, letter g, van de Btw-richtlijn.

27. Uit dezelfde rechtspraak van het HvJ volgt ook dat indien een fonds geen icbe is, maar dezelfde kenmerken als een icbe vertoont, en dus dezelfde handelingen verricht of op zijn minst zodanig vergelijkbaar is met een icbe dat zij ermee concurreert, zij als een gemeenschappelijk beleggingsfonds moet worden aangemerkt. Een pensioenfonds kan als een gemeenschappelijk beleggingsfonds worden aangemerkt, indien:

Deze voorwaarden zijn ontleend aan artikel 1, tweede lid, van de icbe-richtlijn.

28. In het BPL-arrest heeft het HvJ het volgende voor recht verklaard:

1) Artikel 135, lid 1, onder g), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde,

moet aldus worden uitgelegd dat de deelnemers aan een pensioenfonds dat uit hoofde van een collectieve pensioenregeling uitvoering geeft aan een pensioenovereenkomst die voorziet in pensioenrechten en pensioenuitkeringen waarvan het bedrag, hoewel het wordt bepaald op basis van een referentiepensioen of van de arbeidsinkomsten en het aantal dienstjaren van elke deelnemer, onder bepaalde voorwaarden kan variëren als gevolg van de resultaten van de beleggingen van dat pensioenfonds, slechts kunnen worden geacht het beleggingsrisico te dragen wanneer dat bedrag in de eerste plaats afhankelijk is van de resultaten van die beleggingen. Bij een dergelijke beoordeling is noch het aantal jaren dat een deelnemer pensioenrechten heeft opgebouwd, noch het feit dat de opbouw van pensioenrechten bij een pensioenfonds op een bepaald moment is onderbroken, relevant. De omstandigheden dat het risico individueel dan wel collectief wordt gedragen, met name in geval van faillissement, en dat een werkgever zich gedurende een bepaalde periode garant heeft gesteld voor de verwachte opbouw van de pensioenrechten, zijn wel relevante factoren, die als zodanig echter niet doorslaggevend zijn.

2) Artikel 135, lid 1, onder g), van richtlijn 2006/112, gelezen in het licht van het beginsel van fiscale neutraliteit, moet aldus worden uitgelegd dat, om te bepalen of een pensioenfonds dat geen instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe) is in aanmerking komt voor de vrijstelling van deze bepaling, niet alleen een vergelijking met een dergelijke instelling moet worden gemaakt, maar ook moet worden beoordeeld of dit pensioenfonds vanuit het oogpunt van de juridische en financiële situatie van de deelnemer ten opzichte van het pensioenfonds vergelijkbaar is met andere fondsen die geen instellingen voor collectieve belegging in effecten zijn maar door de betrokken lidstaat worden beschouwd als gemeenschappelijke beleggingsfondsen in de zin van deze bepaling.

Beleggingsrisico

29. Gelet op de rechtsoverwegingen 44 tot en met 47 van het BPL-arrest is het, om te bepalen of de deelnemers in belanghebbende het beleggingsrisico dragen, noodzakelijk om vast te stellen dat het ontvangen pensioen afhankelijk is van de beleggingen van belanghebbende in een zodanige mate dat dit vergelijkbaar is met de mate waarin het rendement van een deelnemer bij een icbe afhankelijk is van de beleggingen. Een dergelijke afhankelijkheid moet tot uiting komen in de hoogte van de pensioenrechten en de pensioenuitkeringen die de deelnemers in belanghebbende ontvangen. Om te bepalen of dat laatste het geval is, moet worden vastgesteld of de resultaten van de beleggingen van het pensioenfonds een aanzienlijke invloed hebben op het bedrag van de pensioenrechten en de pensioenuitkeringen. Dat is het geval indien het bedrag van de pensioenrechten en pensioenuitkeringen dat op grond van de pensioenovereenkomst verschuldigd is, niet is gegarandeerd, maar in de eerste plaats, in positieve of in negatieve zin, afhankelijk is van de resultaten van de beleggingen van dat fonds.

30. Het bedrag van de pensioenrechten en pensioenuitkeringen wordt vastgesteld op basis van het pensioenreglement van belanghebbende. In het pensioenreglement is vastgelegd dat het jaarlijks uit te keren pensioen wordt berekend op basis van een opbouwpercentage, het jaarsalaris (verminderd met een franchise en tot een fiscaal relevant maximum) en het aantal dienstjaren (het referentiepensioen). Het bedrag dat op grond van deze rekenkundige formule als pensioen zal worden uitgekeerd, hangt niet af van het werkelijke beleggingsrendement dat belanghebbende heeft gemaakt. Dat bij het bepalen van het opbouwpercentage de rekenrente een grote rol speelt, zoals belanghebbende op de zitting heeft gesteld, doet daar niet aan af. De rekenrente is namelijk niet gebaseerd op de werkelijke rendementen op de beleggingen van belanghebbende, maar is een door De Nederlandsche Bank gepubliceerde actuele rentetermijnstructuur die voortkomt uit berekende verwachtingen van veilig te behalen beleggingsresultaten. Er is bij het bepalen van het referentiepensioen dan ook onvoldoende verband met de werkelijke beleggingsresultaten van belanghebbende.

31. In het pensioenreglement is ook vastgelegd dat toeslagen kunnen worden verleend. De toeslagen zijn gemaximeerd op het prijsindexcijfer c.q. het loonindexcijfer en worden alleen verleend als de beleidsdekkingsgraad dat toestaat en als het bestuur van belanghebbende daartoe beslist. Hetzelfde geldt voor een korting, die pas aan de orde is indien de beleidsdekkingsgraad daartoe aanleiding geeft en gedurende langere tijd andere sturingsmiddelen zijn ingezet die geen verbetering hebben gebracht. Bij het bepalen van de beleidsdekkingsgraad spelen meerdere factoren een rol, waarbij de rekenrente wederom een belangrijke component is. Ook bij die rekenrente bestaat geen verband met het werkelijke rendement op de beleggingen van belanghebbende. Bij het bepalen van de beleidsdekkingsgraad speelt weliswaar de hoogte van het vermogen van het pensioenfonds ook een belangrijke rol en dit vermogen wordt beïnvloed door de werkelijke beleggingsresultaten, maar doordat meerdere factoren de beleidsdekkingsgraad bepalen, is het verband tussen het bedrag van de pensioenuitkering/pensioenaanspraak en de beleggingsresultaten te indirect, te zeer gedempt en daardoor te zeer beperkt door de regeling in het pensioenreglement om te kunnen oordelen dat het bedrag in de eerste plaats afhankelijk is van de beleggingsrendementen. De mate van afhankelijkheid van de beleggingsresultaten is daarmee niet vergelijkbaar met de mate waarin het rendement bij een icbe afhankelijk is van de beleggingen.

32. Het deskundigenrapport dat belanghebbende overgelegd leidt niet tot een ander oordeel.

33. De rechtbank stelt voorop dat de inspecteur de berekeningen in het deskundigenrapport onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de daarin opgenomen berekeningen op zichzelf juist zijn.

34. Uit het deskundigenrapport volgt dat bij doorrekening van 2.000 scenario’s de uitkomst is dat de pensioenuitkeringen gemiddeld voor 55% worden gefinancierd uit beleggingsrendement en het overige deel uit premies. Hiermee is echter niet vastgesteld welk bedrag een deelnemer aan pensioen ontvangt en hoe dit bedrag samenhangt met de beleggingsresultaten. De rechtbank leidt uit het BPL-arrest af, in het bijzonder uit rechtsoverwegingen 47 en 50, dat moet worden beoordeeld welk bedrag aan pensioenrechten uit de pensioenovereenkomst volgt. Het is dus van belang om vast te stellen welke rechten deelnemers hebben bij deelname in belanghebbende. Die rechten zijn vastgelegd in het pensioenreglement. Zoals hiervoor is geoordeeld (punten 30. en 31.) volgt uit de rechten die zijn vastgelegd in het pensioenreglement dat het verband tussen het beleggingsrendement van belanghebbende en het bedrag aan pensioenrechten of het pensioen indirect, gedempt en beperkt is door de regeling in het pensioenreglement. De berekeningen in het rapport maken niet aannemelijk dat dit anders is.

35. In het deskundigenrapport is berekend welke invloed indexaties, kortingen en een wijziging van een opbouwpercentage gemiddeld genomen hebben op de (procentuele) afwijking ten opzichte van het referentiepensioen. Weliswaar blijkt uit het rapport dat pensioenaanspraken en uitkeringen voor een belangrijk deel worden betaald uit beleggingsresultaten, zodat er vanuit financieringsperspectief zeker een belangrijk verband bestaat, maar op grond daarvan kan niet worden geoordeeld dat de indexatie, de korting en het opbouwpercentage op basis van het pensioenreglement in de eerste plaats afhankelijk zijn van het beleggingsrendement. Zoals hiervoor is geoordeeld volgt uit het pensioenreglement dat het opbouwpercentage niet afhangt van de werkelijke beleggingsresultaten van belanghebbende en dat de invloed van de beleggingsresultaten op indexatie en korting te indirect, te zeer gedempt en daardoor te zeer beperkt is om te kunnen oordelen dat het bedrag in de eerste plaats daarvan afhankelijk is.

35. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de deelnemers in belanghebbende niet het beleggingsrisico dragen in de zin van de vrijstellingsbepaling. In zoverre kan belanghebbende niet als een gemeenschappelijk beleggingsfonds worden aangemerkt.

Vergelijking met een DC-pensioenregeling

37. De staatssecretaris van Financiën heeft in een brief van 19 september 2014 aan de Tweede Kamer zijn standpunt gegeven over de toepassing van de vrijstelling zoals bedoeld in artikel 11, eerste lid, letter i, ten derde, van de Wet OB bij pensioenfondsen. De staatssecretaris stelt zich in de brief op het standpunt dat een DC-pensioenregeling een gemeenschappelijk beleggingsfonds is. De staatssecretaris baseert zijn standpunt in wezen op de aanname dat bij een individuele DC-pensioenregeling de deelnemers het beleggingsrisico dragen. Daarnaast kunnen bepaalde collectieve DC-pensioenregelingen ook als gemeenschappelijk beleggingsfonds worden aangemerkt, namelijk als de pensioenaanspraken op een vergelijkbare wijze zijn opgebouwd als bij individuele DC-pensioenregelingen.

38. Het ligt op de weg van belanghebbende om de relevante feiten te stellen, en bij betwisting te bewijzen, die kunnen leiden tot een oordeel dat belanghebbende vergelijkbaar is met andere pensioenfondsen die wel worden beschouwd als gemeenschappelijk beleggingsfonds.

39. Belanghebbende heeft geen concrete feiten gesteld over de juridische en financiële positie van deelnemers in één of meerdere andere pensioenfondsen die wel als gemeenschappelijk beleggingsfonds zijn aangemerkt. Belanghebbende heeft wel gesteld dat de verschillende regelingen met elkaar concurreren doordat ze vanuit juridisch en financieel oogpunt dezelfde eigenschappen hebben, dat deze regelingen voor de deelnemer in dezelfde behoeften voorzien en dat tussen beide regelingen geen verschillen bestaan die de keuze van de gemiddelde pensioendeelnemer aanmerkelijk beïnvloeden. Gelet op de betwisting door de inspecteur zijn deze (blote) stellingen onvoldoende om tot het oordeel te komen dat belanghebbende (bezien vanuit het oogpunt van de juridische en financiële situatie van de deelnemer) vergelijkbaar is met andere pensioenfondsen die wel als gemeenschappelijk beleggingsfonds zijn aangemerkt.

Tussenconclusie

40. Omdat belanghebbende niet vergelijkbaar is met een icbe en ook niet vergelijkbaar is met andere pensioenfondsen die wel als gemeenschappelijk beleggingsfonds zijn aangemerkt, is belanghebbende geen gemeenschappelijk beleggingsfonds.

41. Omdat belanghebbende geen gemeenschappelijk beleggingsfonds is, is de vrijstelling niet van toepassing op de vermogensbeheerdiensten van de buitenlandse dienstverlener. Belanghebbende heeft terecht omzetbelasting voldaan voor deze diensten. Belanghebbende heeft over het vierde kwartaal 2020 daarom niet te veel omzetbelasting op aangifte voldaan en heeft geen recht op een teruggaaf.

Conclusie en gevolgen

42. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende geen teruggaaf krijgt. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, voorzitter, en mr. B.J. Zippelius en mr. R.W.J. van der Struijk, leden, in aanwezigheid van mr. L. Ketner, griffier.

Uitgesproken op 30 september 2026.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand